Gods belofte van bevrijding hernieuwd (Exodus 6:1-30)

Inleiding

Maaike is 42. Ze werkt al jaren in de jeugdzorg. Het is een vak waar ze ooit vol idealen aan begon. Ze wilde verschil maken, kinderen een betere toekomst geven, gezinnen weer op de rails helpen. Maar de laatste tijd voelt het vooral alsof ze steeds achter de feiten aanloopt. Een van haar jongeren, een jongen van zestien, werd vorige week uit huis geplaatst. Het was al maanden kantje boord, maar nu was de maat vol. Maaike had alles geprobeerd. Hulpverlening ingeschakeld, gesprekken gevoerd met ouders en school, zelfs extra uren gemaakt om dit gezin te begeleiden. Maar het was niet genoeg. De rechter besloot tot uithuisplaatsing.

     Die avond zat Maaike aan de keukentafel. Ze staarde naar haar lege theekopje, haar hoofd vol vragen. ‘Wat heeft het allemaal voor zin?’ Ze voelde zich moe, uitgeput, en vooral: machteloos. Alsof alles wat ze deed toch geen verschil maakte. Alsof haar stem niet doordrong, nergens werd gehoord. Zelfs niet door haar collega’s, die haar inspanningen nauwelijks leken op te merken. En helemaal niet door de instanties, die alleen maar aan protocollen leken te denken. Hoe vaak voelen wij ons niet zo? Moe van alles wat op ons afkomt. Teleurgesteld omdat het anders loopt dan we hoopten. Machteloos, omdat we het gevoel hebben dat we geen enkele invloed hebben op wat er gebeurt. Of dat nou in ons werk is, in ons gezin of in ons geloofsleven. Het is niet moeilijk om je in zo’n moment af te vragen: waar is God in dit alles? Waarom lijkt het alsof Hij zwijgt, juist als het erop aankomt?

     Ook Mozes weet wat machteloosheid is. In Exodus 6:1-30 zien we hem midden in een crisis. Alles wat hij hoopte te bereiken, lijkt te mislukken. De Israëlieten luisteren niet naar hem. De farao verhardt zijn hart. En Mozes? Die twijfelt aan zichzelf, en misschien ook wel aan God. Toch is dit niet het einde van het verhaal. Sterker nog: juist hier, in deze duisternis, begint iets nieuws. In het bijbelgedeelte dat we nu gaan lezen zien we hoe God opnieuw spreekt. En wat Hij zegt, maakt alles anders.

Bijbeltekst (NBV21)

Exodus 6

[1] Maar de HEER antwoordde hem: ‘Nu zul je zien wat Ik de farao ga aandoen: Ik zal hem met harde hand dwingen mijn volk te laten gaan, hij zal het zelfs uit zijn land wegjagen.’

 

Mozes opnieuw geroepen

[2] God zei tegen Mozes: ‘Ik ben de HEER. [3] Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God, de Ontzagwekkende, maar mijn naam HEER heb Ik niet aan hen bekendgemaakt. [4] Ik heb met hen mijn verbond gesloten en Kanaän aan hen beloofd, het land waarin zij als vreemdeling hebben gewoond. [5] Ik heb het gejammer van de Israëlieten over de slavenarbeid die hun door de Egyptenaren is opgelegd gehoord, en dat heeft Mij aan die belofte herinnerd. [6] Daarom moet je dit tegen hen zeggen: “Ik ben de HEER. Ik zal de last die de Egyptenaren jullie opleggen van je afnemen, Ik zal jullie uit je slavenbestaan bevrijden. Ik zal jullie verlossen met opgeheven arm en de Egyptenaren zwaar straffen. [7] Ik zal jullie aannemen als mijn volk, en Ik zal jullie God zijn. En jullie zullen inzien dat Ik, de HEER, jullie God ben, die jullie bevrijdt van de last die je door de Egyptenaren is opgelegd. [8] Ik zal jullie naar het land brengen dat Ik onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb; dat land zal Ik jullie in bezit geven. Ik ben de HEER.”’ [9] Mozes bracht dit aan de Israëlieten over, maar ze wilden niet naar hem luisteren, moedeloos als ze waren door de zware dwangarbeid.

[10] Toen zei de HEER tegen Mozes: [11] ‘Ga naar de farao, de koning van Egypte, en zeg hem dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten vertrekken.’ [12] Maar Mozes antwoordde: ‘Als de Israëlieten al niet naar me luisteren, zal de farao dat dan wel doen? Ik kom immers moeilijk uit mijn woorden.’

 

[13] Mozes en Aäron waren het tot wie de HEER zich richtte; zij werden door Hem afgevaardigd naar de Israëlieten en naar de farao, de koning van Egypte, om de Israëlieten uit Egypte weg te leiden.

[14] Hier volgen de familiehoofden van het geslacht waaruit zij stamden. Zonen van Ruben, Israëls eerstgeborene: Chanoch, Pallu, Chesron en Karmi. Dit waren de families die van Ruben afstamden. [15] Zonen van Simeon: Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Sochar en Saül, de zoon van een Kanaänitische. Dit waren de families die van Simeon afstamden.

[16] En hier volgen de namen van de zonen van Levi, in volgorde van geboorte: Gerson, Kehat en Merari. Levi werd honderdzevenendertig jaar. [17] Zonen van Gerson: Libni en Simi, elk hoofd van een familie. [18] Zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. Kehat werd honderddrieëndertig jaar. [19] Zonen van Merari: Machli en Musi. Dit waren de families die van Levi afstamden, in volgorde van geboorte van de familiehoofden. [20] Amram trouwde met Jochebed, een zus van zijn vader. Zij baarde hem Aäron en Mozes. Amram werd honderdzevenendertig jaar. [21] Zonen van Jishar: Korach, Nefeg en Zichri. [22] Zonen van Uzziël: Misaël, Elsafan en Sitri. [23] Aäron trouwde met Eliseba, die een dochter was van Amminadab en een zus van Nachson. Zij baarde hem Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. [24] Zonen van Korach: Assir, Elkana en Abiasaf. Dit waren de families die van Korach afstamden. [25] Aärons zoon Eleazar trouwde met een dochter van Putiël, en zij baarde hem Pinechas. Dit waren de hoofden van de families van het geslacht Levi.

[26] Deze Aäron en Mozes waren het aan wie de HEER de opdracht gaf om de Israëlieten, in groepen geordend, uit Egypte te leiden. [27] Deze Mozes en Aäron waren het die de farao, de koning van Egypte, aanzegden dat ze de Israëlieten uit zijn land zouden wegleiden.

 

[28] Toen de HEER zich in Egypte tot Mozes richtte, [29] zei Hij: ‘Ik ben de HEER. Alles wat Ik tegen je zeg, moet je overbrengen aan de farao, de koning van Egypte.’ [30] Mozes antwoordde: ‘Ik kom zo moeilijk uit mijn woorden, de farao zal niet naar me luisteren.’

 

© 2021 Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Exegetische uitleg

We gaan nu het bijbelgedeelte Exodus 6:1-30 stap voor stap doornemen. Deze exegetische uitleg helpt ons om de tekst goed te begrijpen in zijn context en op die manier zicht te krijgen op wat de diepere boodschap is. Vanuit dit begrip kunnen we straks de kernboodschap formuleren die ons als hoorders vandaag de dag aanspreekt.

 

Exodus 6:1. Gods krachtige belofte aan Mozes 

Mozes is aan het eind van zijn latijn. Na zijn confrontatie met de farao lijkt alles wat hij geprobeerd heeft volledig averechts te werken. In plaats van bevrijding bracht zijn optreden alleen maar zwaardere onderdrukking voor het volk Israël. De Israëlieten zijn boos op hem en Mozes doet iets wat velen van ons in momenten van wanhoop ook zouden doen: hij keert zich tot God met zijn frustratie. ‘Heer, waarom behandelt U dit volk zo slecht? Waarom hebt U mij hierheen gestuurd?’ (Exodus 5:22-23). Wat begon als een missie vol hoop is verworden tot een pijnlijke mislukking. Hij voelt zich falend, ongeschikt – en misschien zelfs een beetje voor de gek gehouden.

     Tegen die achtergrond klinkt Exodus 6:1 als een krachtige wending. God antwoordt niet met troostende woorden of begripvolle stilte, maar met een scherpe belofte: ‘Nu zul je zien wat Ik de farao ga aandoen.’ Die eerste woorden – nu zul je zien – zijn veelzeggend. Ze markeren een kantelpunt in het verhaal. Alsof God tegen Mozes zegt: tot nu toe heb jij van alles geprobeerd, maar nu laat Ik zien wat er gebeurt wanneer Ik optreed. Het Hebreeuwse woord voor ‘zien’ verwijst hier niet alleen naar waarnemen met de ogen, maar naar ervaren, ondergaan. Mozes zal met eigen ogen getuige zijn van Gods ingrijpen in de geschiedenis. En dat ingrijpen komt niet voorzichtig of afwachtend, maar met overweldigende kracht.

     God zegt: ‘Ik zal hem met harde hand dwingen mijn volk te laten gaan.’ De uitdrukking ‘met harde hand’ suggereert meer dan alleen kracht. In het Hebreeuws staat hier letterlijk iets als ‘met sterke hand’, een uitdrukking die later vaker zal terugkomen in de Bijbel wanneer Gods machtige daden worden beschreven – vooral in verband met de uittocht uit Egypte. Denk bijvoorbeeld aan Deuteronomium 4:34: ‘Is er ooit een god geweest die het heeft aangedurfd zich een volk toe te eigenen waarover een ander volk macht uitoefende, en die dat deed met grootse daden, met tekenen en wonderen en strijd, met sterke hand en opgeheven arm, en op angstaanjagende wijze.’ Het is taal die past bij een God die niet alleen spreekt, maar handelt. Een God die niet terugdeinst voor wereldmachten.

     Opvallend is het vervolg: ‘Hij zal het zelfs uit zijn land wegjagen.’ De farao zal niet alleen toestaan dat het volk vertrekt – hij zal het volk Egypte uitdrijven. Dat is een verbazingwekkende wending. De man die zich zojuist nog verzet tegen elk verzoek tot vrijlating, zal uiteindelijk zelf het bevel geven tot vertrek. In het Hebreeuws klinkt het woord ‘wegjagen’ alsof het om ongewenste indringers gaat. Dat roept beelden op van een Egypte dat Israël niet snel genoeg kan laten gaan – en dat is precies wat we later in Exodus 12:33 lezen: ‘De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo snel mogelijk uit hun land weg te gaan. “Anders sterven we allemaal nog!” zeiden ze.’

     De symboliek van deze omkering is indrukwekkend. De onderdrukker wordt de afwerende. De machtige farao verliest zijn grip. Het volk dat jarenlang geknakt is onder slavernij, zal als vrij volk vertrekken. Deze omkering is een terugkerend patroon in Gods handelen: Hij keert situaties om. Denk aan Jozef die van slaaf onderkoning wordt, aan David de herdersjongen die koning wordt, aan Jezus die sterft als een misdadiger en opstaat als Heer van hemel en aarde.

     Het vers plaatst ons ook in de bredere context van het boek Exodus. Hier wordt de uittocht niet alleen aangekondigd, maar ook theologisch ingekaderd. Dit is niet zomaar een bevrijding. Het is Gods daad van zelfopenbaring: Hij laat zien wie Hij is. In de komende verzen (Exodus 6:2-8) zal God dat expliciet maken: Ik ben de Heer. De gebeurtenissen die nu in gang worden gezet, zullen niet alleen Israëls geschiedenis bepalen, maar ook de Godsnaam vullen met betekenis.

     Tegelijk is dit vers niet alleen een profetisch vooruitzicht, maar ook een directe bemoediging in het nu. God spreekt juist op het dieptepunt van Mozes’ moedeloosheid. En misschien is dat ook voor ons herkenbaar. Hoe vaak gebeurt het niet dat wij pas iets van Gods aanwezigheid gaan zien op het moment dat onze eigen plannen zijn vastgelopen? Als we het niet meer weten? Misschien zit je zelf wel in een situatie waarin je – net als Mozes – geen uitweg ziet. Waarin je bidt, maar niets lijkt te veranderen. Waarin je alleen maar kunt vragen: waar bent U, God? Dan is dit vers voor jou: nu zul je zien wat Ik ga doen. Niet omdat het meteen makkelijk wordt. Niet omdat de pijn direct weg is. Maar omdat God niet zwijgt. Hij spreekt. Hij handelt. En Hij laat niet los wat Zijn hand is begonnen.

 

Exodus 6:2-5. God herinnert aan zijn verbond 

Terwijl Mozes worstelt met zijn twijfels en het gevoel van falen, klinkt opnieuw Gods stem. ‘Ik ben de HEER,’ zegt Hij in vers 2. Geen vermaning, geen afwijzing, maar een bevestiging van wie Hij is. God stelt zich aan Mozes voor, opnieuw. Niet omdat Mozes Hem niet kent, maar omdat hij het in dit moment van moedeloosheid opnieuw moet horen. Wie spreekt er hier? De Heer – in het Hebreeuws: JHWH. Dat is de persoonlijke naam van God, de naam die in de NBV21 met hoofdletters wordt weergegeven. Het is dezelfde naam die Hij in Exodus 3:14 met betekenis heeft gevuld: ‘Ik ben die Ik ben.’ Deze naam openbaart Hem als de levende, aanwezige, trouw blijvende God. Een God die zichzelf niet alleen laat kennen in woorden, maar juist ook in daden.

     In vers 3 zegt God dat Hij weliswaar aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen is als ‘God, de Ontzagwekkende’ – in het Hebreeuws: El Shaddai – maar dat zijn naam Heer aan hen niet bekend was. Wat bedoelt Hij daarmee? Want de naam JHWH komt wel degelijk voor in Genesis. Toch zit daar een diepere laag in. De aartsvaders wisten wie God was, ze vertrouwden op Hem, maar de volle betekenis van de naam Heer – de God die zich onverbrekelijk aan Zijn volk verbindt en Zijn belofte vervult – was nog niet tot uiting gekomen. Ze leefden met de belofte, maar zagen de vervulling niet. Wat God hier zegt, is: wat zij alleen konden hopen, ga jij nu meemaken. Nu zal blijken wie Ik werkelijk ben: de Heer die doet wat Hij belooft.

     Daar sluit vers 4 naadloos op aan: ‘Ik heb met hen mijn verbond gesloten en Kanaän aan hen beloofd, het land waarin zij als vreemdeling hebben gewoond.’ Een verbond is in de Bijbel geen vrijblijvende afspraak, maar een plechtige belofte waarin God zichzelf bindt aan mensen. Niet omdat zij dat verdienen, maar omdat Hij trouw is. God herinnert Mozes eraan dat Hij zich verbonden heeft aan het nageslacht van Abraham. En die verbondenheid is niet vervaagd. Ook al zijn de omstandigheden veranderd – van vreemdelingen tot slaven –, Gods belofte staat nog altijd.

     De situatie waarin de Israëlieten verkeren is bitter. Ze worden onderdrukt, zwaar uitgebuit. Ze hebben geen rechten, geen land, geen toekomst. En toch zegt God in vers 5: ‘Ik heb het gejammer van de Israëlieten over de slavenarbeid die hun door de Egyptenaren is opgelegd gehoord, en dat heeft Mij aan die belofte herinnerd.’ Dat woord ‘gejammer’ is veelzeggend. Het is geen formele klacht, maar een roep uit de diepte. En God hoort. Dat is een van de meest troostrijke boodschappen van deze verzen: het lijden van mensen ontgaat Hem niet. Hij hoort niet alleen met zijn oren, Hij hoort met zijn hart.

     Wanneer er staat dat het gejammer Hem aan zijn belofte heeft herinnerd, moeten we dat niet zien als een vergetelheid aan Gods kant. In de Bijbel betekent ‘herinneren’ vaak: actief tot handelen overgaan op basis van een verbond. God is Zijn volk niet vergeten, maar Hij komt nu in actie. Hij laat zien dat Zijn beloftes geen loze woorden zijn. Wat Hij sprak, zal Hij doen. Misschien is dat wel de krachtigste boodschap van dit gedeelte: God is niet veranderd. Ook als wij niets meer zien, is Hij nog steeds de Heer. Ook als wij ons afvragen of Hij ons wel hoort, zegt Hij: Ik heb het gehoord. En misschien herken jij je daarin. Misschien ben je zelf in een situatie waarin je op je tenen loopt. Waarin je schreeuwt, bidt, wacht – en geen beweging ziet. Maar hier klinkt het: jouw roep is niet voor niets. God hoort. En Hij vergeet Zijn belofte niet.

     Deze verzen vormen het fundament onder alles wat volgt in het boek Exodus. De bevrijding uit Egypte, de doortocht door de zee, de wetgeving op de Sinaï – ze vinden hun oorsprong in Gods trouw aan zijn verbond. En die lijn loopt door tot in het Nieuwe Testament. Jezus komt als de volmaakte vervulling van Gods belofte: Immanuël, God-met-ons. Hij is de Heer die redt, niet alleen uit slavernij in Egypte, maar uit de slavernij van zonde en dood. Ook daar horen we opnieuw: ‘Ik heb gehoord … en Ik grijp in.’ Deze woorden aan Mozes zijn dus geen geschiedenisles, maar een levend getuigenis. Ze laten ons zien wie God is. En ze nodigen uit tot vertrouwen – juist als we het even niet meer zien. Want Hij is de Heer. En Hij doet wat Hij zegt. Altijd.

 

Exodus 6:6-8. De zeven beloften van bevrijding 

God spreekt. Na Zijn plechtige herinnering aan het verbond met Abraham, Isaak en Jakob, richt Hij zich via Mozes nu rechtstreeks tot het volk Israël. De woorden die volgen – in Exodus 6:6-8 – zijn geen troostende woorden alleen, maar krachtige beloften. God schetst niet slechts een hoopvol vergezicht; Hij verklaart wat Hij zal doen. En dat zegt Hij zeven keer. Zeven keer klinkt: ‘Ik zal …’ Het getal zeven heeft in de Bijbel vaak symbolische betekenis: het staat voor volledigheid, volheid. Hier onderstreept het dat Gods redding totaal is: Hij bevrijdt, herstelt, verbindt en geeft toekomst.

     Alles begint bij Gods zelfopenbaring: ‘Ik ben de HEER.’ Met deze naam, JHWH, benadrukt God opnieuw Zijn identiteit als de trouw blijvende, actieve God. Hij is niet ver weg, niet passief. Hij is aanwezig, betrokken, levend. Alles wat Hij hier belooft, vloeit voort uit wie Hij is. Daarom staat die zin aan het begin én aan het einde van deze reeks verzen – als een goddelijke handtekening die Zijn beloften omgeeft.

     De eerste belofte luidt: ‘Ik zal de last die de Egyptenaren jullie opleggen van je afnemen.’ Hier erkent God allereerst de pijn van Zijn volk. Hij ontkent hun situatie niet. Integendeel, Hij benoemt die scherp: het is een last, opgelegd door onderdrukkers. In de sociale en economische werkelijkheid van het oude Egypte betekende dat keiharde dwangarbeid, vernedering en het verlies van elke vrijheid. Gods eerste daad is dus: Hij neemt die ondraaglijke last weg. Hij wil de druk verlichten, letterlijk en figuurlijk.

     Maar daar blijft het niet bij. ‘Ik zal jullie uit je slavenbestaan bevrijden,’ zegt Hij. Dit is de fysieke en sociale bevrijding: het einde van de slavernij. In het Hebreeuws klinkt hier een woord dat duidt op losmaken, uitleiden, bevrijden van onderdrukking. Het is het tegenovergestelde van wat de farao doet. Wat God doet, maakt vrij. En die vrijheid is geen leegte, maar krijgt inhoud in wat daarna volgt.

     ‘Ik zal jullie verlossen met opgeheven arm en de Egyptenaren zwaar straffen.’ Hier gaat het over Gods machtige optreden. De ‘opgeheven arm’ is een krachtig beeld in de Hebreeuwse Bijbel. Het duidt op Gods macht die zichtbaar en voelbaar ingrijpt in de wereld. Zoals een leider zijn arm opheft in de strijd, zo zal God Zijn arm niet laten zakken tot Zijn volk vrij is. De straf over de Egyptenaren is rechtvaardig: zij hebben Gods volk onderdrukt, en Hij doet recht aan hun lijden.

     Na bevrijding volgt relatie. ‘Ik zal jullie aannemen als mijn volk, en Ik zal jullie God zijn.’ Dit is de kern van het verbond. De bevrijding uit Egypte is niet het einddoel, maar het begin van een nieuwe relatie. De Israëlieten worden niet alleen verlost, ze worden Gods volk. Deze zin keert door de hele Bijbel heen terug als samenvatting van Gods bedoeling met mensen. God zoekt gemeenschap. Hij wil een volk dat Hem kent, dat bij Hem hoort.

     Daarom zegt Hij: ‘En jullie zullen inzien dat Ik, de HEER, jullie God ben, die jullie bevrijdt van de last die je door de Egyptenaren is opgelegd.’ Hier komt de ervaring van Gods daden samen met het kennen van Zijn naam. Het ‘inzien’ gaat verder dan weten – het is doorleefde erkenning. De Israëlieten zullen niet alleen horen over God, ze zullen Hem herkennen in wat Hij doet. Zijn naam zal voor hen niet langer een abstract idee zijn, maar een persoonlijke werkelijkheid.

     Tot slot zegt God: ‘Ik zal jullie naar het land brengen dat Ik onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb; dat land zal Ik jullie in bezit geven.’ Hier verbindt Hij de huidige bevrijding aan de belofte van het beloofde land. Het is niet alleen verlossing uit slavernij, maar ook de gave van toekomst. In een wereld waar mensen vaak landloos en rechteloos waren, betekent bezit van land bestaanszekerheid. Dit land is geen luxe, maar thuiskomen.

     Bij de joodse viering van Pesach – het feest dat de uittocht uit Egypte herdenkt – worden deze beloften tot op de dag van vandaag gevierd. Tijdens de sedermaaltijd worden vier bekers wijn gedronken die verwijzen naar vier van deze ‘Ik zal’-uitspraken. Het is een jaarlijkse herinnering: God is een bevrijder. Zijn woorden zijn geen verleden tijd, maar levende belofte. Ook in het Nieuwe Testament klinkt deze lijn door. Jezus noemt zichzelf de goede herder, de bevrijder, de weg naar het leven. Hij verlost niet alleen uit uiterlijke slavernij, maar uit de slavernij van zonde, schuld en dood.

     En misschien vraag jij je af: wat betekenen deze beloften voor mij? Misschien voelt jouw leven als een last. Misschien ken jij slavernij op een andere manier – niet als ketens, maar als patronen, schuld, angst, uitzichtloosheid. Misschien verlang je naar een plek waar je tot rust komt, waar je mag zijn wie je bent. Dan zegt God ook tegen jou: Ik ben de Heer. Ik zal je bevrijden. Ik zal je aannemen als mijn kind. Ik geef je toekomst. Deze woorden uit Exodus zijn geen dode letters. Ze leven. Ze wijzen vooruit – en ze nodigen uit tot vertrouwen. God zegt: Ik zal. De vraag is: durf jij daarop te bouwen?

 

Exodus 6:9. De ontmoediging van het volk 

Mozes heeft net Gods woorden doorgegeven. Woorden vol belofte en kracht: zeven keer had God gezegd ‘Ik zal …’ – een toekomst van bevrijding, herstel, verbondenheid en hoop. Maar dan komt de reactie van het volk. En die is pijnlijk. In plaats van opluchting of geloof, lezen we in Exodus 6:9: ‘Mozes bracht dit aan de Israëlieten over, maar ze wilden niet naar hem luisteren, moedeloos als ze waren door de zware dwangarbeid.’ Hier botsen belofte en werkelijkheid. En de kloof daartussen is voor de Israëlieten op dat moment onoverbrugbaar.

     Mozes spreekt namens God. Hij doet wat hem is opgedragen. Er is geen sprake van ontrouw of halfslachtigheid aan zijn kant. Maar zijn boodschap bereikt het volk niet. Niet omdat het onduidelijk is, of omdat de inhoud te klein is, maar omdat de mensen simpelweg niet meer kunnen luisteren. Het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt voor ‘luisteren’  betekent veel meer dan alleen iets horen. Het gaat om aandachtig luisteren, innerlijk openstaan, gehoor geven. En dat is precies wat hier ontbreekt. Hun hart is gesloten, hun hoop verlamd.

     De NBV21 geeft de reden kernachtig weer: ‘moedeloos als ze waren door de zware dwangarbeid’. Andere vertalingen spreken van ‘kortademigheid’ of ‘gebroken geest’. Het Hebreeuws heeft hier letterlijk de uitdrukking ‘kort van geest’, wat iets oproept van een geestelijk benauwde toestand – alsof je geen ademruimte meer hebt om zelfs maar te hopen. De dwangarbeid in Egypte was niet alleen fysiek slopend, maar ook psychologisch verwoestend. De Israëlieten waren zo lang vernederd, onderdrukt en gebruikt dat ze geen ruimte meer hadden om te geloven dat er iets kon veranderen. Hun identiteit was afgebroken. Hun vertrouwen uitgehold. Wie jarenlang alleen maar heeft geleerd dat zijn stem niets waard is, kan op een gegeven moment niet meer reageren op woorden van bevrijding. Zelfs al komen ze van God zelf.

     Deze ontmoediging is ook voor ons herkenbaar. Misschien heb jij ook wel eens in een situatie gezeten waarin je simpelweg niets meer kon ontvangen. Waarin mensen je bemoedigden, teksten aanhaalden, voor je baden – en jij alleen maar dacht: het zal allemaal wel. Ik voel het niet. Ik kan het niet meer geloven. Dán is dit vers voor jou. Want het laat zien dat geloof niet altijd een onmiddellijke reactie is. Soms is de ziel zo vermoeid, zo benauwd, dat zelfs de mooiste woorden niet binnenkomen.

     Wat dit vers bijzonder maakt, is dat het niets verdoezelt. Er wordt niet gezegd dat het volk ongehoorzaam of koppig is, maar dat ze kapot zijn van binnen. Hun weigering om te luisteren is geen verzet, maar een vorm van zelfbescherming. En juist dat maakt Gods geduld zo bijzonder. Hij veroordeelt hen niet. Hij trekt zich niet terug. Hij laat zich niet ontmoedigen door hun gebrek aan enthousiasme. Zijn plan gaat door. En dat laat iets zien van Gods karakter: Hij is geen God die alleen werkt met mensen die volledig klaar zijn voor Zijn bevrijding. Hij begint juist met hen die niet meer kunnen. Hij blijft trouw, ook als ons geloof afwezig lijkt.

     Deze toestand van het volk Israël staat niet op zichzelf. In de bredere lijn van Exodus zie je dit patroon vaker terug. Het volk zal meermaals moeite hebben om op Gods beloften te vertrouwen. Soms zelfs na wonderlijke tekenen en grote bevrijding. En dat loopt door tot in het Nieuwe Testament. Jezus, die zelf de volmaakte bevrijder is, ervaart ook afwijzing en ongeloof, zelfs van mensen die dichtbij Hem staan. In Johannes 1:11 staat: ‘Hij kwam naar wat van Hem was, maar wie van Hem waren, hebben Hem niet ontvangen.’ Toch houdt Hij niet op zich te geven. Net als God in Exodus. De les van Exodus 6:9 is daarom niet dat geloof vanzelf spreekt. Maar juist dat Gods trouw standhoudt, ook als onze hoop wankelt. Zijn woorden zijn niet afhankelijk van ons vermogen om ze meteen te ontvangen. Hij spreekt ook als wij moe zijn. Hij komt ook als wij op onze laatste benen lopen. En Hij blijft, zelfs als wij zwijgen. Misschien voel jij je vandaag ook als iemand die ‘niet meer luisteren kan’. Dan zegt deze tekst: je bent niet verloren. God weet het. En Hij spreekt verder. Niet hard, niet dwingend, maar vasthoudend. Want Hij is de Heer. En wat Hij begonnen is, zal Hij ook voltooien.

 

Exodus 6:10-12. Mozes’ terughoudendheid 

Na de moedeloze stilte van het volk in vers 9, neemt God zelf weer het initiatief. Er is geen verwijt, geen terugtrekking, geen aanpassing van het plan. Integendeel. ‘Toen zei de HEER tegen Mozes: “Ga naar de farao, de koning van Egypte, en zeg hem dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten vertrekken.”’ Gods opdracht is duidelijk, krachtig en onverminderd gericht op bevrijding. Ondanks het gebrek aan geloof bij het volk, ondanks de eerdere afwijzing van farao en ondanks Mozes’ eigen onzekerheid, blijft God trouw aan Zijn roeping. Hij laat zich niet leiden door omstandigheden, maar door Zijn eigen plan van verlossing.

     Mozes moet opnieuw naar de farao toe – een man die in de ogen van velen als goddelijk werd beschouwd. In het oude Egypte werd de farao gezien als de belichaming van orde, macht en stabiliteit. Hem aanspreken als gelijke, laat staan als iemand die onder gezag staat, was in de beleving van die tijd bijna ondenkbaar. Dat God Mozes opdraagt om de farao te confronteren met een opdracht die Gods soevereiniteit bevestigt – namelijk dat hij de Israëlieten moet laten vertrekken – is daarom een direct frontale botsing tussen twee werelden: die van Gods koninkrijk en die van menselijke macht.

     Mozes’ reactie is dan ook begrijpelijk. Hij zegt: ‘Als de Israëlieten al niet naar me luisteren, zal de farao dat dan wel doen? Ik kom immers moeilijk uit mijn woorden.’ Deze tegenwerping is doordrenkt van teleurstelling. Hij had zich uitgesproken tegenover zijn eigen volk en dat had niets opgeleverd. Nu moet hij opnieuw spreken – maar dan tot de machtigste man van het rijk. De vergelijking die hij maakt, is pijnlijk logisch vanuit zijn perspectief: als het volk mij al negeert, waarom zou farao me dan serieus nemen? Daarbij komt zijn persoonlijke bezwaar terug: hij is geen vlotte spreker. Letterlijk staat er in het Hebreeuws iets als ‘onbesneden van lippen’ – een uitdrukking die aangeeft dat hij zich ongemakkelijk, gebrekkig of zelfs ongeschikt voelt om namens God te spreken. Dit bezwaar had hij eerder al geuit bij de brandende braamstruik (Exodus 4:10) en ook toen gaf God een antwoord: zijn broer Aäron zou hem helpen. Toch komt het nu terug. Mozes is geen zelfverzekerde leider. Hij voelt zich tekortschieten – in zijn stem, in zijn overtuigingskracht, in zijn positie. En misschien is dat juist waarom God hem heeft uitgekozen. Want juist hier wordt de kern van Mozes’ roeping zichtbaar: God gebruikt geen perfecte mensen, maar gewonde, kwetsbare mensen die leren vertrouwen. Mozes’ bezwaren maken hem niet ongeschikt – ze maken hem echt. Wat hij hier ervaart is wat veel mensen kennen: het gevoel dat je niet gehoord wordt, niet serieus genomen wordt, dat je woorden tekortschieten op het moment dat ze er echt toe doen. Misschien herken jij dat ook. Dat je weet wat je zou moeten zeggen of doen, maar je voelt je onzeker, klein, te weinig. En juist dan klinkt Gods roep: ga. Spreek. Wees beschikbaar.

     God gaat op dat moment niet in discussie met Mozes. Hij onderbreekt hem niet, Hij verdedigt Zijn opdracht niet. In vers 13 (dat hierop volgt) zal Hij opnieuw bevestigen dat Mozes en Aäron zijn uitgekozen instrumenten zijn. Maar in deze verzen laat Hij het bezwaar even staan. Niet om Mozes af te wijzen, maar omdat Gods roeping niet afhankelijk is van een volmaakt antwoord. Hij weet wat Hij doet en Hij weet wie Hij roept. In het bredere verhaal van Exodus vormt dit moment een schakel. Mozes heeft eerder de opdracht gekregen, het volk heeft gereageerd met wanhoop en nu staat Mozes op het kruispunt van gehoorzaamheid en twijfel. Dit herinnert aan andere bijbelse figuren die zich ongeschikt voelden – Jeremia, Gideon, Paulus – en uiteindelijk juist in hun zwakte werden gebruikt om Gods kracht zichtbaar te maken (vgl. 2 Korintiërs 12:9: ‘Mijn kracht openbaart zich juist ten volle wanneer iemand zwak is’). Het is opvallend dat ook Jezus – de Zoon van God – niet koos voor machtige retoriek of indrukwekkend leiderschap zoals de wereld dat waardeert. Hij koos voor nederigheid, gehoorzaamheid, het kruis. In Hem zien we hoe God werkt door wat in mensenogen zwak is. Wie zich klein weet, wordt in Gods handen bruikbaar.

     Exodus 6:10-12 is dus geen tussenstukje in het verhaal. Het laat zien hoe gehoorzaamheid vorm krijgt te midden van twijfel. Het laat zien dat God zijn plan voortzet, ook als wij ons niet sterk voelen. En het nodigt ons uit om te geloven dat ook wij, met al onze gebreken, geroepen kunnen worden om zijn stem te laten klinken. Niet omdat wij zo krachtig zijn, maar omdat Hij dat is.

 

Exodus 6:13. Gods opdracht aan Mozes en Aäron 

Na Mozes’ herhaalde tegenwerpingen en het moedeloze zwijgen van het volk klinkt in Exodus 6:13 een kort, krachtig en allesbepalend antwoord van God. ‘Mozes en Aäron waren het tot wie de HEER zich richtte; zij werden door Hem afgevaardigd naar de Israëlieten en naar de farao, de koning van Egypte, om de Israëlieten uit Egypte weg te leiden.’ Deze zin lijkt op het eerste gezicht een samenvatting. Toch is het veel meer dan dat. Het is Gods bevestiging te midden van menselijke onzekerheid en weerstand.

     De verzen ervoor hebben ons meegenomen in Mozes’ innerlijke strijd. Hij voelt zich onbekwaam, onbegrepen, ongehoord. Het volk luistert niet. Hij twijfelt of farao hem ooit serieus zal nemen. Zijn woorden, zegt hij, zijn zwak. Maar in dit vers is Gods antwoord niet gericht op het oplossen van Mozes’ gevoelens. Hij bevestigt eenvoudigweg opnieuw de opdracht: jij en je broer gaan. Jullie zijn gezonden. Daarmee is dit vers de sluitsteen van de hele roepingscyclus die begon in Exodus 3. Wat Mozes ook voelt, wat het volk ook denkt en hoe onwrikbaar farao ook lijkt – Gods plan gaat door.

     In het Hebreeuws wordt hier een werkwoord gebruikt dat sterk duidt op bevel en opdracht. De Heer geeft hen opdracht, zoals andere vertalingen terecht weergeven. Dit is niet vrijblijvend. Mozes en Aäron worden in dienst gesteld van de Heer, als gezanten van Zijn wil. In het oude Nabije Oosten was de autoriteit van een gezant rechtstreeks verbonden met degene die hem stuurde. Een boodschapper sprak met het gezag van zijn heer. Precies dat geldt hier: Mozes en Aäron spreken niet namens zichzelf, maar namens de Heer van hemel en aarde. De opdracht die ze krijgen, heeft twee bestemmingen: het volk én de farao. Dat is veelzeggend. Ze moeten spreken tot een moedeloos volk dat niet meer kan luisteren, én tot een arrogante koning die niet wíl luisteren. Twee totaal verschillende doelgroepen, maar in beide gevallen is de boodschap dezelfde: de Heer gaat Zijn volk bevrijden. Daarmee staat Mozes letterlijk en figuurlijk tussen twee werelden: hij draagt Gods belofte in zich, maar moet die verkondigen in een context die aan alle kanten weerstand biedt. Het vereist moed – maar nog meer: vertrouwen.

     Dat de twee broers hier samen worden genoemd, heeft een duidelijke literaire functie. In de verzen hiervoor komt Mozes’ onzekerheid over zijn spraak opnieuw naar voren. God heeft hem eerder Aäron als helper beloofd (Exodus 4:14-16) en hier zien we die samenwerking werkelijkheid worden. Mozes hoeft het niet alleen te doen. Aäron zal zijn stem zijn, zijn ondersteuning. Samen zullen ze de missie volbrengen. Dat is niet alleen praktisch, maar ook symbolisch: waar God roept, voorziet Hij ook. Zijn opdrachten staan nooit los van Zijn zorg.

     De opdracht zelf – ‘om de Israëlieten uit Egypte weg te leiden’ – herinnert aan het grote doel van Gods handelen: bevrijding. Het werkwoord dat hier gebruikt wordt, roept het beeld op van een geleide uittocht. Dit is geen vlucht, geen chaos. God leidt Zijn volk. Door Zijn vertegenwoordigers heen zal Hij zijn macht tonen. Wat in de ogen van farao slechts slaven zijn, blijken in Gods ogen Zijn kinderen, Zijn volk. En Hij staat op om hen uit te leiden – met opgeheven arm, zoals eerder beloofd. Exodus 6:13 is daarmee ook een literaire overgang. In de verzen die volgen (vers 14-25) wordt een geslachtsregister ingevoegd. Dat lijkt een vreemde onderbreking, maar het onderstreept juist de continuïteit van Gods plan. Het gaat hier niet om willekeurige mensen, maar om geroepenen uit een lijn van priesters, levieten, leiders. Voordat het verhaal verdergaat met Gods ingrijpen in Egypte, bevestigt de schrijver: deze mensen zijn geworteld in het verbond. Ze zijn door God gekozen én geplaatst.

     In het licht van de hele Bijbel is dit vers een voorloper van talloze momenten waarop God mensen uitzendt met een opdracht die groter is dan zijzelf. Jesaja wordt geroepen om te spreken tot een volk dat niet luisteren wil (Jesaja 6). Jeremia moet profeteren tegen een hardnekkig Juda (Jeremia 1). En Jezus zelf zegt tegen zijn leerlingen: ‘Zoals de Vader Mij heeft uitgezonden, zo zend Ik jullie uit’ (Johannes 20:21). Steeds weer is het God die kiest, die stuurt, die werkt door mensen heen – ondanks hun zwakte, ondanks tegenstand, ondanks ongeloof.

     Misschien voel jij je soms ook als Mozes: klein tegenover wat er van je gevraagd wordt. Misschien herken je de aarzeling: waarom ik? Wat als niemand luistert? Wat als ik niet sterk genoeg ben? Dan klinkt in dit vers een duidelijke, stille kracht: God heeft gesproken. Hij kent je. Hij roept je niet omdat je perfect bent, maar omdat Hij trouw is. En als Hij je een opdracht geeft, dan laat Hij je niet los. Exodus 6:13 is geen bijzin in het grotere verhaal. Het is een ankerpunt. God kiest. God zendt. En God gaat door. Zelfs als wij nog twijfelen.

 

Exodus 6:14-25. Het geslachtsregister van Levi 

Juist op het moment dat de spanning in het verhaal toeneemt – God heeft zojuist opnieuw Zijn opdracht aan Mozes en Aäron bevestigd en de confrontatie met de farao lijkt aanstaande – wordt de vaart ogenschijnlijk onderbroken. In plaats van actie volgt een lange reeks namen: een geslachtsregister van de families van Ruben, Simeon en vooral Levi. Voor wie het verhaal voor het eerst leest, voelt dit misschien als een vreemde onderbreking. Maar wie goed kijkt, ontdekt dat deze verzen een cruciale rol spelen in de theologische en literaire opbouw van het hoofdstuk. Ze vormen geen voetnoot, maar een fundament.

     De eerste drie zonen van Jakob – Ruben, Simeon en Levi – worden genoemd, in die volgorde. Dat is belangrijk: Ruben was de eerstgeborene en dus in principe degene die het leiderschap zou erven. Maar zijn misstap met Bilha (Genesis 35:22) leidde tot het verlies van zijn voorrangspositie. Ook Simeon en Levi droegen schuld vanwege het gewelddadige optreden in Sichem (Genesis 34). Toch is het opvallend dat juist Levi, ondanks zijn verleden, centraal komt te staan in deze lijst. Hierin klinkt al iets door van een patroon dat vaker in de Bijbel voorkomt: God werkt niet per se met de ‘beste’ mensen, maar met wie Hij kiest. Genade staat voorop.

     De namen worden steeds specifieker en de aandacht verschuift naar Levi’s nakomelingen: Gerson, Kehat en Merari. Uit Kehat komt Amram voort, de vader van Aäron en Mozes. In vers 20 lezen we dat Amram trouwt met Jochebed, zijn tante – iets dat wij als vreemd ervaren, maar wat in die tijd, zeker binnen gesloten stammenstructuren, gebruikelijker was. Door hun huwelijksverbond blijft de stam Levi in zichzelf geworteld, wat ook vooruitwijst naar de latere afzondering van deze stam als priesterlijke stam. Hun erfdeel zou niet een stuk land zijn zoals bij de andere stammen, maar de dienst aan de Heer zelf (Deuteronomium 10:9).

     Bijzonder is hoe deze stamboom verdergaat met de zonen van Aäron: Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. Elk van deze namen verwijst naar een latere episode in Israëls religieuze geschiedenis. Nadab en Abihu sterven bij de offerdienst (Leviticus 10), Eleazar wordt hogepriester na Aäron (Numeri 20:28) en Pinechas, de zoon van Eleazar, zal met ijver voor Gods eer optreden (Numeri 25). Deze stamboom kijkt dus niet alleen terug, maar ook vooruit. Hij laat zien dat het leiderschap van Mozes en Aäron niet op zichzelf staat, maar ingebed is in een grotere lijn – een lijn die doorloopt tot in de priesterlijke dienst van het volk Israël.

     De lijst eindigt niet met Mozes, maar met Eleazar en Pinechas. Dat is veelzeggend. Mozes is de grote leider van het volk, maar hij draagt het ambt niet over aan zijn eigen kinderen. Het is Aäron, en via hem Eleazar en Pinechas, die de lijn van priesters voortzetten. Hiermee wordt duidelijk dat het geestelijk leiderschap zich in een andere lijn ontwikkelt dan het politieke of profetische leiderschap. Dat verschil tussen Mozes en Aäron – leider en priester – zal ook later in de Bijbel terugkomen, bijvoorbeeld in het onderscheid tussen koning en priester.

     Op literair niveau functioneert dit gedeelte als een anker. Het vestigt de aandacht op de betrouwbaarheid van de hoofdpersonen. In een tijd waarin afkomst belangrijk was – niet alleen sociaal, maar ook religieus – laat deze lijst zien dat Mozes en Aäron geworteld zijn in het volk. Ze zijn niet van buitenaf, maar van binnenuit geroepen. Dat versterkt hun legitimiteit, zowel tegenover het volk als tegenover de farao.

     Tegelijk maakt deze lijst iets theologisch duidelijk: Gods reddingswerk is geworteld in concrete geschiedenis. De verlossing van Israël is niet een sprookje of mythe, maar vindt plaats binnen echte families, met echte mensen, echte namen. Zo werkt God door de tijd heen, van generatie op generatie. Dat zien we ook elders in de Bijbel. Voordat God iets nieuws doet, wordt vaak eerst het verleden in beeld gebracht: een geslachtsregister, een terugblik, een herhaling van beloften. Denk aan Matteüs 1, waar het Nieuwe Testament opent met een lange lijst namen. Waarom? Omdat God Zijn beloften vervult in de loop van de tijd. In mensen. In families. In geschiedenis.

     Misschien lees je dit geslachtsregister en denk je: wat moet ik hiermee? Maar stel jezelf de vraag: hoe belangrijk is het voor jou om te weten waar je vandaan komt? Wat geeft je identiteit, stevigheid, worteling? In deze verzen klinkt iets door van Gods zorg voor continuïteit. Namen worden niet vergeten. Geschiedenissen doen ertoe. Zelfs in de moeilijkste tijden werkt God door aan Zijn plan – via mensen die soms onbekend blijven, maar niet onbemind zijn.

     En zo eindigt dit geslachtsregister niet als droge opsomming, maar als getuigenis. God roept mensen, met hun verleden, met hun familie, met hun karakter. Hij begint in de geschiedenis en werkt daarin door. En dat betekent dat ook jouw verhaal, jouw afkomst, jouw naam opgenomen mag zijn in Zijn grotere plan. Wat begon bij Levi, kreeg vorm in Aäron. Wat begon in Aärons lijn, vond zijn voltooiing in Jezus – de volmaakte hogepriester (Hebreeën 4:14). En wie Hem volgt, wordt opnieuw opgenomen in een groter geheel. Een familie van geloof, gebouwd op genade, gevoed door herinnering.

 

Exodus 6:26-27. De bevestiging van Mozes en Aärons roeping 

Na de uitgebreide opsomming van familiehoofden en priestergeslachten in Exodus 6:14-25 keren verzen 26 en 27 terug naar de hoofdpersonen van het verhaal. Deze twee verzen vormen een soort literaire handtekening onder de voorgaande lijst. Ze herhalen, bekrachtigen en bevestigen wie de hoofdrolspelers zijn in het grote bevrijdingsverhaal dat zich ontvouwt. ‘Deze Aäron en Mozes,’ zo begint vers 26 en vers 27 zegt: ‘Deze Mozes en Aäron.’ Door deze herhaling, met zelfs een subtiele omkering van de naamvolgorde, wordt niet alleen de aandacht op hen gevestigd, maar ook benadrukt dat het om specifieke, door God gekozen mensen gaat – geen abstracte figuren, maar concrete personen met een afkomst, een familie, een opdracht.

     Die nadruk op ‘deze’ klinkt als een vingerwijzing in de tekst: kijk goed, dit zijn ze. Daarmee sluit de tekst aan op de genealogie die eraan voorafging: dit zijn de mannen uit die lijn, geworteld in het volk, voortgekomen uit Levi, geroepen om namens God te handelen. In een cultuur waarin afstamming bepalend was voor gezag en rol, is deze bevestiging van hun afkomst niet zomaar een detail. Het onderbouwt hun recht van spreken, hun betrouwbaarheid als vertegenwoordigers van Israël en later – in Aärons geval – hun geschiktheid voor het priesterschap.

     Opvallend in vers 26 is de uitdrukking dat de Heer hen de opdracht gaf om de Israëlieten ‘in groepen geordend’ uit Egypte te leiden. Het Hebreeuwse woord tsiv’otam kan letterlijk worden vertaald als ‘in legereenheden’ of ‘ordes’. Dat is niet bedoeld in militaire zin, maar als beeld van structuur, organisatie en doelgerichtheid. Het volk wordt niet bevrijd als een ongeorganiseerde menigte, maar als een volk-in-opbouw, een gemeenschap die door God gevormd wordt tot een volk met orde, bestemming en identiteit. Hier weerklinkt al iets van het beeld dat later in Numeri wordt uitgewerkt, waarin Israël als een kamp rondom Gods aanwezigheid wordt beschreven.

     Vers 27 bevestigt vervolgens nogmaals de zending: ‘Deze Mozes en Aäron waren het die de farao, de koning van Egypte, aanzegden dat ze de Israëlieten uit zijn land zouden wegleiden.’ De opdracht aan de farao was geen onderhandeling, geen beleefde suggestie – het was een goddelijke aankondiging, gebracht door twee mensen die namens de Heer spraken. Dat zij daadwerkelijk tot de farao spraken, onderstreept hun moed, maar vooral hun rol als Gods gezanten. In de context van het oude Egypte, waarin de farao als een goddelijk figuur werd gezien, is het spreken namens de Heer geen geringe daad. Het is een directe confrontatie tussen menselijke macht en goddelijke autoriteit.

     De omkering in de volgorde van de namen – eerst Aäron, dan Mozes en daarna omgekeerd – is meer dan stilistische variatie. In de context van het voorgaande register wordt duidelijk dat Aäron in de lijn van priesterschap staat. Deze nadruk kan worden gelezen als een voorbode van zijn toekomstige rol als hogepriester. Mozes, de profeet en leider, zal vooral als bemiddelaar tussen God en het volk optreden. Aäron daarentegen zal de eredienst dragen. Samen belichamen zij de twee hoofdassen van Gods omgang met Zijn volk: openbaring en verzoening.

     Ook in het licht van het bredere bijbelse verhaal zijn deze twee verzen belangrijk. Ze bevestigen dat Gods werk plaatsvindt via mensen – mensen met wortels, relaties, vragen en beperkingen. Dat Mozes en Aäron bij name worden genoemd, en niet slechts als ‘de profeet’ of ‘de priester’, benadrukt Gods persoonlijke omgang met Zijn geroepenen. En daarin weerklinkt een lijn die verder loopt, tot in het Nieuwe Testament. Jezus wordt daar de grote profeet en hogepriester genoemd (Hebreeën 1:1-3; 4:14). In Hem komen de lijnen van Mozes en Aäron samen: Hij spreekt namens God én Hij brengt het offer dat verzoent.

     Voor ons als lezers vandaag kan dit vers verrassend actueel zijn. Misschien heb je zelf het gevoel dat je verhaal te klein is, je naam onbelangrijk. Maar God werkt door gewone mensen met een naam, een geschiedenis, een plek. Deze Mozes en Aäron – het klinkt alsof de tekst zegt: ja, precies zij. Niet een idealere versie van zichzelf. Niet helden zonder gebreken. Maar deze mensen, met hun vragen, hun stemproblemen, hun angsten. En juist zij zijn het die God roept. Zou dat ook voor jou kunnen gelden?

     Exodus 6:26-27 sluit het vorige gedeelte af en opent tegelijk het volgende. Ze markeren het moment waarop de voorbereiding is afgerond en de uitvoering kan beginnen. Gods werk zal voortgaan, met deze mensen, op deze plek, op dit moment. Zo werkt Hij ook vandaag: in de concrete werkelijkheid van ons leven, met mensen die beschikbaar zijn. Met mensen zoals jij en ik.

 

Exodus 6:28-30. Herhaling van Mozes’ bezwaren tegenover Gods opdracht

Deze verzen sluiten het hoofdstuk af met een herhaling van thema’s die we eerder zijn tegengekomen: Gods opdracht aan Mozes, de nadruk op Gods identiteit als Heer en Mozes’ aanhoudende onzekerheid over zijn vermogen om te spreken. Deze verzen vormen niet alleen een recapitulatie, maar markeren ook het moment waarop de voorbereiding eindigt en het eigenlijke optreden tegen de farao van start gaat. Daarmee zijn het overgangsverzen, een scharnier tussen roeping en uitvoering, tussen interne strijd en externe confrontatie.

     Het eerste wat opvalt, is dat de tekst teruggrijpt op eerdere momenten: ‘Toen de HEER zich in Egypte tot Mozes richtte.’ We worden herinnerd aan de plek: Egypte, het land van slavernij en onderdrukking. Dat God zich juist dáár tot Mozes richt, laat iets zien van Zijn betrokkenheid. Hij spreekt niet van een afstand, maar midden in het machtscentrum van het kwaad. Zijn roep klinkt niet vanaf een verheven plek, maar tussen de mensen in. Daar, in die realiteit, wordt de bevrijding voorbereid.

     God herhaalt Zijn opdracht: ‘Ik ben de HEER. Alles wat Ik tegen je zeg, moet je overbrengen aan de farao, de koning van Egypte.’ De zelfaanduiding ‘Ik ben de HEER’ herinnert aan de openbaring van Gods naam in Exodus 3:14: ‘Ik ben die er zijn zal.’ Het benadrukt Gods trouw, Zijn aanwezigheid, Zijn goddelijke autoriteit. Mozes hoeft niet zelf te bedenken wat hij moet zeggen. Zijn taak is doorgeven wat hij hoort. Daarmee wordt zijn rol als profeet opnieuw bevestigd: hij is niet de auteur van de boodschap, maar de drager ervan. Dat maakt hem kwetsbaar, maar ook krachtig – zijn gezag ligt niet in zichzelf, maar in degene die hem zendt.

     De ontvanger van die boodschap is de farao, de koning van Egypte – de machtigste man van zijn tijd, in de beleving van velen zelfs een goddelijke figuur. In die context is het buitengewoon dat Mozes – een afstammeling van slaven – tot hem moet spreken. De confrontatie is niet alleen politiek, maar spiritueel geladen. De Heer, de God van Israël, daagt via Mozes de gevestigde machten uit. Daarmee wordt de komende uittocht meer dan een fysieke bevrijding: het wordt een botsing tussen werelden, tussen koninkrijken, tussen goddelijke openbaring en menselijke hoogmoed.

     En dan klinkt Mozes’ reactie, opnieuw: ‘Ik kom zo moeilijk uit mijn woorden, de farao zal niet naar me luisteren.’ De NBV21 vertaalt dit heel toegankelijk, maar in het Hebreeuws staat hier de uitdrukking ‘onbesneden lippen’ (‘arel sefatayim). Dat beeld is veelzeggend. In een tijd waarin besnijdenis het teken van verbondenheid met God was, suggereert deze uitdrukking dat Mozes zichzelf als ontoereikend, ongewijd, ongeschikt ziet. Zijn lippen zijn – in zijn beleving – niet gereinigd, niet geheiligd, niet bruikbaar voor zo’n heilige taak. Het is een krachtige uiting van innerlijke twijfel. Zijn eerdere bezwaren (Exodus 4:10) keren terug, alsof ze dieper liggen dan alleen een praktische zorg: ze raken zijn identiteit.

     Opvallend is dat God dit bezwaar niet meer beantwoordt. Er komt geen uitleg, geen geruststelling, geen extra hulpaanwijzing. In het volgende hoofdstuk (Exodus 7:1-2) gaat God eenvoudigweg verder met de uitvoering van Zijn plan. De boodschap is duidelijk: Mozes’ twijfels zijn reëel, maar vormen geen belemmering voor Gods werk. Dat kan voor ons confronterend zijn – maar ook bevrijdend. Het zegt: je hoeft niet eerst volledig overtuigd, capabel of klaar te zijn om door God gebruikt te worden. Soms is gehoorzaamheid belangrijker dan zekerheid.

     De herhaling van Mozes’ protest op dit punt in het verhaal benadrukt dat roeping en weerstand vaak hand in hand gaan. In veel bijbelverhalen zien we deze spanning terug: bij Gideon, bij Jeremia, bij Jona. Zelfs Jezus kent momenten van innerlijke strijd. In de hof van Getsemane bidt Hij: ‘Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan.’ Toch blijft Hij gehoorzaam. En daarin wordt Hij de volmaakte vervulling van wat bij Mozes aarzelend begint: Hij is het Woord van God in volmaakte gehoorzaamheid. Voor ons als lezers is dit een uitnodiging tot zelfonderzoek. Wat houdt jou tegen om gehoor te geven aan wat je diep van binnen voelt dat God van je vraagt? Denk je dat je niet goed genoeg bent, niet duidelijk genoeg spreekt, niet overtuigend overkomt? Dan is Mozes je reisgenoot. En juist hij werd door God gekozen om de farao het hoofd te bieden. Niet ondanks zijn zwakte, maar erdoorheen.

     Exodus 6:28-30 eindigt niet met een triomfantelijke wending, maar met een kwetsbare stem. Een stem die zegt: ‘Ik weet niet of ik dit wel kan.’ En precies dát is het punt waarop God zegt: nu gaan we beginnen. Want wie zijn eigen grenzen kent, is misschien wel het meest beschikbaar voor Gods werk. Zoals Mozes. Zoals zoveel anderen na hem. Misschien – zoals jij.

Kernboodschap

De kernboodschap van Exodus 6:1-30 is: Gods bevrijding begint niet wanneer jij er klaar voor bent, maar wanneer Hij zich laat kennen – juist op het dieptepunt van je moedeloosheid en onzekerheid.

     In het bijbelgedeelte Exodus 6:1-30 ontvouwt zich een diep en aangrijpend patroon dat verrassend actueel is: de weg naar bevrijding wordt niet ingeluid door geloofshelden die alles op een rijtje hebben, maar juist te midden van wanhoop, weerstand en onzekerheid. De kern van dit hoofdstuk ligt niet in een spectaculaire daad of groot geloof, maar in een hernieuwde openbaring van wie God is – Ik ben de Heer. Niet Mozes’ overtuigingskracht, niet het geloof van het volk en al helemaal niet een veranderde houding van de farao vormen het startsein van de uittocht. Het is God zelf die het initiatief neemt en Hij doet dat precies op het moment dat alle menselijke hoop lijkt uitgeblust. Mozes is op. Het volk is gebroken. En God? Die spreekt. Niet met nieuwe eisen, maar met beloften. Hij herinnert aan Zijn verbond, Hij noemt Zijn naam en Hij belooft zeven keer: Ik zal ... Dat zijn geen vrijblijvende toekomstvisies, maar goddelijke toezeggingen die rusten op Zijn trouw, niet op het moreel van Zijn volk. En tegelijk is daar Mozes, die twijfelt, protesteert, Zijn onvermogen uitspreekt – en het opnieuw mag horen: jij bent geroepen. Ga, Ik zal met je zijn. Zelfs als Mozes blijft aandringen op zijn ongeschiktheid, blijft God bij Zijn plan.

     Wat dit bijbelgedeelte zo aangrijpend maakt, is dat de echte beweging pas komt op het dieptepunt. De farao is nog steeds even machtig, het volk is nog steeds even moedeloos, Mozes is nog steeds even onzeker – en tóch zegt God: nu zul je zien wat Ik ga doen. Die kleine woorden, aan het begin van Exodus 6, zetten alles op scherp. Want kennelijk begint Gods bevrijdingswerk niet wanneer de omstandigheden gunstig zijn of wanneer mensen zich eindelijk gewonnen geven, maar wanneer Hij zich bekendmaakt – en trouw blijkt aan Zijn eigen belofte. Die gedachte is zowel troostrijk als confronterend. Troostrijk, omdat het betekent dat jouw tekort, jouw twijfel, jouw vermoeidheid geen hindernis vormen voor God. Confronterend, omdat het ons besef van controle uitdaagt. Gods werk hangt niet af van onze kracht of klaarheid. Het begint vaak daar waar wij het allang hebben opgegeven – precies zoals bij Mozes, precies zoals bij het volk Israël. En misschien is dat wel wat dit gedeelte vandaag zo actueel maakt. Want hoeveel mensen – gelovig of niet – herkennen zich niet in het verhaal van Mozes? De twijfel, het gevoel niet geschikt te zijn, de vraag waarom dingen eerder erger dan beter worden. Of in het verhaal van het volk: moe, afgestompt, niet meer in staat om te geloven dat bevrijding mogelijk is. Exodus 6 legt daarin iets pijnlijks bloot, maar het laat ook iets oplichten: de hoop die niet uit mensen voortkomt, maar uit God. Een hoop die niet begint wanneer wij eraan toe zijn, maar die tot ons komt – juist als wij het niet meer zien zitten. Juist dan zegt God: nu zul je zien.

Theologische reflectie

Nu we op basis van een zorgvuldige en uitgebreide exegese de kernboodschap van Exodus 6:1-30 hebben geformuleerd – dat Gods bevrijding niet begint wanneer wij er klaar voor zijn, maar wanneer Hij zich laat kennen – nemen we in deze theologische reflectie de tijd om de diepere lagen van deze tekst te verkennen. We staan stil bij wat dit bijbelgedeelte ons leert over het karakter van God, hoe het verwijst naar Jezus Christus, wat het betekent voor ons dagelijks geloofsleven, hoe het zich verhoudt tot andere bijbelteksten en welke bredere theologische thema’s erin meeklinken. Deze reflectie is bedoeld als een uitnodiging om het bijbelgedeelte niet alleen met het hoofd te begrijpen, maar ook met het hart te ontvangen.

 

Het karakter van God

Wat in Exodus 6 allereerst opvalt, is Gods trouw aan Zijn belofte. In een situatie waarin het volk murw geslagen is en Mozes diep teleurgesteld en vol twijfel zit, herhaalt God Zijn verbond. Hij herinnert niet alleen Mozes eraan, maar verbindt Zijn identiteit – ‘Ik ben de HEER’ – expliciet aan de belofte die Hij aan Abraham, Isaak en Jakob gaf. Deze herhaling is niet zomaar een theologische formulering; het is een daad van genade. God bevestigt: ondanks jullie situatie, ondanks jullie ongeloof, ondanks jullie zwakte, blijf Ik dezelfde. Hij is geen God die zich terugtrekt wanneer mensen struikelen, maar die juist dan opnieuw Zijn naam openbaart. Hierin klinkt een fundamenteel aspect van Gods karakter door: Hij is een God van onveranderlijke trouw, die Zijn beloften gestand doet, ook als niemand er nog op durft te hopen.

     Daarnaast openbaart dit hoofdstuk God als een actief bevrijdende God. Hij zegt niet: ‘Ik ben met jullie’ als een abstracte nabijheid, maar: ‘Ik zal ...’, zeven keer. De herhaling van dit werkwoord laat zien dat Gods identiteit niet los staat van Zijn daden. Hij bevrijdt, verlost, neemt lasten weg, leidt uit, schenkt toekomst. Het zijn allemaal actieve werkwoorden die laten zien dat Gods genade geen passieve toestand is, maar een kracht die de geschiedenis binnenbreekt. Dit beeld van God als bevrijder keert in heel de Schrift terug, maar krijgt hier zijn diepe, oorspronkelijke lading. Hij is geen God van afstand, maar van ingrijpen, juist als mensen hun eigen kracht verloren zijn.

     Tegelijkertijd laat Exodus 6 ons zien dat God ruimte geeft voor menselijke worsteling. Mozes wordt niet afgewezen om zijn twijfel. Het volk wordt niet veroordeeld om zijn moedeloosheid. God benoemt hun situatie, maar keert zich er niet van af. Integendeel, Hij bevestigt Zijn roeping van Mozes opnieuw, Hij herhaalt Zijn beloften, Hij spreekt met geduld. Dit onderstreept Gods barmhartigheid en lankmoedigheid. Hij verwacht geen perfecte respons, maar blijft trouw, ook als mensen wankelen. Die barmhartigheid maakt dat deze tekst niet als veroordeling klinkt, maar als uitnodiging.

     Tot slot straalt Gods soevereiniteit krachtig door in dit hoofdstuk. De farao wordt niet alleen genoemd als tegenstander, maar als iemand die onderworpen zal worden aan Gods hand. Zelfs zijn weigering ligt niet buiten Gods plan. God zegt: ‘Hij zal jullie zelfs wegjagen.’ Dat toont Zijn absolute macht over menselijke geschiedenis. Zijn plannen worden niet geblokkeerd door tegenstand, ze worden er zelfs doorheen voltrokken. Hier wordt duidelijk: God is geen bijfiguur in de geschiedenis, maar de regisseur ervan.

 

De verwijzing naar Christus

De figuur van Mozes in dit hoofdstuk is niet alleen een historisch leider, maar ook een voorafschaduwing van Jezus Christus. Mozes wordt geroepen om namens God tot het volk te spreken, te bemiddelen tussen God en de farao en uiteindelijk het volk uit slavernij te leiden. Deze roeping en functie vinden hun diepste vervulling in Jezus, die in het Nieuwe Testament wordt gepresenteerd als de ultieme middelaar. Zoals Mozes aarzelde en zichzelf ongeschikt vond, zo komt ook Jezus als een dienaar, zachtmoedig en nederig van hart, niet om te heersen, maar om te redden. De kwetsbaarheid van Mozes wijst vooruit naar de weg van Christus, die niet koos voor aardse macht, maar voor gehoorzaamheid tot de dood.

     Daarnaast zien we in Gods zevenvoudige belofte een voorbode van het werk van Jezus. De verlossing uit Egypte is in het Nieuwe Testament symbool geworden voor de verlossing uit zonde en dood. De uitdrukkingen ‘Ik zal jullie bevrijden’, ‘Ik zal jullie aannemen als mijn volk’ en ‘Ik zal jullie God zijn’ vinden in Jezus hun diepste vervulling. Hij is degene die zegt: ‘Kom naar Mij, jullie die vermoeid zijn’ en die door Zijn kruis en opstanding de weg naar vrijheid heeft geopend. Zijn werk is de ultieme ‘opgeheven arm’ van God, waarmee Hij de machten van de dood overwint.

    De ervaring van het volk Israël – murw, moedeloos, niet meer in staat om zelfs maar te luisteren – weerspiegelt de geestelijke toestand van de mensheid zonder Christus. Ook in het Johannesevangelie klinkt die tragiek door: ‘Hij kwam naar wat van Hem was, maar wie van Hem waren, hebben Hem niet ontvangen.’ Toch wijkt Jezus, net als God in Exodus, niet. Hij blijft spreken, blijft uitnodigen, blijft trouw – zelfs als wij Hem afwijzen. En daarin herkennen we de lange lijn van Gods reddingsplan: liefde die niet opgeeft.

     Mozes’ terugkerende bezwaar dat hij niet kan spreken – dat zijn lippen ‘onbesneden’ zijn – krijgt in Jezus’ komst een diepere laag. In de Zoon van God komt het volmaakte Woord zelf tot ons. Waar Mozes woorden zoekt, is Jezus het Woord. Waar Mozes bemiddelt, is Jezus de bemiddeling. En waar Mozes de wet zal brengen, brengt Jezus genade en waarheid.

 

Relevantie voor ons geloofsleven

Voor ons persoonlijk geloofsleven biedt Exodus 6 een verademende en tegelijk uitdagende waarheid: het draait niet om wat wij kunnen, maar om wie God is. Juist in een tijd waarin veel mensen worstelen met hun geloof of zich niet meer thuis voelen in kerkelijke structuren, is deze tekst een bevrijdend woord. God werkt niet via de geestelijk sterksten, maar via wie zich klein en ongeschikt voelt. Mozes, met zijn twijfels en aarzelingen, wordt tóch gebruikt. Dat zegt iets wezenlijks: Gods roeping is geen beloning voor sterke mensen, maar een uitnodiging aan wie zich beschikbaar stellen – al is het aarzelend.

     Ook het voorbeeld van het volk spreekt tot onze situatie vandaag. Misschien herken je dat je wel wilt geloven, maar het gewoon niet meer kunt opbrengen. Misschien is het teveel geworden, te vaak teleurstelling, te lang wachten. De Israëlieten wilden niet meer luisteren – niet vanuit opstand, maar vanuit uitputting. En juist dan blijft God spreken. Hij veroordeelt hun vermoeidheid niet. Hij komt juist in actie. Dat zegt iets over hoe wij met onszelf mogen omgaan: Gods stem komt ook als wij niet meer kunnen luisteren. Zijn plan gaat door, ook als ons geloof even stilstaat.

     Verder nodigt deze tekst uit tot een ander perspectief op gehoorzaamheid. Mozes wordt niet pas gezonden als hij er klaar voor is. God wacht niet tot hij overtuigend spreekt. Dat kan confronterend zijn – want het betekent dat ook wij geroepen kunnen worden terwijl we ons nog onzeker voelen. Maar het is ook bevrijdend: we hoeven niet perfect te zijn om bruikbaar te zijn. Misschien mag je juist in je kwetsbaarheid Gods stem laten klinken.

     En tot slot: deze tekst nodigt ons uit om het verhaal van bevrijding ook in ons eigen leven te herkennen. De slavernij van Israël is historisch, maar de thema’s zijn universeel. Velen van ons kennen innerlijke slavernij – aan schuld, verwachtingen, angst, verdriet. God zegt niet: ‘Los dat eerst op.’ Hij zegt: ‘Ik ben de Heer. Ik zal je bevrijden.’ Geloof is niet eerst snappen, dan volgen. Geloof is: horen dat God spreekt – en durven hopen dat Hij ook in jouw verhaal Zijn belofte waarmaakt.

 

Verband met andere bijbelteksten

Het verband tussen Exodus 6 en Exodus 3 is evident: daar openbaart God Zijn naam, hier herhaalt Hij die naam, maar nu verbonden met Zijn daden. In Exodus 3 zegt Hij: ‘Ik ben die Ik ben’; in Exodus 6 laat Hij zien: ‘Ik zal … Ik zal … Ik zal …’ Zijn naam krijgt vlees en bloed in Zijn handelen.

     In het boek Deuteronomium, vooral hoofdstuk 4 en 7, wordt de uittocht uit Egypte telkens opnieuw genoemd als bewijs van Gods trouw en macht. De ‘uitgestrekte arm’ van God wordt daar symbool van Zijn verlossend handelen. Het verleden wordt herinnerd om het vertrouwen in de toekomst levend te houden. Deze herhaling onderstreept hoe centraal Exodus 6 staat in de theologie van Israël.

     In het Nieuwe Testament grijpt Paulus in Romeinen 9 terug op Mozes en de verkiezing van Israël om Gods soevereine genade te onderstrepen. En in Hebreeën 3 wordt Mozes geprezen als trouwe dienaar in Gods huis, maar wordt Jezus groter genoemd: de Zoon, over het huis zelf. Daarmee wordt de lijn van bevrijding in Exodus doorgetrokken naar de geestelijke bevrijding in Christus.

     Ook 2 Korintiërs 12:9, waar Paulus Gods antwoord ontvangt op zijn zwakte – ‘Je hebt genoeg aan mijn genade, want mijn kracht openbaart zich juist ten volle wanneer iemand zwak is’ – klinkt als een echo van Mozes’ ervaring. Het idee dat roeping en twijfel samengaan, vindt hier diepe bevestiging. Mozes is geen uitzondering. Hij is een voorbeeld.

 

Andere relevante theologische thema’s

Het thema van getuigenis loopt als een onderstroom door het hele hoofdstuk. God wil zich niet alleen openbaren aan Mozes, maar via Mozes aan het volk en via het volk aan de wereld. De bevrijding uit Egypte wordt het fundament van Israëls identiteit. Ze zijn het volk dat door God zelf is verlost. Dat getuigenis wordt generaties lang doorgegeven, tot op de dag van vandaag. Ook voor ons geldt: wie Gods bevrijding ervaart, wordt geroepen om daarover te spreken – in woorden, in daden, in levenshouding. Getuigenis is niet jezelf in het middelpunt zetten, maar laten zien wie God is, juist door jouw verhaal heen.

     Het thema van discipelschap komt tot uiting in de manier waarop Mozes leert om Gods stem te volgen, ook als het resultaat uitblijft. Mozes groeit niet in geloof door succes, maar door gehoorzaamheid in onzekerheid. Dat is discipelschap: leren vertrouwen terwijl je twijfelt, spreken terwijl je stamelt, gaan terwijl je niet weet wat er komt. Discipelschap is niet het pad van zekerheid, maar van vertrouwen. Mozes is daarin geen volmaakt voorbeeld, maar een herkenbare gids.

     En ten slotte raakt dit hoofdstuk aan het grote thema van Gods reddingsplan. Wat in Exodus begint als bevrijding uit fysieke slavernij, wordt in de rest van de Bijbel de blauwdruk voor verlossing uit geestelijke gebondenheid. De uittocht is een voorafschaduwing van het kruis. De roep ‘Ik zal jullie bevrijden’ klinkt door tot in Openbaring: ‘Zie, Ik maak alles nieuw.’ Gods redding is geen toevallige ingeving, maar een plan dat groeit, zich ontvouwt en zijn climax vindt in Christus. En dat plan gaat vandaag nog steeds door – ook in jouw leven, in jouw situatie.

 

Deze theologische reflectie laat zien hoe rijk, diep en actueel Exodus 6:1-30 is. Het is geen oud verhaal over een verre tijd. Het is Gods levende woord, dat ons vandaag wil ontmoeten. Misschien niet wanneer wij er klaar voor zijn – maar precies wanneer Hij zich opnieuw laat kennen als de Heer die bevrijdt.

Praktische toepassing

De boodschap van Exodus 6:1-30 is niet alleen diep theologisch, maar ook uiterst praktisch. Ze raakt aan onze ervaring van falen, twijfel, uitputting en verlangen naar verandering. Wat dit gedeelte ons leert, is dat God niet wacht tot wij sterk, overtuigd of klaar zijn, maar dat Hij juist begint op het moment dat wij niets meer hebben om op terug te vallen – behalve op Hem. En dat is niet alleen bemoedigend, maar ook richtinggevend. Want als God juist dáár begint, waar wij ons ongeschikt voelen, dan nodigt Hij ons uit om anders te leren kijken naar onze eigen onzekerheid, ons dagelijks leven en de manier waarop we Hem betrekken in wat we doen. De volgende vier richtlijnen vertalen deze boodschap naar concrete stappen voor vandaag. Ze zijn bedoeld om je geloofsleven te voeden, zelfs – of juist – als je je ver weg voelt van kerk of traditie. Ze dagen je uit om de werkelijkheid van Gods betrokkenheid midden in jouw bestaan te ontdekken, in verrassende vormen. Niet omdat je perfect moet zijn, maar omdat Hij zegt: nu zul je zien wat Ik ga doen.

 

  1. Wacht niet tot je klaar bent – begin juist nu iets kleins.

Veel mensen stellen geloofsacties uit omdat ze denken dat ze er nog niet klaar voor zijn. ‘Ik weet nog te weinig.’ ‘Mijn leven is nog te rommelig.’ ‘Mijn geloof is te wankel.’ Maar wat als God juist daar wil beginnen? Doe deze week iets wat je eigenlijk pas van plan was te doen als je ‘verder’ zou zijn in je geloof. Dat kan iets heel kleins zijn: een kaars aansteken en daarbij een korte zin bidden, een psalm lezen zonder alles te begrijpen, iemand troosten vanuit je hart terwijl je je zelf leeg voelt. Het gaat er niet om dat het perfect is. Het gaat erom dat je beweegt, zelfs al voel je je stilstaand. God werkt vaak niet door ons kunnen, maar door onze beschikbaarheid. Durf dus iets kleins te doen terwijl je je groot ongeschikt voelt. Juist dát is vaak de plek waar bevrijding begint.

 

  1. Herken Gods stem in onverwachte ontmoetingen.

Mozes hoorde Gods stem niet in een tempel, maar in de woestijn en het volk ontmoette Hem midden in slavernij. Dat zegt iets. Ook vandaag spreekt God niet alleen via kerkelijke rituelen, maar juist ook via het gewone leven. Sta eens stil bij gesprekken die je raken, bij toevallige ontmoetingen die blijven hangen, bij een zin in een boek, film of lied die je onverwacht ontroert. Misschien spreekt God daar. Schrijf het op. Noteer de momenten waarop je hart even oplicht of je adem stokt. Dit is geen magisch denken, maar een andere manier van waarnemen. Niet God lokaliseren in heilige plekken, maar Hem herkennen in je eigen verhaal. Zo ontdek je dat je leven misschien al voller is van Gods aanwezigheid dan je dacht.

 

  1. Spreek hardop uit waar je bang voor bent.

Mozes durfde zijn angst en zijn onvermogen uit te spreken. Tegen God. Tegen zichzelf. Tegen anderen. Hij zei niet: ‘Ik ga het proberen.’ Hij zei: ‘Ik kan dit niet.’ En toch ging hij. Er is iets bevrijdends in dat radicale eerlijk zijn. Probeer deze week eens hardop uit te spreken waar jij tegenop ziet – desnoods in een lege kamer, onder de douche, tijdens een wandeling. Niet om te klagen, maar om de waarheid onder ogen te zien. Je hoeft niet dapper te doen. Mozes deed dat ook niet. En juist daardoor kon God hem gebruiken. Echte vrijheid begint met het erkennen van je slavernij – of dat nu angst is, controle, een oud verhaal dat je maar blijft vertellen aan jezelf. Hardop woorden geven aan je angst is geen zwakte, het is het begin van vertrouwen.

 

  1. Laat je niet weerhouden door stilte of gebrek aan resultaat.

In Exodus 6 is het opvallend stil aan de kant van het volk. Ze luisteren niet. Ze reageren niet. En God? Die gaat gewoon door. Als jij iets probeert in je geloofsleven – een gebed, een daad van goedheid, een moment van rust – en het lijkt niets op te leveren, wees dan niet ontmoedigd. Resultaat is geen maatstaf voor echtheid. Volg liever de lijn van Gods trouw: Hij spreekt ook als wij niet antwoorden. Hij werkt ook als wij het niet zien. Durf dus te blijven doen wat goed is, ook als je er niets van merkt. Zeg: ‘Ik doe dit omdat het goed is, niet omdat ik er iets voor terugkrijg.’ Dat is volwassen geloof: geloven voorbij gevoel. Volhouden zonder bewijs. En juist daarin wordt je ziel stilaan wakker voor iets wat groter is dan jijzelf.

 

Geloof begint zelden met zeker weten. Het begint meestal met twijfel, met tegenzin, met een zucht. Precies zoals bij Mozes. Precies zoals bij het volk Israël. En toch begon daar de uittocht. Niet toen alles helder was, maar toen God zei: nu zul je zien. Misschien zegt Hij dat vandaag ook tegen jou. Niet als een dreunende stem uit de hemel, maar als een fluistering diep vanbinnen. Durf het te horen. Durf te reageren. Al is het aarzelend, onhandig, klein. Want precies daar begint bevrijding.

Afsluiting

Laten we nog even terugkeren naar de inleiding. Maaike bleef die avond lang aan haar keukentafel zitten. Ze voelde zich leeg. Maar ergens in die stilte kwam een gedachte bij haar op die ze zelf niet goed kon plaatsen. Je hebt gedaan wat je kon. Nu is het Mijn beurt. Het was geen stem, geen openbaring – eerder een fluistering, diep vanbinnen. De volgende dag ging ze terug naar haar werk. Niet met hernieuwd enthousiasme, niet met de illusie dat alles meteen anders zou zijn. Maar wel met een ander besef: dat zij niet de redder is. En dat haar inzet, hoe klein of ineffectief die soms ook lijkt, niet verloren gaat. Inmiddels is het een paar weken later. De situatie van de jongen is nog steeds moeilijk. Maar Maaike merkt iets. In kleine stapjes groeit het vertrouwen bij de ouders, die haar nu weer bellen voor advies. Haar teamleider sprak zijn waardering uit – voor het eerst in maanden. En Maaike zelf? Die zegt: ik heb weer rust gevonden. Niet omdat alles nu goed is. Maar omdat ik niet alles zelf hoef op te lossen. Wat in Exodus 6 met Mozes gebeurt, gebeurde ook een beetje met haar. Juist op het dieptepunt van haar moedeloosheid begon God te spreken. Niet met oplossingen, maar met belofte. Niet met veroordeling, maar met bevestiging. God zei niet ‘Nu moet jij het beter doen’, maar ‘Nu zul je zien wat Ík ga doen’. En dat is precies de kern van Exodus 6: Gods bevrijding begint niet wanneer wij er klaar voor zijn, maar wanneer Hij zich laat kennen.

     Vergeet dat niet, als je je machteloos voelt. Als je stem niet lijkt door te dringen. Als je het gevoel hebt dat je geen verschil maakt. God wacht niet op jouw succes. Hij wacht alleen op jouw openheid. Want juist in jouw onvermogen kan Zijn kracht zichtbaar worden. Zoals Paulus later schrijft in 2 Korintiërs 12:9: ‘Je hebt genoeg aan mijn genade, want mijn kracht openbaart zich juist ten volle wanneer iemand zwak is.’ Dat is geen doekje voor het bloeden. Dat is een belofte. Een andere manier van kijken. Een uitnodiging om te leven vanuit vertrouwen in plaats van controle. Ga daarom deze week in de wetenschap dat God met je meegaat. Niet pas als jij alles op orde hebt, maar juist nu. Hij kent jouw strijd, hoort jouw stem – ook als jij denkt dat die niets voorstelt. En Hij is bezig, al zie je het misschien nog niet. Durf daarom op Hem te vertrouwen. Zijn Woord is een licht op je pad en Hij zal doen wat Hij heeft beloofd. Misschien niet op jouw moment, maar altijd op het Zijne. ‘Nu zul je zien wat Ik ga doen,’ zegt de Heer. Durf jij het aan om het te geloven – juist vandaag?

Reflectievragen

  1. Wanneer heb jij je voor het laatst machteloos gevoeld en wat deed dat met je geloof of vertrouwen in God?
  2. Op welke momenten in jouw leven heb je – ondanks alles – iets ervaren van Gods trouw of nabijheid?
  3. Wat houdt jou soms tegen om Gods roep of richting te volgen en herken je daarin iets van Mozes’ aarzeling?
  4. Welke belofte uit Exodus 6 spreekt jou persoonlijk het meest aan en waarom?
  5. Wat zou het voor jou betekenen om niet te wachten tot jij alles op orde hebt, maar God juist nu te vertrouwen?

 

Copyrights Marjolein Gommers

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.