Inleiding
David (38) heeft zijn leven goed op orde. Hij werkt al vijftien jaar als projectmanager in de logistiek. Een drukke, verantwoordelijke baan, maar hij heeft er altijd voldoening uit gehaald. Hij is getrouwd met Esther, ze hebben twee kinderen, een fijn huis in een rustige wijk. Financieel gaat het goed, de auto’s staan voor de deur en vakanties worden ruim op tijd geboekt. Alles loopt volgens plan. Maar toch … De laatste maanden voelt hij zich leeg. Zijn werk geeft hem nauwelijks nog voldoening. De dagen lijken op elkaar en elke nieuwe opdracht voelt als een herhaling van zetten. Hij weet hoe het werkt, hij kent de spelregels, maar de passie is verdwenen. Soms vraagt hij zich af: is dit het nou?
Op een avond zit David aan de keukentafel, een kop koffie in zijn handen, starend naar zijn laptop. Op het scherm staat een e-mail van zijn leidinggevende. ‘Deadline vooruit geschoven naar volgende week. Druk op het team. Kun jij extra uren maken?’ David zucht en wrijft met zijn handen over zijn gezicht. Natuurlijk kan hij extra uren maken. Dat doet hij altijd. Maar hij wil niet. Hij voelt zich moe, opgebrand. Zijn vrouw, Esther, komt de keuken in. Ze heeft de blik in zijn ogen al vaker gezien. ‘Gaat het?’ vraagt ze zacht. David haalt zijn schouders op. ‘Ik weet het niet,’ mompelt hij. ‘Ik weet gewoon niet meer waarom ik dit allemaal doe. Het voelt alsof ik vastzit.’ Esther pakt een glas water en gaat tegenover hem zitten. ‘Misschien moet je daar eens goed over nadenken,’ zegt ze. ‘Wat als dit niet is waar je echt voor bedoeld bent?’ David laat haar woorden bezinken. Wat als ze gelijk heeft? Wat als er iets anders op hem wacht, iets groters, iets beters? Maar hoe kan hij dat weten? En misschien nog wel belangrijker: durft hij daar iets mee te doen?
Een paar dagen later zit David met een collega te lunchen. Het gesprek gaat over de toekomst, over ambities en plannen. Plotseling zegt zijn collega: ‘Weet je, als ik jou zo hoor, vraag ik me af … waarom blijf je hier eigenlijk? Heb je nooit overwogen om iets anders te doen?’ Die woorden raken hem. Waarom blijf ik hier eigenlijk? Het is alsof iemand een spiegel voorhoudt. Hij denkt terug aan die e-mail, aan het eindeloze rennen van deadline naar deadline. Hij denkt aan zijn lege gevoel, aan Esther die zei dat hij misschien eens moet nadenken waar hij echt voor bedoeld is. En ineens weet hij het. Dit is een keerpunt. Hij moet kiezen: blijven zitten waar hij zit óf het onbekende tegemoet gaan.
Soms brengt het leven ons op een punt waarop we moeten beslissen: blijven we vasthouden aan wat we kennen of durven we een nieuwe richting in te slaan? In Lucas 5:1-39 komen we mensen tegen die precies op dat kruispunt staan. Een visser die zijn netten spoelt na een teleurstellende nacht, een zieke man die niets meer te verliezen heeft, een tollenaar die een onverwachte uitnodiging krijgt. Ze hebben een keuze. Vertrouwen ze op wat ze kennen of durven ze het risico te nemen? De vraag is: wat doen ze? En misschien nog wel belangrijker: wat zouden wij doen?
Bijbeltekst (NBV21)
Lucas 5
Simon Petrus, Jakobus en Johannes geroepen
[1] Toen Hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om Hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, [2] zag Hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen. [3] Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; Hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. [4] Toen Hij was opgehouden met spreken, zei Hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ [5] Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als U het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ [6] En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. [7] Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. [8] Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ [9] Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; [10] zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ [11] En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden Hem.
Genezing en reiniging
[12] In een van de steden waar Hij kwam, stond er plotseling een man voor Hem wiens hele huid was aangetast door een ziekte die onrein maakt. Toen hij Jezus zag, liet hij zich languit op de grond vallen en smeekte Hem om hulp met de woorden: ‘Heer, als U wilt, kunt U mij rein maken.’ [13] Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein!’ En meteen verdween zijn ziekte. [14] Hij beval hem er met niemand over te spreken en zei: ‘Ga u aan de priester laten zien en breng als getuigenis voor de mensen een reinigingsoffer, zoals Mozes heeft voorgeschreven.’ [15] Maar het nieuws over Hem verspreidde zich juist verder, en grote mensenmassa’s verzamelden zich om naar Hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen. [16] Hijzelf trok zich geregeld terug op eenzame plaatsen om er te bidden.
Genezing en vergeving van zonden
[17] Toen Hij op een dag onderricht gaf, bevonden zich onder zijn gehoor ook farizeeën en wetsleraren die uit allerlei plaatsen in Galilea en Judea en uit Jeruzalem waren gekomen. De kracht van de Heer was werkzaam in Hem, opdat Hij zieken zou genezen. [18] Er kwamen een paar mannen met een verlamde op een draagbed, die ze naar binnen wilden brengen om hem voor Jezus neer te leggen. [19] Maar ze zagen geen kans om door de mensenmassa heen te komen, en dus gingen ze het dak op en lieten hem op het bed door een opening in het tegeldak naar beneden zakken tot vlak voor Jezus. [20] Toen Hij hun geloof zag, zei Hij tegen de man: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’ [21] De schriftgeleerden en de farizeeën begonnen zich af te vragen: Wie is die man dat Hij deze godslasterlijke taal spreekt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen? [22] Maar Jezus wist wat ze dachten en zei tegen hen: ‘Vanwaar toch al die bedenkingen? [23] Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven” of: “Sta op en loop”? [24] Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ En Hij zei tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ [25] En onmiddellijk stond hij voor de ogen van alle aanwezigen op, pakte het bed waarop hij altijd had gelegen en vertrok naar huis, terwijl hij God loofde. [26] Allen stonden versteld en ze loofden God, en zeiden, vervuld van ontzag: ‘Vandaag hebben we iets ongelooflijks gezien!’
Jezus bij Levi
[27] Daarna vertrok Hij en zag bij het tolhuis een tollenaar zitten die Levi heette. Hij zei tegen hem: ‘Volg Mij!’ [28] Levi stond op, liet alles achter en volgde Hem. [29] Hij richtte in zijn huis een groot feestmaal voor Hem aan, waarbij een groot aantal tollenaars en anderen samen met Jezus aanlagen. [30] De farizeeën en hun schriftgeleerden zeiden morrend tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?’ [31] Maar Jezus antwoordde: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel; [32] Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot inkeer op te roepen, maar zondaars.’
[33] Ze zeiden tegen Hem: ‘De leerlingen van Johannes vasten dikwijls en zeggen hun gebeden, zoals ook de leerlingen van de farizeeën doen, maar die van U eten en drinken maar.’ [34] Jezus zei: ‘U kunt toch niet verlangen dat de bruiloftsgasten vasten zolang de bruidegom bij hen is? [35] Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten.’ [36] Hij vertelde hun ook een gelijkenis: ‘Niemand scheurt een lap van een nieuwe mantel om daarmee een oude mantel te verstellen, want dan scheurt hij de nieuwe, terwijl de lap niet bij de oude past. [37] En niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan scheuren de zakken door de jonge wijn en wordt de wijn verspild, terwijl de zakken verloren gaan. [38] Jonge wijn moet in nieuwe zakken worden gedaan. [39] Maar niemand die oude wijn gedronken heeft, wil jonge; hij zegt immers: “De oude is beter.”’
© 2021 Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap
Exegetische uitleg
Nu we de bijbeltekst hebben gelezen, richten we ons op de exegetische uitleg van Lucas 5:1-39. In dit gedeelte volgen we Jezus in verschillende ontmoetingen waarin Hij mensen roept, geneest en onderwijst. De gebeurtenissen zijn geen losstaande verhalen, maar vormen samen een krachtig geheel waarin de kern van Jezus’ missie zichtbaar wordt: Hij daagt mensen uit om hun oude leven achter te laten en Hem in geloof te volgen. Door dit bijbelgedeelte vers voor vers te verkennen, krijgen we inzicht in de historische en theologische lagen van de tekst. Dit helpt ons om straks een scherpe en relevante kernboodschap te formuleren die niet alleen de betekenis van de tekst ontsluit, maar ook direct tot ons spreekt.
Lucas 5:1-3. Jezus onderwijst vanaf de boot
Jezus staat aan de oever van het Meer van Gennesaret, terwijl de mensen zich om Hem heen verdringen. Ze willen naar het woord van God luisteren. Dat is op zich al opvallend. Ze komen niet alleen vanwege de geruchten over wonderen of spectaculaire tekenen, maar omdat ze honger hebben naar wat Jezus te zeggen heeft. Dit verlangen naar Gods woord onderstreept Jezus’ groeiende invloed. Zijn onderwijs raakt mensen, het wekt verwachtingen. Ze willen dichtbij Hem zijn, ze willen niets missen.
De menigte dringt zich zó op dat Jezus besluit een praktische oplossing te zoeken. Hij ziet twee boten aan de oever liggen. De vissers zijn uitgestapt en spoelen hun netten. Dit kleine detail zegt veel. Vissen gebeurt meestal ’s nachts, als het water rustiger is en de vissen naar de oppervlakte komen. Deze mannen hebben dus een lange werknacht achter de rug en maken zich klaar om naar huis te gaan. Ze zijn niet meer bezig met vissen; hun werkdag zit erop. Maar dan stapt Jezus zomaar in de boot van Simon. Dit is de eerste directe interactie tussen Jezus en Simon die Lucas beschrijft. Jezus vraagt hem om een stukje van de oever weg te varen. Een eenvoudige vraag, maar met diepere betekenis. De boot is niet zomaar een object in het verhaal: het eenvoudige vissersvaartuig wordt een plek van onderwijs. Dit vooruitzicht is veelbetekenend: wat begint als een alledaags vissersvaartuig, zal later een instrument worden waarmee Jezus’ discipelen worden uitgezonden om ‘vissers van mensen’ te zijn.
Simon gehoorzaamt onmiddellijk. Dit is opvallend. Hij is doodmoe van een lange nacht werken, hij is geen volgeling van Jezus – nog niet. Toch doet hij zonder tegenwerpingen wat Jezus vraagt. Dat laat iets zien over de aantrekkingskracht en het gezag dat Jezus uitstraalt. In het evangelie van Lucas zien we vaker hoe Jezus directe gehoorzaamheid uitlokt. Wanneer Hij iemand aanspreekt, roept dat een reactie op.
Jezus gaat zitten en begint de menigte te onderwijzen. In de Joodse traditie is zitten de houding van een leraar met gezag. Dit zien we bijvoorbeeld ook wanneer Jezus in de synagoge van Nazaret de Schriftrol sluit en gaat zitten voordat Hij verklaart dat de profetie uit Jesaja op Hem betrekking heeft (Lucas 4:20). Hier, op de boot, neemt Hij opnieuw een plaats in van onderricht en openbaring. Opvallend is dat Lucas niet vertelt wat Jezus op dat moment precies onderwijst. Waar sprak Hij over? Wat waren Zijn woorden? We weten het niet. Dit suggereert dat het niet alleen om de inhoud gaat, maar om de situatie zelf. De scène is geladen met betekenis. De menigte staat op de oever, hongerig naar het woord van God. De vissers spoelen hun netten, symbolisch voor het afsluiten van een vruchteloze nacht. Jezus zit in de boot, boven het water, als de leraar die autoriteit heeft over de chaos. Simon gehoorzaamt zonder precies te weten wat er gaat komen. Het lijkt een gewone ochtend aan het Meer van Gennesaret, maar er hangt iets in de lucht. De spanning bouwt zich op. Jezus gaat iets doen wat alles zal veranderen. Voor Simon en de andere vissers is dit nog maar het begin.
Wat hen nu nog niet duidelijk is, maar wat wij al weten: dit is geen gewone les, geen willekeurig moment. Dit is het begin van een roeping. Een roeping die hen uit hun vertrouwde ritme zal halen, hen zal laten varen naar onbekende wateren. En het begint met iets ogenschijnlijk kleins: een simpele vraag van Jezus. Hoe vaak begint een ingrijpende verandering niet met een klein verzoek? Een eenvoudige uitnodiging, een plotselinge ingeving, een mogelijkheid die je niet had verwacht? Soms lijkt iets kleins onbeduidend, maar pas later zie je dat het een keerpunt was. Jezus roept niet altijd met donder en bliksem. Soms begint Hij gewoon met: ‘Vaar een stukje het water op.’
Lucas 5:4-7. De wonderbare visvangst
Jezus heeft gesproken. De menigte aan de oever heeft geluisterd, maar nu richt Hij zich tot één persoon: Simon. De visser, die daar in zijn eigen boot zit, is nog bezig de woorden van Jezus te verwerken, misschien zonder echt te beseffen wat er zojuist is gebeurd. Maar Jezus laat hem geen tijd om lang na te denken. Hij draait zich om en zegt: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ Die opdracht klinkt eenvoudig, maar voor Simon is het dat allerminst. Hij heeft de hele nacht gewerkt. Zijn spieren zijn moe, zijn netten schoon en opgeruimd. Hij weet hoe vissen werkt: je doet het in de nacht, niet midden op de dag. De kans op succes is nu nihil. Jezus is een rabbi, geen visser. Simon zou alle reden hebben om beleefd te weigeren. Toch doet hij dat niet. Zijn eerste woorden verraden zijn twijfel: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen.’ Dat ene woord Meester is belangrijk. Het betekent meer dan zomaar ‘heer’ of ‘leraar’. Het is een erkenning van autoriteit. Simon heeft iets in Jezus gezien dat hem diep raakt. En dat maakt het verschil. Want zijn volgende woorden zijn beslissend: ‘Maar als U het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ Dit moment is cruciaal. Simon doet iets wat tegen al zijn ervaring, zijn vakmanschap en zijn logica ingaat. Hij gehoorzaamt niet omdat het logisch is, maar puur omdat Jezus het zegt. Dat is geloof in zijn vroegste vorm. Nog aarzelend, nog niet helemaal zeker, maar toch gehoorzaam. Hier begint de verandering die Simon later tot een rots in de kerk zal maken.
En dan gebeurt het onvoorstelbare. Zodra de netten het water raken, vullen ze zich met zoveel vis dat ze dreigen te scheuren. De vangst is niet gewoon groot, hij is overweldigend. Het Griekse woord dat hier is gebruikt, betekent letterlijk ‘uit elkaar scheuren’. Dit is geen gewone gelukkige treffer, dit is een wonder dat buiten alle proporties valt. Simon en zijn mannen raken direct in paniek. Ze beginnen te gebaren naar hun collega’s in de andere boot, waarschijnlijk Jakobus en Johannes, die verderop liggen. De toon van de tekst suggereert haast en opwinding. Dit is geen kalme, beheerste actie; dit is pure verbazing en lichte paniek. Ze proberen alles te redden wat ze kunnen. De tweede boot wordt erbij gehaald en samen vullen ze beide boten met zoveel vis dat ze bijna zinken.
Dit is een sleutelmoment in het evangelie. Jezus laat hier zien dat Zijn zegen niet beperkt is tot een beetje meer of iets extra’s. Hij geeft overvloed. Denk aan de vijf broden en twee vissen, waar niet alleen genoeg is, maar meer dan genoeg (Lucas 9:12-17). Denk aan de wijn op de bruiloft van Kana, waar de zes kruiken tot de rand gevuld worden (Johannes 2:6-10). Wanneer Jezus handelt, is er geen schaarste, maar een overdaad aan genade. Tegelijk is deze overvloed niet zonder uitdaging. Simon krijgt meer dan hij aankan. De netten scheuren, de boten dreigen te zinken. Dit wonder is te groot voor hem. Dat is geen toeval. Dit is een les. Wanneer Jezus ons roept, geeft Hij niet een taak die precies binnen onze mogelijkheden past. Hij trekt ons verder, naar iets groters dan wij aankunnen. Wat Jezus vraagt, is groter dan onze capaciteiten, maar Hij voorziet ook in wat wij nodig hebben.
Voor Simon is dit het kantelpunt. Hij begon die ochtend als visser. Hij zal het strand verlaten als volgeling. Maar op dit moment is er nog alleen de verwondering, het besef dat hij iets heeft meegemaakt wat hij niet kan verklaren. Zijn nacht van frustratie is veranderd in een ochtend van overvloed. De vraag die overblijft, is de vraag die ook ons raakt: wat doen wij als Jezus ons uitdaagt om nog één keer de netten uit te werpen? Wanneer ons verstand zegt dat het zinloos is, wanneer ervaring ons leert dat het niet zal werken – zijn we dan bereid om te zeggen: ‘Maar als U het zegt …’? Dit wonder begint niet bij de vangst, maar bij Simons gehoorzaamheid. En misschien begint ons wonder ook wel daar.
Lucas 5:8-11. De roeping van Simon, Jakobus en Johannes
De boten kraken onder het gewicht van de vis. De mannen haasten zich om alles bij elkaar te houden. Het is een moment van opwinding, verbazing en misschien zelfs paniek. Maar terwijl de anderen bezig zijn met het redden van de vangst, reageert Simon op iets anders. Hij kijkt niet naar de vis, niet naar de overvolle netten, maar naar Jezus. En dan valt hij op zijn knieën. Het besef komt plotseling en overweldigt hem: dit is geen gewone man. Dit is iets anders. Iemand anders. Hij hoeft geen uitleg, geen analyse van wat er gebeurd is. Hij weet alleen dit: hij hoort hier niet te zijn.
Simon zegt tegen Jezus: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen handden; zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Dit is een schokkende reactie. Zou je niet eerder verwachten dat Simon juicht? Dat hij Jezus bedankt voor de grootste vangst van zijn leven? Maar dat doet hij niet. Wat Simon hier ervaart, is niet alleen verwondering, maar ontzag en diepe zelfkennis. In het volle licht van Jezus’ aanwezigheid ziet hij zichzelf zoals hij werkelijk is. En dat beangstigt hem. Dit patroon zien we vaker in de Bijbel. Jesaja roept uit: ‘Wee mij! Ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen.’ (Jesaja 6:5) Job zegt na zijn ontmoeting met God: ‘Daarom zal ik verder zwijgen, nu vind ik troost voor mijn kommervol bestaan.’ (Job 42:6) Wanneer mensen God ontmoeten, worden ze overweldigd door hun eigen nietigheid. Het is alsof er een gordijn wordt weggetrokken en ze plotseling zien hoe heilig God is – en hoe klein en gebroken zij zelf zijn. Simon noemt Jezus hier voor het eerst ‘Heer’. Dit woord wordt in de Septuagint (de Griekse vertaling van het Oude Testament) vaak gebruikt voor JHWH, de naam van God zelf. Dit is meer dan een beleefdheidsvorm. Dit is een erkenning dat Jezus meer is dan alleen een rabbi.
Maar Jezus reageert op een manier die alles verandert. Hij stoot Simon niet af. Hij zegt niet: ‘Je hebt gelijk, je bent te zondig.’ Nee, Hij zegt: ‘Wees niet bang.’ Dit is een cruciaal moment. Jezus erkent Simons angst, maar Hij laat die angst niet de laatste stem zijn. Waar Simon zijn eigen tekortkomingen ziet, ziet Jezus zijn potentie. Waar Simon denkt ‘Ik hoor hier niet te zijn’, zegt Jezus ‘Ik wil juist dat jij met Mij meegaat.’ En dan komt de roeping: ‘Voortaan zul je mensen vangen.’ Dit is een geladen beeld. Simon is een visser. Hij weet hoe hij vissen moet vangen, hij weet hoe hij moet zoeken onder het wateroppervlak. Jezus gebruikt deze ervaring, maar geeft er een nieuwe betekenis aan. Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt voor ‘vangen’ betekent letterlijk: ‘levend vangen’. Dit is geen vangst om te doden, maar om leven te geven. Jezus roept Simon niet om visser te blijven, maar om mensen op een nieuwe manier te redden en verzamelen in Gods Koninkrijk.
En dan volgt het meest radicale moment van allemaal: ‘En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden Hem.’ Dit is geen kleine beslissing. Dit betekent dat Simon en de andere vissers hun oude leven achterlaten – hun werk, hun inkomsten, hun zekerheden. In de eerste eeuw was een beroep niet alleen een manier om geld te verdienen, maar een deel van je identiteit, vaak generaties lang doorgegeven. Maar ze laten het los. Waarom? Omdat ze hebben gezien wie Jezus is. Dit is een patroon dat we vaker zien in het evangelie. Jezus roept mensen niet omdat ze perfect zijn, maar omdat Hij iets nieuws in hen wil doen. Denk aan Levi, de tollenaar, die opstaat uit zijn tolhuis en Hem volgt (Lucas 5:27-28). Denk aan Paulus, die eerst vervolger was en later apostel. Jezus roept niet de besten of de meest geschikten, maar degenen die bereid zijn om Hem te vertrouwen.
Wat betekent dit voor ons? Hoe vaak voelen wij ons onwaardig? Hoe vaak denken wij dat wij niet goed genoeg zijn, dat God iemand anders beter kan gebruiken? Maar hier, aan het Meer van Gennesaret, laat Jezus zien hoe Hij werkt. Hij kiest niet voor de religieuze elite. Hij kiest voor een visser die op zijn knieën valt en zegt: ‘Ik ben te zondig.’ En misschien zegt Hij vandaag tegen ons hetzelfde als tegen Simon: ‘Wees niet bang. Ik heb een plan met jou.’ De vraag is: durven wij onze boten achter te laten? Durven wij ons oude leven los te laten, niet omdat we precies weten wat de toekomst brengt, maar omdat we weten wie Jezus is?
Lucas 5:12-16. De genezing van de man met huidvraat
Jezus trekt van stad naar stad en overal waar Hij komt, verzamelen zich mensen om Hem heen. Zijn naam verspreidt zich snel: Hij onderwijst met gezag, Hij geneest zieken, Hij brengt een boodschap van hoop. Maar niet iedereen kan zomaar naar Hem toe komen.
En dan verschijnt er ineens een man. Niet zomaar een man, maar een melaatse, iemand wiens hele huid is aangetast door een afschuwelijke ziekte. In die tijd betekende huidvraat niet alleen een medische aandoening, maar ook een sociale en religieuze veroordeling. Volgens de wet van Mozes moest iemand met deze ziekte afzonderlijk leven, buiten de gemeenschap (Leviticus 13:45-46). Hij mocht geen normale sociale contacten onderhouden, geen tempel binnengaan, geen deel uitmaken van het gewone leven. Hij was letterlijk afgesneden van anderen. Toch doorbreekt deze man alle regels. Hij komt naar Jezus toe. Dit is een belangrijk moment. Hij had afstand moeten houden. Mensen zouden zich moeten terugtrekken, angstig voor besmetting. Maar hij ziet in Jezus een mogelijkheid die groter is dan de wet. Hij laat zich languit op de grond vallen en smeekt om hulp. Zijn woorden zijn bijzonder: ‘Heer, als U wilt, kunt U mij rein maken.’ Dit is geen vraag om genezing, maar om reinheid. Dat is veelzeggend. Voor een melaatse ging het niet alleen om de fysieke ziekte, maar ook om het feit dat hij onrein was verklaard. Hij kon niet terug naar zijn familie, niet naar de tempel, niet naar het normale leven. Hij vraagt niet alleen om gezondheid, maar om herstel.
En dan doet Jezus iets verbazingwekkends. Hij had gewoon kunnen spreken – vaak geneest Hij mensen met een enkel woord. Maar hier raakt Hij de man aan. Op dat moment gebeurt er iets groots. Volgens de wet maakte het aanraken van een melaatse iemand zelf onrein (Leviticus 5:3). Maar bij Jezus werkt het andersom. Hij wordt niet onrein, maar de zieke wordt rein. Dit is een symbool van wat Jezus is komen doen. Hij neemt de onreinheid van de mens niet alleen weg, maar neemt het ook op zich. Dit wijst vooruit naar het kruis, waar Hij de zonden van de wereld draagt en mensen herstelt in relatie met God. Jezus’ woorden zijn even krachtig als Zijn aanraking: ‘Ik wil het, word rein!’ De genezing is direct. Niet na een paar dagen, niet langzaam, maar onmiddellijk verdwijnt de ziekte. Wat de wet niet kon doen, wat offers en afzondering niet konden bewerken, doet Jezus met één aanraking en één woord.
Naast de genezing, geeft Jezus de melaatse een verrassende opdracht. Hij zegt tegen de man dat hij met niemand over het wonder mag spreken, maar dat hij zich eerst moet laten zien aan de priester. Dit was geen overbodige formaliteit. Volgens de wet moest een genezen melaatse door een priester worden onderzocht en een reinigingsoffer brengen (Leviticus 14:1-32). Dit was de enige manier waarop iemand officieel weer deel kon uitmaken van de gemeenschap. Jezus ondermijnt de wet dus niet, maar vervult haar. Maar er zit meer achter. Jezus zegt: ‘Breng als getuigenis voor de mensen een reinigingsoffer.’ Dit wonder moest niet alleen de man zelf veranderen, maar ook de priesterlijke en religieuze gemeenschap wakker schudden. De leiders van het volk moesten erkennen dat hier iets bijzonders gebeurde. Het Koninkrijk van God brak door op een manier die niemand had verwacht.
Ondanks het spreekverbod van de genezen melaatse man, verspreidde het nieuws zich snel. Hoe kan het ook anders? Iedereen merkt dat de melaatse genezen is. Steeds meer mensen zoeken Jezus op, niet alleen om te luisteren, maar ook om genezen te worden. Maar midden in deze groeiende drukte trekt Jezus zich steeds weer terug naar eenzame plaatsen om te bidden. Dit is een belangrijk detail. Jezus wordt niet gedreven door populariteit of succes. Zijn kracht ligt niet in het applaus van de menigte, maar in Zijn verbondenheid met de Vader. Dit patroon zien we door heel het evangelie heen: hoe groter de drukte, hoe vaker Hij zich afzondert.
Dit hele tafereel is meer dan een genezing. Het is een beeld van wat Jezus voor ons allemaal doet. Wij zijn misschien niet letterlijk melaats, maar we kennen allemaal momenten waarop we ons afgesneden voelen. Van God, van anderen, misschien zelfs van onszelf. Net als de melaatse kunnen we ons afvragen: wil Hij wel? Kan Hij wel? En het antwoord is even krachtig als toen: ‘Ik wil het, word rein.’ De vraag is nu: hebben wij de moed van deze man? Durven wij tot Jezus te gaan, zoals we zijn? En laten we ons aanraken, zelfs als we ons onrein voelen? Dit verhaal laat zien dat het niet uitmaakt hoe ver we van God denken te zijn – Hij is dichterbij dan wij denken.
Lucas 5:17-26. De genezing en vergeving van de verlamde
Het huis is afgeladen vol. Jezus onderwijst en de mensen verdringen zich om Hem heen. Dit is niet zomaar een samenkomst van dorpsbewoners. Onder de toehoorders bevinden zich farizeeën en wetsleraren uit heel Galilea, Judea en zelfs Jeruzalem. Dit detail is veelzeggend. Jezus is niet langer een onbekende rabbi uit Nazaret. Zijn woorden en daden trekken de aandacht van de religieuze elite. Sommigen komen misschien uit oprechte nieuwsgierigheid, maar anderen kijken kritisch toe. Ze zien in Hem iemand die de traditionele orde verstoort. Jezus onderwijst zonder officiële opleiding, Hij trekt mensen aan die als zondaars worden beschouwd en Hij geneest zonder de traditionele tempelrituelen.
Terwijl Jezus spreekt, gebeurt er iets onverwachts. Vier mannen naderen het huis, met op een draagbed hun verlamde vriend. Hun doel is duidelijk: ze willen hem bij Jezus brengen. Maar er is een probleem. De mensenmassa verspert de weg. De deur is onbereikbaar. Ze kunnen niet naar binnen. Wat doen ze? Ze geven niet op. Ze besluiten om het dak te openen en hun vriend naar beneden te laten zakken. In de eerste eeuw hadden huizen meestal een plat dak met een buitentrap. Het dak bestond uit houten balken, bedekt met riet, klei en aangestampte aarde. Deze mannen hakken een opening in het dak en laten hun vriend met touwen naar beneden zakken, recht voor de voeten van Jezus. Dit is een radicale daad. Ze laten zich niet afschrikken door obstakels of wat mensen van hen denken. Dit is een krachtig beeld van geloof. Geloof is niet passief. Geloof zoekt een weg, breekt door barrières en stopt niet bij tegenslagen. Hoe vaak laten wij ons ontmoedigen? Hoe snel geven wij op als iets niet lukt? Maar deze mannen tonen een geloof dat actie onderneemt.
Jezus ziet alles gebeuren. Hij kijkt naar de man die voor Hem ligt. Maar dan zegt Hij iets onverwachts: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’ Dit moet een schok zijn geweest. Ze kwamen niet voor vergeving, maar voor genezing. Hun vriend moest kunnen lopen! Maar Jezus ziet niet alleen de lichamelijke nood, Hij kijkt dieper. Voor de farizeeën en wetsleraren is dit ronduit schokkend. ‘Wie is die man dat Hij deze godslasterlijke taal spreekt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen?’ In hun ogen overschrijdt Jezus hier een grens. Alleen God kan zonden vergeven. De tempeldienst en de offers waren er juist om verzoening met God te bewerken. Maar Jezus vergeeft direct, zonder priester, zonder offer, zonder tempel.
Jezus weet wat de farizeeën en wetsleraren denken en stelt hen een scherpe vraag: ‘Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven” of: “Sta op en loop”?’ Op het eerste gezicht lijkt het natuurlijk gemakkelijker om te zeggen ‘Uw zonden zijn u vergeven’, want wie kan controleren of dat echt is gebeurd? Maar ‘Sta op en loop’ vereist bewijs. Jezus stelt Zijn goddelijke autoriteit op de proef. Dan richt Hij zich tot de verlamde man en zegt: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’
De man staat op. Onmiddellijk. Hij pakt zijn draagbed – het bed waarop hij altijd had gelegen, het symbool van zijn hulpeloosheid – en vertrekt, terwijl hij God looft. De reactie van de menigte is overweldigend. Ze zijn vervuld van ontzag en zeggen: ‘Vandaag hebben we iets ongelooflijks gezien!’ Dit is niet zomaar een genezing. Dit is een directe demonstratie van Jezus’ autoriteit over zonde en ziekte.
Dit verhaal laat op meerdere niveaus zien wie Jezus is. Hij is niet alleen een genezer, Hij is degene die zonden vergeeft. Dit moment wijst vooruit naar het kruis, waar Hij uiteindelijk de straf voor de zonde op zich zal nemen en volledige vergeving zal schenken. Dit verhaal laat ook zien hoe geloof werkt. De vier vrienden geven niet op. Ze zoeken een weg naar Jezus, wat het ook kost. Dit is een uitdaging voor ons. Hoe vaak laten wij ons ontmoedigen? Hoeveel moeite doen wij om bij Jezus te komen? En dan is er de diepere laag. Wij zijn allemaal op een bepaalde manier verlamd. Misschien niet fysiek, maar wel door schuld, schaamte, angst of machteloosheid. Net als deze man kunnen wij niets uit onszelf veranderen. Maar Jezus zegt: ‘Sta op.’ Dit is de kern van het evangelie. Jezus komt niet alleen om onze zichtbare problemen op te lossen, maar om ons volledig nieuw leven te geven. Hij doorbreekt de barrières die tussen ons en God in staan. De vraag die overblijft: blijven wij liggen of staan wij op?
Lucas 5:27-32. De roeping van Levi en de maaltijd met zondaars
De dag verloopt zoals altijd in Kafarnaüm. Mensen lopen door de straten, kooplieden prijzen hun waren aan en bij de tolpost zit Levi, een tollenaar. Zijn taak? Belastingen innen voor de Romeinen. Hij werkt langs een handelsroute waar kooplieden en reizigers hun tol moeten betalen. Het is een lucratief beroep, maar wel een eenzaam bestaan. Want Levi is gehaat. Tollenaars waren in de ogen van de Joden verraders, collaborateurs die samenwerkten met de Romeinse bezetters. Bovendien stonden ze bekend als oneerlijk. Het belastingstelsel werkte als een pachtsysteem: de tollenaar moest een vast bedrag aan Rome afdragen, maar mocht zelf bepalen hoeveel hij extra vroeg om winst te maken. Velen maakten hier misbruik van en verrijkten zichzelf ten koste van hun volksgenoten. Levi was een van hen.
En dan, op een dag die begint als alle andere, loopt Jezus langs zijn tolhuis en blijft staan. Dat alleen al is bijzonder. De meeste mensen zouden met afkeer langs hem heen kijken. Geen rabbi zou zich associëren met iemand als Levi. Maar Jezus kijkt hem aan en zegt: ‘Volg Mij!’ Dit is een korte oproep, maar met verstrekkende gevolgen. Jezus vraagt Levi niet om zijn leven eerst op orde te krijgen. Hij legt geen voorwaarden op. Hij roept hem simpelweg. En Levi? Hij stond op, liet alles achter en volgde Hem. Dit is een radicale beslissing. Voor vissers zoals Simon en Johannes was er altijd een weg terug – ze konden hun netten weer oppakken. Maar een tollenaar? Als hij zijn tolhuis verlaat, is zijn functie direct vergeven aan iemand anders. Er is geen terugkeer mogelijk. Levi kiest hier niet alleen voor een nieuwe meester, maar voor een totaal nieuw leven.
En dan, in plaats van in de anonimiteit te verdwijnen, richt Levi een groot feestmaal aan in zijn huis. Hij nodigt zijn collega-tollenaars en anderen uit – mensen die in de samenleving werden gemeden. Dit is geen klein etentje. Dit is een viering, een openbare daad waarmee Levi laat zien dat hij een nieuwe weg is ingeslagen. Maar niet iedereen kijkt blij toe. De farizeeën en schriftgeleerden beginnen te morren tegen Jezus: ‘Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?’ Deze vraag raakt de kern van hun probleem met Jezus. In de Joodse cultuur had samen eten een diepe symbolische betekenis. Maaltijden waren meer dan momenten om voedsel te delen. Ze waren een teken van gemeenschap en acceptatie. De farizeeën waren extreem voorzichtig met wie ze aten, om zich niet ritueel te verontreinigen. En hier zien ze Jezus – een rabbi, een leraar – eten met de mensen die zij als moreel en religieus verwerpelijk beschouwen.
Jezus antwoordt hen met een eenvoudige maar diepgaande vergelijking: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot inkeer op te roepen, maar zondaars.’ Zijn woorden zijn scherp en tegelijkertijd bevrijdend. Jezus vergelijkt zichzelf met een arts. Maar wie heeft een arts nodig? Niet degenen die denken dat ze gezond zijn, maar degenen die weten dat ze ziek zijn. En daarmee stelt Hij de farizeeën voor een fundamentele keuze. Zien zij zichzelf als mensen die God al volledig hebben begrepen of durven ze in te zien dat ze net zo goed genezing nodig hebben? Dit moment is meer dan een maaltijd. Het is een beeld van het Koninkrijk van God. Jezus laat zien dat Hij niet gekomen is om zich af te zonderen van de gebroken mensen van de samenleving, maar juist om hen binnen te halen.
Dit verhaal raakt een diepere laag van het evangelie. Wij zijn allemaal op een bepaalde manier Levi. Misschien niet letterlijk een tollenaar, maar we kennen allemaal momenten waarop we ons onwaardig voelen, waarop we falen, waarop we denken dat God ons misschien niet meer ziet staan. En dan klinken Jezus’ woorden: ‘Volg Mij.’ Hij roept ons niet op basis van onze verdiensten, niet omdat we eerst alles op orde hebben. Hij roept ons, precies zoals we zijn. En de vraag blijft: hoe reageren wij? Laten we ons oude leven achter? Hebben we de moed om Jezus echt te volgen? En misschien nog wel belangrijker: wie nodigen wij aan onze tafel uit?
Lucas 5:33-35. De vraag over vasten en de bruiloftsmetafoor
De maaltijd bij Levi is nog maar net voorbij of er rijst alweer een vraag. Dit keer draait het niet om met wie Jezus eet, maar om hoe Zijn volgelingen leven. De farizeeën en schriftgeleerden stellen Jezus de volgende vraag: ‘De leerlingen van Johannes vasten dikwijls en zeggen hun gebeden, zoals ook de leerlingen van de farizeeën doen, maar die van U eten en drinken maar.’ De kritiek is duidelijk. De farizeeën en de leerlingen van Johannes waren toegewijd aan vasten en gebed, een uitdrukking van hun spirituele ernst. Maar Jezus’ discipelen? Zij lijken nergens mee bezig te zijn. Terwijl anderen zich in onthouding en discipline oefenen, zitten zij aan tafel en vieren feest.
In de Joodse traditie was vasten een belangrijk teken van godsdienstigheid. De wet van Mozes schreef slechts één verplichte vastendag voor: de Grote Verzoendag (Leviticus 16:29-31). Maar in de loop der tijd werd vasten steeds vaker een manier om je toewijding aan God te tonen. De farizeeën vastten bijvoorbeeld twee keer per week (Lucas 18:12), en ook de leerlingen van Johannes de Doper zagen vasten als een teken van hun spirituele voorbereiding op de komst van de Messias. Maar hier ligt precies het punt. Voor Johannes’ volgelingen was de Messias nog niet gekomen. Zij bereidden zich voor op wat God zou doen. De farizeeën, met hun strikte leefregels, zagen vasten als een manier om spiritueel rein en toegewijd te blijven. Maar Jezus en Zijn leerlingen? Zij gedragen zich alsof de tijd van wachten voorbij is.
Jezus antwoordt met een beeld: ‘U kunt toch niet verlangen dat de bruiloftsgasten vasten zolang de bruidegom bij hen is?’ Dit is geen willekeurige vergelijking. In het Oude Testament wordt God zelf beschreven als de bruidegom van Israël (Jesaja 62:5, Hosea 2:18-22). De Messiaanse tijd werd door profeten voorgesteld als een bruiloftsfeest: een periode van vreugde, waarin God en Zijn volk opnieuw verbonden zouden worden. Jezus plaatst zichzelf in het centrum van dit beeld. Hij is de bruidegom en Zijn komst betekent dat de tijd van vreugde is aangebroken. De bruiloft is begonnen. Dit is een revolutionaire uitspraak. Jezus stelt hier niet alleen dat Zijn leerlingen gelijk hebben om niet te vasten – Hij zegt dat Hijzelf het middelpunt is van Gods vernieuwende werk. Dit is geen tijd van rouw en voorbereiding, maar van vreugde en vervulling. De oude orde is voorbij, het Koninkrijk is begonnen.
Maar dan verandert de toon. Jezus voegt eraan toe: ‘Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten.’ Hier wijst Hij vooruit naar Zijn dood. Het woord ‘weggehaald’ suggereert een gewelddadige scheiding, niet een natuurlijk einde van de feestvreugde. De bruiloft wordt abrupt onderbroken. Dit is een eerste subtiele hint naar het lijden dat Hem te wachten staat. Op dat moment, wanneer Hij niet meer bij hen is, zullen Zijn volgelingen wél vasten. Niet als een religieuze plicht zoals de farizeeën het zagen, maar als een uiting van verlangen naar Zijn terugkeer. Hier wordt een diepere waarheid zichtbaar: Jezus verandert de betekenis van vasten. Het is niet langer alleen een manier om je toewijding te tonen, maar wordt een teken van verlangen, van hoop, van uitzien naar de terugkeer van de Bruidegom. Dit vinden we ook terug in de vroege kerk, waar vasten een manier werd om zich te richten op de wederkomst van Christus (Handelingen 13:2, 14:23).
Deze verzen roepen de vraag op: hoe beleven wij deze tijd? Leven wij alsof de bruiloft nog steeds gaande is, vervuld van de vreugde van Zijn aanwezigheid? Of herkennen wij ook die momenten van geestelijke droogte, waarin we Zijn afwezigheid voelen en uitzien naar Zijn terugkeer? Jezus’ woorden nodigen uit tot een evenwicht. Er is tijd voor feesten en tijd voor vasten. Vreugde in Zijn aanwezigheid, maar ook een diep besef dat de wereld nog niet is zoals het zou moeten zijn. Maar één ding is zeker: de bruiloft is niet afgelast. Wat tijdelijk onderbroken wordt, zal op een dag weer in volle glorie worden voortgezet. En op die dag zal er geen reden meer zijn om te vasten – alleen nog om te feesten.
Lucas 5:36-39. De gelijkenis van de nieuwe en oude orde
In deze verzen neemt Jezus het woord na een kritische vraag over het vastengedrag van zijn leerlingen. De farizeeën en schriftgeleerden, trouwe bewakers van de Joodse tradities, begrijpen niet waarom Jezus’ volgelingen zich anders gedragen dan de leerlingen van Johannes en de farizeeën. Hun vraag raakt aan iets diepers: hoe verhoudt Jezus zich tot de tradities en gebruiken van het oude verbond? In antwoord daarop vertelt Jezus een gelijkenis – eigenlijk twee korte beelden – die samen één krachtige boodschap hebben: het nieuwe dat Hij brengt, kan niet in oude vormen worden gegoten.
Eerst gebruikt Jezus het beeld van de mantel: ‘Niemand scheurt een lap van een nieuwe mantel om daarmee een oude mantel te verstellen, want dan scheurt hij de nieuwe, terwijl de lap niet bij de oude past.’ Dit was een herkenbaar beeld voor zijn toehoorders. In een tijd waarin kleding kostbaar was, zou niemand het in zijn hoofd halen om een nieuw kledingstuk te beschadigen om een oude, versleten mantel te repareren. Bovendien zou de nieuwe, ongekrompen lap de oude stof laten scheuren, waardoor het probleem alleen maar groter werd. Hierin zit een duidelijke symboliek: de oude mantel staat voor het oude verbond met zijn wetten, rituelen en voorschriften. De nieuwe lap is het nieuwe verbond dat Jezus brengt: een verbond van genade en vernieuwd leven. Jezus laat zien dat je zijn boodschap niet kunt gebruiken als een ‘reparatie’ van het oude systeem. Het oude heeft zijn tijd gehad; er is iets radicaal nieuws nodig. Dit resoneert met Jeremia’s profetie: ‘De dag zal komen – spreek de HEER – dat Ik met het volk van Juda een nieuw verbond sluit, een ander verbond dan Ik met hun voorouders sloot toen Ik heb bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden.’ (Jeremia 31:31-32)
Jezus bouwt zijn punt verder uit met een tweede beeld: ‘En niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan scheuren de zakken door de jonge wijn en wordt de wijn verspild, terwijl de zakken verloren gaan. Jonge wijn moet in nieuwe zakken worden gedaan.’ In de tijd van Jezus werden leren wijnzakken gebruikt om wijn in te bewaren. Nieuwe wijn bleef nog gisten, waardoor er druk ontstond. Alleen nieuwe, elastische zakken konden deze druk weerstaan. Oude zakken, uitgedroogd en stijf van eerdere gistingsprocessen, zouden barsten. De wijn zou verloren gaan en de zakken onbruikbaar. De jonge wijn staat hier voor het nieuwe leven en de komst van het koninkrijk van God, vol frisheid, kracht en groei. De oude zakken verbeelden het verstarde systeem van wetten, tradities en menselijke godsdienst die de farizeeën omarmden. Jezus’ boodschap is duidelijk: het nieuwe dat Hij brengt, past niet in oude, starre structuren. Het vraagt om nieuwe houders – een vernieuwd hart, open voor de Geest van God.
Daarna voegt Jezus een opvallende slotopmerking toe: ‘Maar niemand die oude wijn gedronken heeft, wil jonge; hij zegt immers: “De oude is beter.”’ Dit klinkt bijna als een verzuchting. Oude wijn werd beschouwd als rijper en van hogere kwaliteit dan jonge wijn. Jezus wijst hiermee op de menselijke neiging om vast te houden aan het vertrouwde. De farizeeën, gewend aan hun tradities en wetten, vonden het ‘oude’ beter. Maar in hun vasthoudendheid misten ze de frisheid en kracht van wat God nieuw aan het doen was. Hier klinkt een waarschuwing in door: wie zich verhardt in het oude, loopt het nieuwe werk van God mis. Deze houding zien we door de hele bediening van Jezus heen: telkens botsen de nieuwe wegen van genade, genezing en bevrijding op de oude muren van wetticisme, angst en controle.
De betekenis van deze gelijkenis gaat echter dieper dan alleen een religieus conflict in Jezus’ tijd. Het raakt ook ons hart. Want zijn wij echt bereid om ruimte te maken voor de nieuwe wijn van Gods Geest? Of houden wij vast aan oude patronen, gewoonten en overtuigingen omdat die vertrouwd voelen? En hoe vaak proberen wij het evangelie te ‘verstellen’ op ons oude leven, alsof een kleine lap op een versleten mantel genoeg is, in plaats van ons volledig te laten vernieuwen?
Ook theologisch wijst deze gelijkenis vooruit naar Christus’ kruis en opstanding. Het oude verbond, met zijn offers en wetten, vindt zijn vervulling in Hem (Hebreeën 8:13). Maar tegelijk klinkt de oproep om die vervulling niet alleen te ‘weten’, maar ook te ‘ontvangen’ in een vernieuwd hart. De nieuwe wijn – het leven door de Heilige Geest – vraagt een nieuw vat: een leven dat bereid is om te veranderen, om los te laten en opnieuw gevormd te worden.
Jezus laat zijn toehoorders, en ons, met een keuze achter. Houden we vast aan de oude wijn, omdat die comfortabel en bekend is? Of durven we de jonge wijn te ontvangen, met al zijn frisheid en kracht, zelfs als dat betekent dat ons leven een nieuwe vorm moet krijgen? Want alleen in nieuwe zakken kan de nieuwe wijn tot volle bloei komen. Wat is jouw antwoord?
Kernboodschap
De kernboodschap van Lucas 5:1-39 is: Jezus breekt door onze grenzen van logica, traditie en zelfbeeld heen en nodigt ons uit om het oude los te laten, het onmogelijke te wagen en ons leven radicaal te openen voor de vernieuwende kracht van Zijn koninkrijk.
In dit bijbelgedeelte ontvouwt zich een mozaïek van ontmoetingen, wonderen en reacties die samen één krachtige boodschap ademen: Jezus doorbreekt het vertrouwde, het voorspelbare en het veilige en Hij nodigt mensen uit tot een leven dat volledig door Zijn koninkrijk wordt vernieuwd. Dit bijbelgedeelte is geen verzameling losse verhalen, maar een dynamische beweging van confrontatie, verandering en keuze.
We zien hoe Jezus telkens de gevestigde orde opschudt. Hij vraagt Simon om tegen alle logica in nog één keer de netten uit te werpen, wat leidt tot een wonderbare vangst. Hij doorbreekt religieuze en sociale grenzen door een melaatse aan te raken en hem niet alleen lichamelijk maar ook maatschappelijk te herstellen. Bij de verlamde man gaat Hij verder dan de verwachting van lichamelijke genezing; Hij spreekt eerst vergeving van zonden uit, wat een schok veroorzaakt bij de religieuze leiders. Vervolgens roept Hij Levi, een tollenaar en paria, om Hem te volgen en deelt met hem de tafel, wat opnieuw tot onbegrip en kritiek leidt. Tenslotte spreekt Hij in gelijkenissen over oude en nieuwe wijn, waarmee Hij duidelijk maakt dat Zijn komst geen pleister is op het oude, maar een breuk en een nieuw begin.
In al deze scènes staat één thema centraal: het oude moet plaatsmaken voor het nieuwe, en dat nieuwe is geen kleine aanpassing, maar een volledige transformatie. Jezus daagt mensen uit om los te laten wat vertrouwd is – hun beroepen, hun zelfbeeld, hun religieuze structuren en hun vastgeroeste denkbeelden – en ruimte te maken voor iets radicaal anders: een leven dat niet wordt geleid door angst, oordeel of traditie, maar door geloof, genade en overgave.
Opvallend is dat de grootste weerstand niet van buitenstaanders komt, maar van degenen die het diepst geworteld zijn in het bestaande religieuze systeem. De farizeeën en wetsleraren botsen steeds op Jezus’ vernieuwing. Ze houden vast aan het oude, niet omdat ze slecht zijn, maar omdat het oude vertrouwd en veilig voelt. Dit laat zien dat het niet alleen de zondaars of buitenstaanders zijn die moeten veranderen – de religieuze mensen, de ‘insiders’, moeten dat net zo goed. En dat is misschien wel de moeilijkste verandering van allemaal: niet de zonden, maar de zekerheden loslaten.
Wat betekent deze boodschap voor ons vandaag? We leven in een tijd waarin tradities en kerken voor velen hun kracht hebben verloren. Veel christenen die niet meer naar de kerk gaan, hebben het oude systeem van regels, rituelen en structuren achter zich gelaten. Misschien voelde dat oude als een versleten mantel of een verstijfde wijnzak – iets wat niet meer paste bij wie ze zijn. Maar Jezus’ oproep is verrassend genoeg niet om simpelweg het oude te verwerpen of los te laten, maar om ruimte te maken voor iets nieuws. En dat nieuwe is niet een systeem, een vorm of een kerkstructuur, maar een ontmoeting met Hem die het leven zelf is. Jezus is nog steeds degene die ons op onmogelijke plekken vraagt om de netten uit te werpen, die ons aanraakt waar we onrein en gebroken zijn, die ons roept zelfs als we denken dat we onwaardig zijn en die ons uitdaagt om oude patronen en zekerheden los te laten. De vraag is niet of we nog ‘in het oude’ zitten of dat we ‘iets nieuws’ moeten zoeken, maar of we bereid zijn om ons hart te vernieuwen, onze verwachtingen te laten schudden en onze controle op te geven.
Deze kernboodschap raakt juist christenen die niet (meer) naar de kerk gaan. Want misschien is er een tijd geweest dat ze hun geloof probeerden te verstellen met een ‘lap van nieuwe stof’ op een oud systeem. Misschien hebben ze ervaren dat nieuwe wijn in oude zakken alleen maar tot scheuren leidt. Maar de hoop in dit verhaal is dat Jezus niet vraagt om het oude te repareren, maar om een nieuw vat te zijn – klaar om gevuld te worden met nieuw leven, op een manier die fris, echt en onverwacht is. Jezus’ oproep is uiteindelijk niet om terug te keren naar een oude vorm, maar om vooruit te gaan naar een vernieuwd leven. En dat vernieuwde leven begint vaak met een eenvoudige, maar alles veranderende vraag: ben je bereid om het oude los te laten en ruimte te maken voor wat God nieuw wil doen in jou?
Theologische reflectie
Deze theologische reflectie is bedoeld om de diepere spirituele, theologische en praktische betekenis van Lucas 5:1-39 te verkennen. Waar de exegetische uitleg zich richtte op de inhoud, de historische context en de symboliek van de tekst en de kernboodschap het hart van de bijbelverzen blootlegde, zoekt deze reflectie naar de bredere reikwijdte van het bijbelgedeelte. We kijken naar wat deze tekst onthult over God, hoe het naar Christus verwijst, wat het betekent voor ons geloofsleven en hoe het past binnen het grotere verhaal van de Bijbel. Dit is geen abstracte oefening, maar een uitnodiging om te ontdekken hoe deze oude woorden ons vandaag de dag kunnen raken, veranderen en uitdagen.
Het karakter van God
Lucas 5:1-39 onthult een God die vol genade is, maar ook een God die het oude durft te breken om ruimte te maken voor iets radicaal nieuws. In de ontmoeting met Simon Petrus zien we Gods overvloedige goedheid: Hij geeft een wonderbare visvangst, niet omdat Simon het verdient, maar als een teken van genade dat zijn leven op zijn kop zet. Tegelijkertijd zien we een God die mensen aanspreekt op een diepere laag: bij de verlamde man gaat Jezus niet eerst in op de zichtbare nood, maar op het onzichtbare probleem van zonde en schuld. Dit laat zien dat Gods liefde niet oppervlakkig is, maar diepgaand en transformerend. Het raakt niet alleen onze omstandigheden, maar ons hart.
We ontdekken in dit bijbelgedeelte ook de soevereiniteit van God. Jezus handelt met een gezag dat boven menselijke structuren uitstijgt. Hij spreekt een woord en de netten vullen zich; Hij raakt een melaatse aan en de onreinheid verdwijnt; Hij vergeeft zonden, iets wat alleen God kan. Hier openbaart zich een God die niet gebonden is aan menselijke logica, tradities of verwachtingen. En toch is dit geen God die zich distantieert, maar juist een God die dichtbij komt – een God die het onaanraakbare aanraakt, die eet met zondaars en die roepingen uitspreekt tot mensen die zichzelf onwaardig achten.
Tegelijkertijd zien we een God die confronteert. Hij ontziet de gevestigde religieuze orde niet. De farizeeën en schriftgeleerden krijgen te maken met een God die oude wijnzakken niet repareert, maar vervangt. Dit is een liefdevolle, maar ook radicale God: wie vasthoudt aan het oude, loopt het nieuwe leven mis. Het laat zien dat Gods genade nooit vrijblijvend is. Genade troost, maar genade schudt ook wakker.
De verwijzing naar Christus
Dit bijbelgedeelte laat Christus niet alleen zien als rabbi of wonderdoener, maar als degene in wie het koninkrijk van God tastbaar wordt. Jezus wordt zichtbaar als de Heer van de schepping wanneer Hij de visvangst gebiedt, als de Heer over ziekte wanneer Hij de melaatse reinigt en als de Heer over zonde wanneer Hij de verlamde vergeeft. De reactie van Simon – ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens’ – echoot de reacties die mensen in het Oude Testament hebben bij een ontmoeting met God. Dit maakt duidelijk: hier staat geen gewone profeet, maar God zelf in menselijke gedaante.
Jezus is ook de Bruidegom, zoals zichtbaar wordt in de discussie over vasten. Door zichzelf met de bruidegom te vergelijken, verwijst Hij naar het verbond tussen God en Zijn volk. De bruiloft, een terugkerend beeld in het Oude Testament voor Gods vreugde over Zijn volk, krijgt in Jezus een nieuwe vervulling. Maar er komt ook een breuk: de Bruidegom zal worden weggenomen. Hierin klinkt al het kruis door. De vreugde van de bruiloft zal een prijs hebben: Jezus’ lijden en sterven.
Daarnaast wijst de gelijkenis van de wijnzakken vooruit naar Christus’ nieuwe verbond. De oude zakken, symbool voor de wet en de religieuze systemen, kunnen de gisting van de nieuwe wijn niet aan. Jezus vervult de wet, maar Hij beperkt zich niet tot een kleine aanpassing of vernieuwing binnen de oude structuren. Zijn komst is een totaal nieuwe werkelijkheid. Dit alles wijst vooruit naar het kruis en de opstanding, waar het oude volledig zal wijken voor het nieuwe leven in Christus.
Relevantie voor ons geloofsleven
Dit bijbelgedeelte is een spiegel voor ons eigen leven, want het laat zien hoe Jezus mensen uitdaagt tot geloof dat verder gaat dan theorie of traditie. Simon leert dat geloof begint waar logica eindigt: ondanks zijn ervaring en twijfel werpt hij de netten uit ‘omdat U het zegt’. Dit is een geloof dat niet eerst alles hoeft te begrijpen, maar durft te vertrouwen.
We zien ook dat Jezus’ roep altijd gepaard gaat met loslaten. Simon en zijn vrienden laten hun boten achter, Levi zijn tolhuis. Hier zit een diepe waarheid: je kunt het nieuwe leven dat Jezus geeft niet omarmen zonder het oude los te laten. En vaak is dat oude niet alleen zonde, maar ook controle, zekerheid en vertrouwde patronen.
De verlamde man herinnert ons eraan dat Jezus niet alleen komt om onze zichtbare problemen op te lossen, maar ook om ons innerlijk te genezen. Hoe vaak zoeken wij bij God alleen uitkomst voor onze omstandigheden, terwijl Hij wil beginnen bij ons hart?
Daarnaast vraagt dit gedeelte om een open houding voor het nieuwe werk van God. De farizeeën waren religieus ijverig, maar hun vasthouden aan het oude maakte hen blind voor het nieuwe dat voor hun ogen gebeurde. Ook wij kunnen vastzitten in oude vormen van geloof – oude zekerheden, oude kerkbeelden, oude theologieën – en zo het frisse werk van Gods Geest missen. De vraag is: durven wij, net als nieuwe wijnzakken, flexibel en ontvankelijk te zijn voor wat God vandaag in ons wil doen?
Verband met andere bijbelteksten
Lucas 5:1-39 is diep verweven met de bredere lijn van de Bijbel. De wonderbare visvangst roept associaties op met Jesaja 6, waar Jesaja geroepen wordt na een overweldigende openbaring van Gods heiligheid. Beide keren volgt de roeping op een diep schuldbesef: ‘Wee mij!’ zegt Jesaja, ‘Ga weg van mij, Heer’ zegt Simon. Maar in beide gevallen is Gods reactie niet veroordelend, maar genadig en roepend.
De genezing van de melaatse sluit aan bij de wetten over reiniging in Leviticus. Jezus vervult de wet, maar doorbreekt haar grenzen: niet de melaatse maakt Hem onrein, maar Hij maakt de melaatse rein. Dit wijst vooruit naar het kruis, waar Jezus de zonde van de wereld draagt om ons te reinigen.
De vergeving van de verlamde verwijst naar de profetieën van Jeremia en Ezechiël, waar God belooft dat Hij zonden zal vergeven en nieuwe harten zal geven. En de discussie over vasten en de bruidegom echoot Hosea, waar God zichzelf de bruidegom van Zijn volk noemt.
Ook de gelijkenis van de nieuwe wijn sluit naadloos aan op de brieven van Paulus, die spreekt over het nieuwe leven in Christus (2 Korintiërs 5:17) en het vervallen van de oude orde (Hebreeën 8:13). Overal zien we dat wat in Lucas 5 gebeurt, geen los verhaal is, maar een hoofdstuk in het grote verhaal van Gods reddingsplan.
Andere relevante theologische thema’s
Een belangrijk thema in Lucas 5:1-39 is discipelschap. Jezus roept gewone mensen, vissers en een tollenaar, niet om volgelingen van een leer te zijn, maar volgelingen van hemzelf. Discipelschap betekent hier totale overgave: ze laten alles achter. Maar discipelschap begint ook met een ontmoeting – met verwondering, met genade, met een diepe aanraking van Gods aanwezigheid. Dit laat zien dat echte navolging niet begint met regels, maar met relatie.
Een tweede thema in dit bijbelgedeelte is getuigenis. Dit bijbelgedeelte leert dat getuigenis voortkomt uit ervaring. Simon getuigt niet vanwege een theorie, maar omdat hij Jezus’ kracht heeft ervaren. Levi getuigt niet door te preken, maar door zijn huis open te stellen. De verlamde getuigt niet met woorden, maar door op te staan en te lopen. Hierin ligt een les: ons krachtigste getuigenis is wat God in ons leven doet.
Een derde thema in dit bijbelgedeelte is genade en roeping. Genade komt vóór roeping. Simon wordt geroepen na een wonder; Levi wordt geroepen terwijl hij nog tollenaar is; de verlamde wordt eerst vergeven voordat hij genezen wordt. Dit onderstreept dat God ons niet roept omdat we goed genoeg zijn, maar omdat Hij goed is. En Zijn roep is altijd een roep tot verandering: de genade accepteert ons zoals we zijn, maar laat ons niet zoals we zijn.
Een vierde en laatste thema in dit bijbelgedeelte is het werk van de Heilige Geest. Hoewel de Heilige Geest hier niet expliciet wordt genoemd, ademt dit hele bijbelgedeelte Zijn werk. De overvloedige visvangst, de onmiddellijke genezing, de vergeving van zonden, de vernieuwing die oude structuren doet barsten – dit alles zijn tekenen van de Geest die leven brengt. En wanneer Jezus spreekt over nieuwe wijn in nieuwe zakken, verwijst Hij impliciet naar het komende Pinksterwerk, waar de Geest wordt uitgestort en de oude tempelstructuren niet meer toereikend blijken.
Deze theologische reflectie laat zien hoe rijk en diep Lucas 5:1-39 is. Het is niet slechts een verzameling verhalen, maar een venster op wie God is, wie Christus is en wat het betekent om Hem te volgen. Dit bijbelgedeelte daagt ons uit, bemoedigt ons en nodigt ons uit om zelf onderdeel te worden van het grote verhaal van Gods koninkrijk. Want uiteindelijk vraagt Jezus ons, net als Simon, net als Levi en net als de menigte aan de oever: wil jij het oude loslaten en ruimte maken voor wat Ik nieuw wil doen in jou?
Praktische toepassing
De kernboodschap van Lucas 5:1-39 daagt ons uit om ruimte te maken voor Gods vernieuwende werk in ons leven, zelfs als dat betekent dat we oude gewoonten, zekerheden of patronen moeten loslaten. Maar hoe ziet dat er in de praktijk uit? Voor bijvoorbeeld christenen die niet (meer) verbonden zijn met een kerk, kan het voelen alsof er geen duidelijke structuur is om geloof handen en voeten te geven. Toch laat dit bijbelgedeelte zien dat Jezus niet roept binnen een systeem, maar binnen het dagelijks leven – op het werk, aan de oever, aan de tafel. Daarom volgen hier vier concrete, uitdagende richtlijnen die direct toepasbaar zijn in het leven van iedere gelovige, juist ook buiten de muren van de kerk.
- Zeg ‘ja’ tegen het onverwachte – volg het eerste kleine duwtje van de Geest.
Jezus’ wonder begint met een klein verzoek: ‘Vaar een stukje het water op.’ Het lijkt onbeduidend, maar die kleine stap wordt het begin van een grote roeping. Zo werkt God vaak ook in ons leven: Hij fluistert zachtjes, zet ons subtiel aan tot iets onverwachts. Daarom is de eerste richtlijn: zeg ‘ja’ tegen dat kleine duwtje dat je voelt. Misschien voel je ineens de impuls om een vriend te bellen die je lang niet hebt gesproken. Doe het meteen. Misschien merk je dat je tijdens een wandeling ineens ergens wilt stoppen om iemand te helpen. Stop dan. Misschien krijg je een plotselinge ingeving om iets te schrijven, te maken of te geven. Stel het niet uit. Deze kleine, spontane gehoorzaamheden zijn vaak de openingen waardoor God iets nieuws in ons leven kan doen. Hoe meer je ‘ja’ zegt, hoe gevoeliger je wordt voor die zachte stem. Je hoeft niet alles te begrijpen of te plannen – net zoals Simon niet begreep waarom hij moest uitvaren. Maar juist die onverwachte ‘ja’ opent de deur naar iets groters dan je voor mogelijk houdt.
- Verander je ‘oude zakken’: breek bewust met een vastgeroest patroon.
Jezus zegt dat je nieuwe wijn niet in oude zakken kunt gieten. Oude patronen kunnen het nieuwe leven verstikken. Daarom is de tweede richtlijn: kies bewust één oud patroon in je leven en doorbreek het radicaal. Misschien is het je gewoonte om elke ochtend je dag te beginnen met social media – doorbreek dat en begin de dag een week lang met een korte stilte of een paar minuten lezen uit de Bijbel. Misschien is het een gewoonte om kritiek op jezelf te laten overheersen – daag jezelf uit om elke dag bewust drie dingen op te schrijven waarvoor je dankbaar bent. Of ga een stap verder: als je merkt dat je geloof altijd vastzat aan kerkelijke rituelen die nu leeg voelen, durf dan een nieuw geestelijk ritme te creëren dat écht bij je past. Dit kan een ochtendwandeling zijn waarbij je bewust met God in gesprek gaat of het maken van een wekelijks reflectiemoment met jezelf. Het oude patroon loslaten voelt misschien ongemakkelijk – oude wijn lijkt altijd beter – maar pas in de nieuwe ruimte kan iets nieuws groeien.
- Organiseer een ‘Levi-maaltijd’: eet samen met mensen buiten je bubbel.
Levi’s eerste daad na zijn roeping is het organiseren van een maaltijd voor allerlei mensen, ook buiten de religieuze kring. Dit laat zien dat gemeenschap en gastvrijheid een directe uiting zijn van Gods nieuwe werk. Daarom is de derde richtlijn: organiseer bewust een ‘Levi-maaltijd’ – een etentje, borrel of koffiemoment – waarbij je mensen uitnodigt met wie je normaal niet samenkomt. Nodig iemand uit die je al jaren kent maar zelden spreekt of juist iemand die je vaag kent en nieuwsgierig maakt. Je hoeft het niet zwaar of religieus te maken; het gaat om het creëren van een open ruimte waar gesprekken mogen ontstaan die ertoe doen. Deze ‘Levi-maaltijd’ kan verrassend heilige momenten brengen. Juist door samen aan tafel te zitten, ontstaan gesprekken over leven, geloof, twijfel en hoop. Je hoeft geen antwoorden te hebben of de juiste woorden te vinden – Jezus was gewoon daar, aan tafel. En wie weet wat er gebeurt als je ruimte biedt voor het onverwachte?
- Omarm het ‘diepe water’: begin iets waarvoor je je niet geschikt voelt.
Simon wordt door Jezus uitgedaagd om naar diep water te varen – een plek waar hij als visser geen vis verwacht. En toch vindt daar het wonder plaats. Daarom is de vierde richtlijn: kies bewust iets om te doen waarvoor je je níét gekwalificeerd voelt, iets wat buiten je comfortzone ligt. Misschien voel je de neiging om iets te schrijven, te delen of te maken, maar denk je: wie zit daarop te wachten? Doe het toch. Misschien zie je een kans om iemand te helpen, te coachen of te begeleiden, maar voel je je daar niet ervaren genoeg voor. Zeg toch ‘ja’. Het diepe water is de plek waar je je kwetsbaar voelt, maar ook de plek waar God kan laten zien wat er mogelijk is voorbij je eigen kunnen. Net als Simon leer je dat het niet draait om jouw bekwaamheid, maar om Gods overvloed. En net als bij Simon kan dat ene onbekwame ‘ja’ een kantelpunt worden dat je leven richting geeft.
Deze vier richtlijnen zijn geen nieuwe regels, maar uitnodigingen om open te staan voor het nieuwe werk van God, midden in je dagelijkse leven. Ze zijn eenvoudig, maar niet makkelijk, want ze vragen durf: de durf om het kleine serieus te nemen, om het oude los te laten, om mensen te verwelkomen en om het diepe water in te gaan. Maar wie deze stappen zet, ontdekt wat Simon, Levi en de vele anderen ontdekten: dat God het oude niet alleen vervangt, maar overtreft met iets wat je nooit had kunnen bedenken. De enige vraag die overblijft is: waar daagt Hij jou vandaag uit om ‘ja’ te zeggen?
Afsluiting
Laten we teruggaan naar het verhaal van David. We zagen hem in de inleiding worstelen met een sluimerend gevoel van leegte. Zijn werk, ooit een bron van voldoening, voelde als een eindeloze herhaling. De vraag die zijn vrouw stelde bleef hangen: wat als dit niet is waar je echt voor bedoeld bent? Maar hoe vind je dat uit? En durf je het risico te nemen? De dagen daarna bleef de onrust in hem groeien. Uiteindelijk besloot David een weekend alleen op pad te gaan, weg van de deadlines en de schermen. Hij wandelde door de natuur, zonder duidelijk doel, gewoon om zijn hoofd leeg te maken. Daar, midden in de stilte, voelde hij het verlangen dat diep onder de routine verborgen lag: hij wilde weer iets doen wat er echt toe deed, iets met mensen, iets dat zijn hart zou laten branden. Hij wist nog niet hoe of wat, maar één ding werd hem helder: zo kon het niet verder. Terug thuis sprak hij met Esther. ‘Ik weet het nog niet precies,’ zei hij, ‘maar ik ga iets veranderen. Al is het maar een kleine stap. Ik ga op zoek naar wat echt belangrijk is.’ Die week erna nam hij een moedige stap: hij meldde zich aan voor een vrijwilligersproject dat niets met zijn carrière te maken had, maar alles met zijn hart. En daar, midden in iets nieuws en onbekends, ontdekte hij langzaam weer vreugde – niet in een eindbestemming, maar in de beweging zelf.
Zie je hoe Davids verhaal samenkomt met dat van Simon, Levi, en de anderen uit Lucas 5? Ook zij zaten vast in patronen, gevangen in het vertrouwde. Maar het keerpunt kwam toen ze durfden te luisteren naar die onverwachte stem die hen riep om dieper te gaan, verder te kijken, alles achter te laten en Jezus te volgen. Hun leven veranderde niet door zekerheden, maar door overgave. En dat is precies de uitnodiging van dit bijbelgedeelte aan ons: God roept ons niet om een oude mantel te verstellen, maar om ruimte te maken voor iets radicaal nieuws. Niet om vast te houden aan oude zakken, maar om open te staan voor de nieuwe wijn die Hij wil schenken.
Misschien voel jij je vandaag net als David, gevangen in een patroon dat je ooit zekerheid gaf, maar nu leeg aanvoelt. Of misschien voel je, net als Simon, de aarzeling: kan ik dit wel? Heeft het zin? Of zoals Levi, die zich afvraagt: ben ik wel de juiste persoon? Maar onthoud: Gods nieuwe werk begint vaak op het moment dat jij een klein ‘ja’ durft te geven. Daarom mag je deze boodschap meenemen als bemoediging: Gods roep klinkt niet alleen voor de besten, de sterksten of de zekersten. Hij roept juist de vermoeiden, de zoekenden, de twijfelaars – zoals jij en ik. Hij vraagt niet om perfectie, maar om openheid. Hij vraagt niet om zekerheden, maar om vertrouwen. En Hij belooft: als jij ruimte maakt voor het nieuwe, zal Hij je vullen met overvloed, met leven dat groter is dan je zelf had kunnen plannen.
Vergeet niet dat God altijd trouw is aan Zijn woord. Als Hij je roept, zal Hij je ook dragen. Zoals Paulus schrijft in Filippenzen 1:6: ‘Ik ben ervan overtuigd dat Hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voortzetten tot het voltooid is op de dag van Christus Jezus.’ Wat Hij begint, maakt Hij af. In jou. Met jou. Door jou. Ga daarom deze week in vertrouwen. Vertrouw dat God met je meegaat, ook als je het diepe water ingaat. Vertrouw dat Hij ruimte kan maken in jouw volle leven. En vertrouw dat Zijn nieuwe wijn – Zijn vreugde, Zijn genade – jouw hart zal vervullen, als jij bereid bent om het oude los te laten. Dus … wat is jouw eerste kleine ‘ja’?
Reflectievragen
- Wanneer heb jij voor het laatst het gevoel gehad dat je, net als Simon, werd uitgedaagd om iets te doen wat tegen je logica inging? Hoe reageerde je daarop?
- Wat houdt jou op dit moment misschien tegen om een nieuwe stap in geloof of in je leven te zetten? Is het angst, zekerheid, of iets anders?
- In welk gebied van je leven zou je, net als Levi, een uitnodiging van Jezus kunnen ontvangen om iets radicaal nieuws te beginnen?
- Heb je ooit ervaren dat God iets ouds in je leven doorbrak om ruimte te maken voor iets nieuws? Wat leerde je daaruit?
- Wat zou er veranderen als je, net als de vrienden van de verlamde man, met volharding zou zoeken naar een weg naar Jezus, ondanks obstakels en tegenstand?
Copyrights Marjolein Gommers





Reactie plaatsen
Reacties