Israël in Egypte onderdrukt (Exodus 1:1-22)

Inleiding

Maria (42) voelde haar hart bonzen terwijl ze de voordeur zachtjes achter zich sloot. Haar hand bleef even op de deurklink rusten. Ze luisterde. Boven hoorde ze niets. Misschien sliep hij. Misschien niet. Als hij wakker werd en ontdekte dat ze uit bed was, zou ze zichzelf moeten verantwoorden. ‘Wat deed je? Waar was je? Wie heb je gesproken?’ Altijd dat wantrouwen. Altijd die controle. 

     Op haar tenen liep ze naar de keuken. In het schijnsel van het nachtlampje zag ze de stapel theedoeken in de kast. Ergens daarachter lag het. Haar ontsnappingsroute. Haar paspoort, een paar briefjes van vijftig euro en een briefje met een telefoonnummer erop. De naam van een vrouwenopvang stond erboven. Haar vriendin Noor had het haar gegeven, samen met de woorden: ‘Maria, je hoeft dit niet te accepteren. Je bent niet gevangen.’ Maar zo voelde het wel. 

     Tien jaar geleden was haar leven anders. Ze was verliefd geweest op hem, had zich veilig gevoeld in zijn armen. Hij was attent, beschermend. Misschien een tikje jaloers, maar was dat niet juist een teken van liefde? Dat had ze zichzelf altijd voorgehouden. Tot bescherming veranderde in controle, liefde in angst. Eerst subtiel – opmerkingen over wat ze moest dragen, hoe ze zich moest gedragen. Later dwingender. ‘Dat trek je niet aan.’ ‘Ik wil niet dat je met haar omgaat.’ Tot ze op een dag een klap voelde in plaats van een snijdende opmerking. 

     Ze had hem vergeven. Het was eenmalig. Een uitbarsting. Maar het bleef niet bij die ene keer. De woede-uitbarstingen kwamen vaker. De woorden werden giftiger. En de pijn … die werd een routine waar ze zich in schikte. ‘Voor de kinderen,’ had ze tegen zichzelf gezegd. ‘Als ik voorzichtig ben, wordt het misschien beter.’

     Maar de kinderen zagen meer dan ze dacht. Haar dochter Sophie, zestien jaar, had haar een paar dagen geleden aangekeken met een blik die door haar masker heen sneed. ‘Mama, waarom blijf je?’ Ze had Maria’s hand gepakt en fluisterend gezegd: ‘Je hoeft hier niet te blijven.’ Die woorden achtervolgden haar nu, in deze donkere keuken, terwijl haar vingers de rand van het plastic mapje aanraakten. Dit was haar kans. Als ze nu ging, was er geen weg terug. Maar als ze bleef …? 

     Soms kom je op een punt waarop je moet kiezen. Niet de veilige keuze. Niet de gemakkelijke keuze. Maar de juiste. Maria wist: als ze bleef, zou er niets veranderen. Maar als ze ging, zou haar leven voorgoed anders zijn. In de Bijbel lezen we over twee vrouwen die voor een soortgelijke keuze stonden. Geen huwelijk, geen gezin, maar een systeem dat hen dwong te doen wat tegen hun geweten inging. Ze hadden kunnen zwijgen, kunnen meewerken, hun hoofd kunnen buigen uit angst. Maar ze deden het niet. Ze kozen voor moed. Wat hun keuze betekende – en wat wij daarvan kunnen leren – lezen we in Exodus 1:1-22.

Bijbeltekst (NBV21)

Exodus 1

Israël in Egypte onderdrukt

[1] Dit zijn de namen van de zonen van Israël die met hem, Jakob, naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin: [2] Ruben, Simeon, Levi, Juda, [3] Issachar, Zebulon, Benjamin, [4] Dan, Naftali, Gad en Aser. [5] In totaal waren daar toen zeventig personen die rechtstreeks van Jakob afstamden. Jozef was al langer in Egypte. [6] Jozef en zijn broers en al hun generatiegenoten stierven, [7] maar hun nakomelingen kregen veel kinderen en zo breidden de Israëlieten zich steeds meer uit. Ze werden zo talrijk dat ze het hele land bevolkten.

[8] Er kwam in Egypte een nieuwe koning aan de macht, die Jozef niet gekend had. [9] Hij zei tegen zijn volk: ‘De Israëlieten zijn te sterk voor ons en te talrijk. [10] Laten we verstandig handelen en voorkomen dat dit volk nog groter wordt. Want stel dat er oorlog uitbreekt en zij zich aansluiten bij onze vijanden, de strijd tegen ons aanbinden en uit het land wegtrekken!’ [11] Er werden slavendrijvers aangesteld die de Israëlieten tot zware arbeid dwongen. Ze moesten voor de farao de voorraadsteden Pitom en Raämses bouwen. [12] Maar hoe meer de Israëlieten onderdrukt werden, des te talrijker werden ze. Ze breidden zich zo sterk uit dat de Egyptenaren een afkeer van hen kregen. [13] Daarom beulden ze hen af [14] en maakten ze hun het leven ondraaglijk met zwaar werk: ze moesten stenen maken van klei en op het land werken, en ze werden voortdurend mishandeld.

[15] Bovendien gelastte de koning van Egypte de Hebreeuwse vroedvrouwen, Sifra en Pua geheten, het volgende: [16] ‘Als u de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, let dan goed op het geslacht van het kind. Als het een jongen is, moet u hem doden; is het een meisje, dan mag ze blijven leven.’ [17] Maar de vroedvrouwen hadden ontzag voor God en deden niet wat de koning van Egypte hun had opgedragen: ze lieten de jongetjes in leven. [18] Daarom ontbood de koning de vroedvrouwen. ‘Wat heeft dit te betekenen?’ vroeg hij hun. ‘Waarom laat u de jongens in leven?’ [19] De vroedvrouwen antwoordden de farao: ‘De Hebreeuwse vrouwen zijn anders dan de Egyptische: ze zijn zo sterk dat ze hun kind al gebaard hebben voordat de vroedvrouw er is.’ [20] God zegende het werk van de vroedvrouwen, zodat het volk zich sterk uitbreidde. [21] En omdat de vroedvrouwen ontzag voor God hadden, schonk Hij ook aan hen nakomelingen. [22] Toen gaf de farao aan heel zijn volk het bevel om alle jongens die geboren werden in de Nijl te gooien; de meisjes mochten in leven blijven.

 

© 2021 Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Exegetische uitleg

Nu we de bijbeltekst hebben gelezen, richten we ons op de exegetische uitleg van Exodus 1:1-22. In dit gedeelte analyseren we de tekst stap voor stap, waarbij we kijken naar de historische context, de opbouw en de betekenis van de gebeurtenissen. Deze uitleg helpt ons niet alleen om het bijbelgedeelte beter te begrijpen, maar vormt ook de basis voor het formuleren van de kernboodschap. Pas nadat we de tekst zorgvuldig hebben bestudeerd, kunnen we dieper ingaan op wat deze bijbelverzen vandaag voor ons betekenen.

 

Exodus 1:1-7. De groei van Israël in Egypte 

De eerste verzen van Exodus beginnen niet met de slavernij of de onderdrukking, maar met een herinnering. Een herinnering aan een familie die ooit als vreemdelingen in Egypte kwam, maar daar bescherming en overvloed vond. De namen van de twaalf zonen van Jakob worden één voor één genoemd: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar, Zebulon, Benjamin, Dan, Naftali, Gad en Aser. Dit is geen willekeurige opsomming. Deze namen vormen de fundamenten van het volk Israël. Wat ooit begon als een familie, is nu een volk in wording. Maar deze opsomming draagt een subtiele spanning in zich: Egypte, eens een plaats van redding, zal veranderen in een plaats van onderdrukking.

     Het getal zeventig dat in vers 5 genoemd wordt, is veelzeggend. Het verwijst naar de volledige groep directe nakomelingen van Jakob en symboliseert volledigheid. In Genesis 10 worden de volkeren van de wereld afgeleid van zeventig nakomelingen van Noach, en hier benadrukt het getal de volheid van Israël als een door God gevormd volk. Tegelijkertijd laat het zien hoe klein ze nog zijn op het moment van aankomst in Egypte. Dit maakt de overgang naar de volgende verzen des te schrijnender: deze zeventig zullen uitgroeien tot een volk dat door de Egyptenaren als bedreigend wordt gezien.

     Jozef wordt apart genoemd. Hij was de eerste van de familie die in Egypte terechtkwam en het was zijn invloed die Israël een plaats van bescherming bood. Zolang Jozef leefde, was er respect en dankbaarheid van de farao’s. Maar generaties gaan voorbij. Herinneringen vervagen. En wat ooit als een zegen werd beschouwd, wordt nu als een bedreiging gezien. Hier ligt een diepere boodschap in verborgen: menselijke waardering is vluchtig. Wat vandaag een geschenk lijkt, kan morgen als last worden ervaren.

     De explosieve groei van Israël wordt in vers 7 op een opvallende manier beschreven. ‘Hun nakomelingen kregen veel kinderen en zo breidden de Israëlieten zich steeds meer uit. Ze werden zo talrijk dat ze het hele land bevolkten.’ De Hebreeuwse woorden die hier gebruikt worden, zijn dezelfde als in Genesis 1:28, waar God de mens zegent met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk.’ Dit is geen toevallige keuze van woorden. De groei van Israël in Egypte is niet alleen een biologisch verschijnsel, maar een vervulling van Gods belofte aan Abraham (Genesis 22:17). De parallellen zijn treffend: Abraham werd beloofd dat zijn nakomelingen zo talrijk zouden zijn als de sterren aan de hemel en het zand aan de zee. Hier, in een vreemd land, midden in een situatie die later uitzichtloos zal lijken, begint die belofte werkelijkheid te worden.

     Dit is de ironie van Gods werk: zijn beloften komen vaak op onverwachte manieren en op onverwachte plaatsen tot vervulling. Wie zou verwachten dat Israël niet in Kanaän, maar in Egypte, in een vreemdelingenland, zou uitgroeien tot een groot volk? Wie zou denken dat een plek van toevlucht zou veranderen in een plek van onderdrukking? Dit patroon zien we vaker in de Bijbel: Eden was eerst een paradijs, maar werd door de zonde een plaats van ballingschap. Later zal Israël in Babylon gevangen worden gehouden, terwijl dat ooit een groot centrum van cultuur en beschaving was.

     Egypte zelf is een krachtig symbool in de Bijbel. Het staat voor macht, stabiliteit en voorspoed, maar ook voor onderdrukking en afgoderij. Israël komt niet zomaar in Egypte terecht. God gebruikt deze situatie om hen te vormen tot een volk. Maar Egypte zal ook een spiegel zijn: zal Israël, als het eenmaal bevrijd is, zich herinneren hoe het was om onderdrukt te worden? Of zullen ze later, wanneer ze hun eigen land hebben, net zo hard zijn voor vreemdelingen en zwakken?

     Hierin ligt een diepere les, ook voor ons. Gods werk is niet afhankelijk van menselijke omstandigheden. Zijn plannen gaan door, zelfs wanneer de wereld om ons heen verandert. Israël had Egypte nodig om te groeien, maar ze zullen Egypte ook moeten verlaten om echt Gods volk te worden. Soms bevinden wij ons ook in situaties die aanvankelijk goed leken, maar later beklemmend worden. De vraag is: herkennen we de tekenen? Zien we dat wat ooit een veilige haven was, nu een plek is waar we niet mogen blijven?

     Dit eerste stukje van Exodus is meer dan een historische inleiding. Het is een theologisch statement: God is trouw aan zijn beloften, maar zijn werk verloopt niet altijd zoals wij het verwachten. Israël groeit, maar niet in Kanaän. Gods plannen worden werkelijkheid, maar via een omweg. Dat is misschien wel de rode draad door de hele Bijbel heen: God werkt, zelfs in de kleinste details, en zijn belofte blijft overeind, zelfs als de omstandigheden ons laten twijfelen.

     Wat begon met zeventig mensen in een vreemd land, zal uitgroeien tot een volk dat Gods bevrijding zal ervaren. Maar eerst moet de duisternis komen, voordat het licht kan doorbreken.

 

Exodus 1:8-10. De dreiging van een nieuwe farao 

Met de komst van een nieuwe farao verandert alles. De Bijbel introduceert hem op een veelzeggende manier: ‘Er kwam in Egypte een nieuwe koning aan de macht, die Jozef niet gekend had.’ Dit lijkt op het eerste gezicht een neutrale opmerking, maar het zet de toon voor wat komen gaat. Deze farao kent Jozef niet – of hij wil hem niet kennen. De geschiedenis van Jozefs wijsheid, van zijn redding van Egypte, is uitgewist. En met die vergeten geschiedenis verdwijnt ook de dankbaarheid en bescherming voor de Israëlieten.

     Deze nieuwe farao is anoniem in de tekst. Zijn naam doet er niet toe. Dit is opvallend, want in de Egyptische geschiedenis waren koningsnamen van enorm belang. Maar in Gods verhaal is hij slechts een pion, een machthebber die tijdelijk de geschiedenis naar zijn hand denkt te zetten, terwijl hij in werkelijkheid slechts een rol speelt in Gods grotere plan. Jozef, de man die Egypte ooit redde, wordt wel met naam genoemd. Hierin ligt een subtiele boodschap: menselijke macht is vergankelijk, maar Gods werk blijft.

     De farao ziet de Israëlieten als een probleem en spreekt tot zijn volk: ‘De Israëlieten zijn te sterk voor ons en te talrijk.’ Dit is een opvallende uitspraak. Want hoe sterk waren ze werkelijk? Ze hadden geen leger, geen politieke invloed, geen machtspositie. Ze waren een volk van herders en handwerkslieden, vreemdelingen in een machtige natie. Maar angst heeft geen logica nodig. De farao vreest niet wat Israël is, maar wat het kan worden. Hun groei ziet hij als een bedreiging. In de oudheid werd macht vaak afgemeten aan aantallen: een groot volk betekende potentieel veel strijders, veel invloed, veel risico.

     Wat moet het voor de Israëlieten zelf betekend hebben om plotseling als vijand gezien te worden? Lange tijd hadden ze in vrede in Egypte gewoond. Hun vaders en moeders vertelden verhalen over hoe Jozef hen had gebracht naar het beste deel van het land. Maar nu, zonder dat ze iets hadden gedaan, waren ze ineens een bedreiging geworden. Deze verandering in de houding van Egypte moet een schok voor hen zijn geweest.

     De farao besluit dat er actie moet worden ondernomen. Hij zegt: ‘Laten we verstandig handelen en voorkomen dat dit volk nog groter wordt.’ De ironie druipt hier vanaf. De farao denkt slim te zijn, strategisch te handelen, maar zijn plannen zullen uiteindelijk mislukken. Hoe meer hij Israël onderdrukt, hoe sterker ze zullen worden. Dit is een patroon dat we vaker in de Bijbel zien: menselijke pogingen om Gods werk tegen te houden, leiden juist tot de verdere vervulling van Zijn plan.

     Wat is de angst van de farao? Hij zegt: ‘Want stel dat er oorlog uitbreekt en zij zich aansluiten bij onze vijanden, de strijd tegen ons aanbinden en uit het land wegtrekken!’ Hier komen we bij de kern van zijn zorgen. Hij ziet Israël als een vijfde colonne, een volk binnen zijn grenzen dat zich in tijden van crisis tegen Egypte zou kunnen keren. Dit is een klassieke strategie van machthebbers: angst voor de ander aanwakkeren om hun eigen positie te versterken.

     Maar de ironie is dat de Israëlieten nooit van plan waren om Egypte kwaad te doen. Ze waren vreemdelingen, geen vijanden. In feite was het juist Egypte dat hen tot vijanden maakte. Dit mechanisme zien we door de hele geschiedenis heen: groepen die eerst getolereerd worden, worden later tot probleem verklaard. Het begint vaak met woorden – en dat is precies wat hier gebeurt. Voordat er onderdrukking komt, wordt eerst de vijand gecreëerd.

     Hierin ligt een waarschuwende boodschap. Hoe vaak worden bepaalde groepen in een samenleving niet als probleem neergezet, terwijl ze in werkelijkheid niets anders willen dan in vrede leven? Hoe snel kan een politiek klimaat omslaan en kan angst de overhand nemen? Exodus laat ons zien hoe machtsbehoud en angst een samenleving kunnen vergiftigen.

     Tegelijkertijd wijst deze geschiedenis vooruit. De angst van de farao lijkt sterk op die van een andere koning in de Bijbel: Herodes. Net als de farao vreest hij voor de groei van iets dat hij niet kan beheersen. In Matteüs 2 hoort Herodes dat een koning geboren is – en in paniek besluit hij de pasgeboren jongetjes te doden. Dit patroon herhaalt zich: menselijke heersers proberen Gods plan te dwarsbomen, maar het is juist in deze dreiging dat God Zijn redding openbaart.

     De farao denkt de geschiedenis naar zijn hand te zetten, maar hij beseft niet dat hij slechts een radertje is in een groter verhaal. Zijn angst zal hem niet beschermen. Zijn plannen zullen niet slagen. Wat in deze verzen begint als een politiek besluit, zal leiden tot een keten van gebeurtenissen die uiteindelijk niet de Israëlieten, maar Egypte zelf in crisis zullen brengen.

     Deze verzen zijn meer dan een historische overgang. Ze zijn een illustratie van hoe macht werkt, hoe angst leidt tot onrecht en hoe menselijke plannen Gods werk niet kunnen stoppen. Dit is het begin van een conflict dat niet alleen tussen Egypte en Israël speelt, maar dat raakt aan een veel grotere strijd: die tussen menselijke controle en Gods verlossing. Maar één ding is zeker: hoe donker de dreiging ook wordt, het zal niet Egypte zijn dat aan het langste eind trekt.

 

Exodus 1:11-14. De onderdrukking en slavernij van Israël 

Wat begint met angst, eindigt in onderdrukking. De farao had Israël al als een bedreiging gezien, maar nu zet hij die gedachte om in daden. Deze verzen beschrijven hoe de farao een systeem van slavernij invoert om het volk klein te houden. De Israëlieten, ooit vreemdelingen in Egypte maar gerespecteerd vanwege Jozef, worden nu gereduceerd tot dwangarbeiders.

     Slavernij in de oudheid was meer dan een economisch systeem. Het was een manier om een volk volledig te beheersen. De farao stelt slavendrijvers aan die toezien op hun werk. Dit waren geen gewone opzichters, maar functionarissen die ervoor moesten zorgen dat het volk zich niet alleen fysiek, maar ook mentaal gebroken voelde. Ze worden gedwongen om voorraadsteden te bouwen: Pitom en Raämses. Deze steden waren bedoeld als strategische centra voor Egypte, gevuld met graanschuren en militaire voorraden.

     Dit is wrang als je bedenkt dat het ooit Jozef was die Egypte redde door voorraden aan te leggen. Nu moeten zijn nakomelingen opnieuw schuren en opslagplaatsen bouwen, maar niet meer uit vrije wil. Waar Israël ooit een zegen was voor Egypte, worden ze nu als last gezien.

     De tekst laat echter iets verrassends zien: ‘Maar hoe meer de Israëlieten onderdrukt werden, des te talrijker werden ze.’ Dit is een cruciaal element in het verhaal. Het plan van de farao werkt niet. Onderdrukking zou Israël zwakker moeten maken, maar het tegenovergestelde gebeurt. Dit is een patroon dat we door de hele Bijbel heen zien: menselijke machten proberen Gods werk te onderdrukken, maar juist in die beproevingen groeit Gods volk.

     Denk aan de vroege kerk, waar christenen werden vervolgd en toch in aantal bleven groeien. Denk aan Jezus, die door zijn kruisiging niet werd vernietigd, maar juist de wereld redde. Exodus laat hier al een geestelijke wet zien: macht gebaseerd op angst houdt nooit stand.

     De Egyptenaren raken gefrustreerd en hun houding wordt steeds grimmiger. ‘Ze breidden zich zo sterk uit dat de Egyptenaren een afkeer van hen kregen.’ Het woord dat hier gebruikt wordt, betekent letterlijk ‘walgen van’ of ‘met afschuw vervuld zijn’. Dit is geen rationele vijandschap meer; dit is haat die voortkomt uit angst en machteloosheid. De Egyptenaren voelen zich bedreigd door een volk dat niets verkeerd heeft gedaan.

     Dit is hoe onderdrukking vaak ontstaat. Het begint met een subtiele verandering: eerst is er ongemak, dan afgunst, vervolgens angst en uiteindelijk haat. We zien dit patroon door de geschiedenis heen. Minderheden die eerst als vreedzaam worden gezien, worden plots als bedreiging neergezet. De Israëlieten hebben niets misdaan, maar toch worden ze als gevaarlijk beschouwd.

     De farao geeft daarom de opdracht om het werk zwaarder te maken. ‘Daarom beulden ze hen af en maakten ze hun het leven ondraaglijk met zwaar werk: ze moesten stenen maken van klei en op het land werken, en ze werden voortdurend mishandeld.’ Dit is geen gewone arbeid meer, maar een systeem om een volk uit te putten en te breken.

     Het maken van bakstenen in Egypte was een intensief proces. Modder werd gemengd met stro, in vormen gegoten en in de zon gedroogd. Dit werk was zwaar, vooral in de hitte, en het werd alleen maar zwaarder naarmate de eisen van de Egyptenaren groeiden. In Exodus 5:6-9 zien we dat de situatie nog erger wordt: de Israëlieten krijgen geen stro meer en moeten het zelf zoeken, terwijl de productiedoelen hetzelfde blijven. Dit is slavernij in zijn puurste vorm – niet alleen om het werk dat verricht wordt, maar om de mensonterende behandeling die erbij komt kijken.

     En toch, ondanks alles, breekt Israël niet. De slavernij verzwakt hen niet, maar maakt hen uiteindelijk sterker. Dit is een voorafschaduwing van Gods grotere plan. De slavernij is nog niet voorbij, de bevrijding nog niet gekomen, maar de eerste tekenen zijn er al. De farao zal falen. Egypte zal niet winnen.

     Deze verzen laten zien hoe menselijke macht probeert te overheersen, maar dat ware kracht ergens anders ligt. Israël heeft geen wapens, geen politieke macht, geen vrijheid. En toch groeit het. Dit is een boodschap die door de hele Bijbel klinkt: onderdrukking is niet het einde. Tegenslag is niet het laatste woord. Waar mensen proberen te vernietigen, kan God laten groeien.

     Maar bevrijding komt niet altijd meteen. Soms moet het volk eerst door de beproeving heen voordat de uitweg zichtbaar wordt. De Israëlieten zijn nog niet vrij. De slavernij is nog niet voorbij. Maar de eerste barsten in de macht van Egypte zijn al zichtbaar. En dat is het begin van de weg naar vrijheid.

 

Exodus 1:15-16. Het bevel tot kindermoord 

De onderdrukking van de Israëlieten heeft gefaald. Hoe zwaarder hun werk werd, hoe sterker ze groeiden. Het plan van de farao om hen door slavernij te breken, heeft niet gewerkt. En dus grijpt hij naar een veel duisterder middel: genocide. In deze verzen neemt de geschiedenis een grimmige wending. De farao beveelt de Hebreeuwse vroedvrouwen om alle pasgeboren jongetjes te doden. Dit is geen indirecte onderdrukking meer; dit is een poging om een volk systematisch uit te roeien.

     De farao laat twee vroedvrouwen bij zich komen: Sifra en Pua. Dat hun namen bewaard zijn gebleven, is opmerkelijk. De farao zelf blijft naamloos in Exodus, terwijl deze vrouwen – eenvoudige vroedvrouwen – met naam en toenaam worden genoemd. Dit zegt iets over hoe God kijkt naar macht en belang. De geschiedenis onthoudt vaak de koningen en hun decreten, maar in Gods ogen zijn het juist deze eenvoudige vrouwen die helden worden.

     Vroedvrouwen speelden een cruciale rol in de oude wereld. Bevallen was een risicovolle gebeurtenis; er was geen medische zorg zoals wij die kennen. Vrouwen baarden thuis, vaak ondersteund door familie en een vroedvrouw die hielp bij de geboorte. De vroedvrouw was een vertrouwenspersoon. Ze kende de vrouwen in de gemeenschap, wist hoe hun eerdere bevallingen waren verlopen en was de eerste die een nieuw leven in de wereld verwelkomde. Het beroep van vroedvrouw werd vaak uitgeoefend door oudere vrouwen die geen eigen kinderen meer kregen en dus volledig gewijd waren aan deze taak.

     Dat de farao zich juist tot hen wendt, is veelzeggend. Dit is een sluwe zet. Hij had ook soldaten kunnen sturen om de baby’s te doden, maar dat zou opstand oproepen. Door de moorden via de vroedvrouwen te laten uitvoeren, hoopt hij de genocide stil en zonder ophef te laten plaatsvinden. Als de baby’s direct bij de geboorte sterven, lijkt het een natuurlijk overlijden. Niemand zal alarm slaan.

     Zijn bevel is gruwelijk in zijn eenvoud: ‘Als u de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, let dan goed op het geslacht van het kind. Als het een jongen is, moet u hem doden; is het een meisje, dan mag ze blijven leven.’

     Hierin zit een diepere strategie. Waarom alleen de jongetjes? Omdat in de oudheid macht werd geassocieerd met mannen. Een volk zonder mannen heeft geen toekomstige strijders, geen leiders, geen politieke kracht. De farao wil Israël niet per direct vernietigen, maar langzaam laten verdwijnen. De meisjes mogen blijven leven, omdat zij later kunnen opgaan in de Egyptische samenleving. Dit is geen brute massamoord zoals in latere oorlogen; dit is een uitgekiende, langzame genocide.

     Wat moet dit bevel met Sifra en Pua hebben gedaan? Hun werk draaide om nieuw leven. Ze hadden vrouwen door hun barensnood geholpen, baby’s in hun armen genomen en de eerste ademhaling van een kind begeleid. En nu werden ze opgeroepen om dat leven direct te beëindigen. Wat doe je als je de machtigste man van het land voor je hebt staan en hij geeft je een opdracht die tegen alles ingaat waar je voor staat?

     Hierin schuilt een diepere vraag: wat doe je als een wereldlijke leider iets van je vraagt dat ingaat tegen je geweten? Dit is niet de laatste keer in de Bijbel dat deze vraag wordt gesteld. Daniël zal later weigeren om het bevel van de koning te gehoorzamen en blijft bidden tot God (Daniël 6:11). De apostelen zullen in Handelingen zeggen: ‘Men moet God meer gehoorzamen dan mensen’ (Handelingen 5:29). Sifra en Pua staan hier voor diezelfde keuze: buigen voor de farao of buigen voor hun geweten.

     Deze gebeurtenis in Exodus wijst vooruit naar een ander duister moment in de geschiedenis: de kindermoord onder Herodes (Matteüs 2:16). Net als de farao voelt Herodes zich bedreigd door een groeiend volk en besluit hij alle jongetjes te doden. Beiden proberen hun macht te beschermen door het leven van kinderen te beëindigen. En in beide gevallen faalt het plan. Herodes kan de komst van Jezus niet stoppen en de farao zal ontdekken dat zijn bevel niet het gewenste effect heeft.

     Dit moment in Exodus is een keerpunt. Het laat zien hoe ver onderdrukking kan gaan wanneer macht niet wordt beperkt. Eerst dwangarbeid, dan haat en nu moord. Dit is hoe onderdrukking werkt: het begint subtiel, maar als het eenmaal voet aan de grond krijgt, gaat het steeds verder. Hoe vaak is dit patroon in de geschiedenis niet herhaald? Een groep wordt eerst als probleem neergezet, daarna worden maatregelen genomen om hen onder controle te houden en uiteindelijk volgt geweld.

     Toch is dit niet alleen een verhaal over macht en onderdrukking. Midden in de duisternis is er hoop. De farao denkt dat hij de controle heeft, maar hij zal ontdekken dat er iets is wat machtiger is dan een koninklijk bevel: de gewetens van mensen die weigeren te buigen voor onrecht. Sifra en Pua zullen hun keuze maken – en hun moed zal een eerste barst slaan in de macht van Egypte. Dit is nog maar het begin van Gods verlossing. De farao denkt dat hij Israël in zijn greep heeft, maar hij heeft geen idee tegen wie hij het werkelijk opneemt.

 

Exodus 1:17-19. De moed van de Hebreeuwse vroedvrouwen 

De vroedvrouwen staan voor een onmogelijke keuze. De farao heeft hen opgedragen om pasgeboren jongetjes te doden. Geen officiële wet, geen publieke executies, maar een stille genocide die in de intimiteit van een bevalling moet plaatsvinden. Dit is een moment van beslissende spanning: wie zullen zij gehoorzamen? De machtigste man van Egypte of de God die leven geeft?

     ‘Maar de vroedvrouwen hadden ontzag voor God en deden niet wat de koning van Egypte hun had opgedragen: ze lieten de jongetjes in leven.’ Het Hebreeuwse woord voor ‘ontzag’ betekent meer dan alleen angst. Het gaat om diep respect, om een erkenning van wie God is. De farao beschouwde zichzelf als een god, maar deze vrouwen wisten beter. Hun keuze is geen politieke daad, geen opstand tegen Egypte, maar een daad van geloof. Ze gehoorzamen niet omdat ze weten dat er een hogere wet is dan die van de farao.

     Wat moet dit voor hen betekend hebben? Vroedvrouwen in het oude Egypte waren geen machtige figuren. Ze stonden dichtbij het volk, waren onmisbaar bij geboortes, maar hadden geen politieke invloed. Toch kwamen zij nu in het middelpunt van de geschiedenis te staan. Elke geboorte werd een moment van spanning. Zou dit kind een jongen zijn? Zouden ze worden betrapt? Elke beslissing bracht risico met zich mee. Maar ze lieten zich niet verlammen door angst. Ze handelden naar hun geweten, met gevaar voor eigen leven.

     Lang blijven ze onopgemerkt, maar uiteindelijk valt het op dat de Israëlieten blijven groeien. De farao laat hen bij zich roepen. Dit moet een angstaanjagend moment zijn geweest. Een koning die gewend is dat zijn bevelen zonder vragen worden opgevolgd, kijkt hen nu dreigend aan. ‘Wat heeft dit te betekenen? Waarom laat u de jongens in leven?’ Zijn vraag is beschuldigend. Dit had niet mogen gebeuren.

     Hun antwoord is slim en ontwijkend: ‘De Hebreeuwse vrouwen zijn anders dan de Egyptische: ze zijn zo sterk dat ze hun kind al gebaard hebben voordat de vroedvrouw er is.’ Dit is een briljante zet. Ze spreken de farao niet tegen, maar geven een verklaring die moeilijk te controleren is. Ze schetsen het beeld van Hebreeuwse vrouwen die zó krachtig en vitaal zijn dat ze geen hulp nodig hebben bij de bevalling. Hiermee plaatsen ze het probleem buiten zichzelf. Niet zij zijn ongehoorzaam, maar de natuur zelf heeft hen ‘buitenspel’ gezet.

     Of hun verklaring waar is, weten we niet. Misschien was het deels waar – mogelijk waren Hebreeuwse vrouwen fysiek sterker door hun zware werk. Maar waarschijnlijker is dat de vroedvrouwen hier gebruik maken van de arrogantie en vooroordelen van de Egyptenaren. In veel oude culturen werden vreemdelingen als robuuster en minder verfijnd beschouwd dan de stedelijke elite. De farao herkent dit stereotype en accepteert hun verklaring.

     Dit moment laat een diep bijbels principe zien: verzet hoeft niet altijd luidruchtig te zijn. Soms is wijsheid de krachtigste vorm van weerstand. De vroedvrouwen hadden kunnen schreeuwen dat de farao ongelijk had. Ze hadden openlijk in opstand kunnen komen. Maar ze kiezen een subtielere weg. Dit is een patroon dat we later vaker in de Bijbel zien. Daniël zal weigeren te knielen voor een afgodsbeeld, maar doet dat stilletjes in zijn eigen kamer (Daniël 6). Jezus zelf zal in stilte voor Pilatus staan en niet terugslaan, maar juist door zijn zwijgen de macht van de Romeinse heerser ondermijnen.

     Wat de vroedvrouwen doen, is gevaarlijk. Maar het is ook een daad van geloof. Ze vertrouwen erop dat God hen zal beschermen. En hun actie is niet zonder gevolgen. Dit moment is een eerste breuk in de macht van Egypte. Terwijl de farao denkt dat hij alles onder controle heeft, wordt hier, in de stilte van een kraamkamer, de eerste stap gezet naar bevrijding.

     Dit patroon herhaalt zich in de hele Bijbel. Wereldse machten proberen Gods volk te onderdrukken, maar het is juist in die onderdrukking dat Gods plan zichtbaar wordt. De vroedvrouwen zijn de eerste schakels in een keten van verzet. Straks zal Mozes’ moeder haar zoon verbergen. Dan zal Mozes opstaan als leider. En uiteindelijk zal Egypte ontdekken dat niet de farao de touwtjes in handen heeft, maar de God van Israël.

     Dit moment wijst vooruit naar een nog grotere redding. Net als de farao zal Herodes proberen om babyjongens te doden (Matteüs 2:16). Net als de vroedvrouwen zullen Jozef en Maria een kind verbergen en redden. En net als bij de farao zal de macht van Herodes uiteindelijk falen.

     Deze verzen laten zien dat moed niet altijd betekent dat je met geweld in opstand komt. Soms betekent het dat je blijft staan, ondanks angst. Dat je vertrouwt op God, ondanks dreiging. De vroedvrouwen laten zien dat geloof niet alleen iets is voor grote leiders en profeten. Soms is het de keuze van eenvoudige mensen, in kleine daden van verzet, die de loop van de geschiedenis verandert. De farao denkt nog steeds dat hij de macht heeft, maar hij heeft geen idee dat de eerste barsten in zijn rijk al zichtbaar zijn.

 

Exodus 1:20-21. Gods zegen over de vroedvrouwen 

De vroedvrouwen hadden een gevaarlijke keuze gemaakt. Ze hadden geweigerd het bevel van de farao op te volgen en ze hadden daarmee hun eigen leven op het spel gezet. Maar in deze verzen zien we dat hun moed niet zonder gevolgen blijft. De tekst vertelt ons dat God hun daden zegende. Dit betekent niet alleen dat ze zelf beschermd worden, maar dat hun gehoorzaamheid een direct effect heeft op het hele volk. Israël groeit en wordt sterker.

     Dit is een ironische wending. De farao had juist geprobeerd om de groei van Israël te stoppen. Zijn plan was erop gericht om het volk te verzwakken door slavernij en genocide. Maar het tegenovergestelde gebeurt. Zijn bevel om de jongetjes te doden heeft gefaald en nu lezen we dat Israël juist sterker wordt. Dit is een patroon dat we in de hele Bijbel zien: hoe meer tegenstand er komt, hoe krachtiger Gods werk wordt.

     Dit doet denken aan de vroege kerk in Handelingen. Toen de eerste christenen werden vervolgd, verspreidde het evangelie zich alleen maar sneller. Of denk aan Jezus zelf: Zijn vijanden dachten dat ze Hem konden stoppen door Hem te doden, maar juist door Zijn dood bracht Hij redding aan de wereld. Exodus 1 laat dit principe al zien. De farao is machtig, maar hij is niet de echte regisseur van de geschiedenis. God leidt het verhaal en Zijn plannen laten zich niet dwarsbomen.

     Maar er is meer. De vroedvrouwen ontvangen een persoonlijke zegen: ‘En omdat de vroedvrouwen ontzag voor God hadden, schonk Hij ook aan hen nakomelingen.’ Dit detail is veelzeggend. In het oude Midden-Oosten was vruchtbaarheid een van de belangrijkste tekenen van Gods gunst. Het krijgen van kinderen werd gezien als een zegen en een bevestiging van iemands plaats in de gemeenschap. Dit was nog sterker bij vrouwen, omdat hun status vaak verbonden was aan hun vermogen om kinderen voort te brengen.

     Dat juist vroedvrouwen deze beloning krijgen, is opmerkelijk. In veel culturen werden vroedvrouwen gezien als vrouwen die zelf geen kinderen (meer) konden krijgen. Ze waren vaak ouder en dienden de gemeenschap door anderen te helpen bij de geboorte. Het feit dat God hen juist beloont met nakomelingen, onderstreept dat hun trouw niet onopgemerkt blijft. Zij hebben leven beschermd en nu schenkt God hen zelf leven.

     Dit is een scherp contrast met de farao. Hij dacht dat hij met zijn decreten de toekomst kon bepalen. Hij dacht dat hij controle had over het leven en de dood. Maar aan het einde van dit hoofdstuk zien we dat hij juist niets in handen heeft. Zijn plannen falen. Hij wilde Israël zwakker maken, maar ze groeien. Hij wilde hun nageslacht verminderen, maar de vroedvrouwen krijgen zelf kinderen. Dit is een patroon dat we in de Bijbel vaker zien. De trotse machthebbers worden vernederd, terwijl de nederigen worden verhoogd. Jezus zegt het zo: ‘Wie zichzelf verhoogt, zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd’ (Matteüs 23:12).

     Dit moment in Exodus is geen toevallige episode. Het is een eerste barst in de macht van Egypte. De vroedvrouwen zijn de eersten die laten zien dat de farao niet onverslaanbaar is. Hun gehoorzaamheid is een teken dat de slavernij niet het laatste woord heeft. Dit zal straks verder gaan met Mozes’ moeder, die haar zoon verbergt. Dan zal Mozes zelf opstaan om het volk te bevrijden. Wat begint met deze twee vrouwen, zal uiteindelijk leiden tot de grote uittocht.

     Dit alles wijst vooruit naar een nog grotere bevrijding. Net als de farao zal Herodes proberen om babyjongens te doden, bang voor een macht die hij niet kan beheersen (Matteüs 2:16). Net als de vroedvrouwen zal Jozef zijn zoon redden door hem te verbergen en naar Egypte te vluchten. En net als bij de farao zal de macht van Herodes uiteindelijk falen. De kindermoord in Betlehem kon Jezus’ komst niet stoppen, net zoals het bevel van de farao het volk van Israël niet kon tegenhouden.

     Wat deze verzen ons leren, is dat geloofsmoed niet zonder gevolgen blijft. De vroedvrouwen hadden geen wapens, geen leger, geen politieke macht. Maar ze hadden iets veel sterkers: vertrouwen in God. En dat was genoeg om de machtigste man van Egypte te weerstaan. Hun verhaal is een herinnering dat echte kracht niet zit in status of macht, maar in gehoorzaamheid aan God.

     Wat betekent dit voor ons? Hoe vaak voelen wij ons niet klein en machteloos tegenover de grote structuren van deze wereld? Hoe vaak lijkt het alsof kwaad onoverwinnelijk is? Maar deze tekst laat zien dat één daad van gehoorzaamheid een verschil kan maken. De vroedvrouwen deden niets spectaculairs in menselijke ogen. Ze vochten geen veldslagen, ze gaven geen grote toespraken. Ze deden gewoon hun werk – maar ze deden het trouw en ze kozen ervoor om het goede te doen, zelfs met gevaar voor eigen leven.

     De vroedvrouwen dachten misschien dat hun daden klein waren. Maar in Gods ogen waren ze groot. En uiteindelijk bleek dat niet de farao, maar deze twee vrouwen de loop van de geschiedenis veranderden. Dit is de eerste stap naar bevrijding. En het begon met twee vrouwen die weigerden te buigen voor onrecht. Hun verhaal is een herinnering dat geloof en moed altijd vrucht dragen – zelfs wanneer alles tegen lijkt te zitten.

 

Exodus 1:22. Het bevel tot grootschalige moord op de pasgeboren jongens

De farao is vastbesloten. Zijn pogingen om de groei van Israël te stoppen zijn mislukt. De slavernij heeft het volk niet gebroken. De vroedvrouwen hebben zijn bevel genegeerd. En nu neemt hij een volgende, gruwelijke stap: ‘Toen gaf de farao aan heel zijn volk het bevel om alle jongens die geboren werden in de Nijl te gooien; de meisjes mochten in leven blijven.’

     Dit is een keerpunt in het verhaal. De farao schakelt nu niet alleen zijn regering of het leger in, maar heel Egypte wordt medeplichtig aan de moord op Hebreeuwse kinderen. Dit is een slimme zet. Door de verantwoordelijkheid te verleggen van de overheid naar het volk, maakt hij het geweld een collectieve norm. Dit is een tactiek die we door de geschiedenis heen vaker zien: als een hele samenleving wordt betrokken bij onderdrukking, wordt verzet moeilijker. Wie durft er nog nee te zeggen als iedereen meedoet? 

     Maar hoe reageerden de Egyptenaren op dit bevel? De tekst zwijgt daarover. Dit kan twee dingen betekenen: of het bevel werd zonder problemen uitgevoerd of er was weerstand, maar die wordt niet expliciet genoemd. Waren er Egyptische gezinnen die weigerden? Werden baby’s misschien in het geheim gespaard? Dit zijn vragen waar we geen definitief antwoord op krijgen, maar die ons laten nadenken over de morele dilemma’s die mensen in die tijd moeten hebben gehad. 

     Dit bevel is niet alleen gruwelijk, maar ook symbolisch. De Nijl was het hart van Egypte. Zonder deze rivier was leven onmogelijk. Egypte was volledig afhankelijk van de jaarlijkse overstromingen, die vruchtbaarheid brachten en de landbouw mogelijk maakten. De Nijl werd ook religieus vereerd: de god Hapi werd gezien als de beschermer van de rivier en farao’s beweerden de Nijl onder controle te hebben. En nu moest deze rivier, die normaal leven gaf, gevuld worden met dode baby’s. Dit laat zien hoe ver de farao is gegaan in zijn angst. Hij offert zelfs de heiligheid van zijn eigen cultuur op om zijn macht te behouden.

     Maar juist in deze rivier begint Gods redding. Mozes zal in dit water worden gelegd en op wonderlijke wijze worden gered. De moeder van Mozes gehoorzaamt op een bepaalde manier zelfs het bevel van de farao: ze legt haar zoon in de Nijl. Maar in plaats van een graf wordt de Nijl een weg naar bevrijding. Dit is een typisch patroon in de Bijbel: wat bedoeld is voor kwaad, wordt door God omgekeerd tot redding. 

     Dit patroon zien we ook verder in Exodus. Het water dat nu Hebreeuwse baby’s opslokt, zal later de Egyptenaren verzwelgen. Wanneer Israël door de Rietzee trekt en het leger van de farao hen achtervolgt, zal het water opnieuw een oordeel brengen – maar dit keer niet over de onschuldigen, maar over hun onderdrukkers (Exodus 14:28). De macht van Egypte zal uiteindelijk niet standhouden. 

     Deze gebeurtenis wijst ook vooruit naar een ander moment in de Bijbel: de kindermoord onder Herodes. Net als de farao probeert Herodes zijn macht te beschermen door kinderen te laten doden (Matteüs 2:16). En net als in Exodus faalt dat plan. Jezus wordt gered, net zoals Mozes werd gered. Beide kinderen groeien op om later een volk te bevrijden: Mozes uit fysieke slavernij, Jezus uit de slavernij van de zonde. 

     Maar laten we niet vergeten hoe dit bevel moet hebben gevoeld voor de Israëlieten. De angst en het verdriet die dit met zich meebracht, moeten ondraaglijk zijn geweest. Ouders die hun pasgeboren zonen zagen verdwijnen, kinderen die in stilte werden geboren in de hoop dat niemand hen zou horen. Dit bevel was niet alleen een fysieke aanval op Israël, maar ook een psychologische aanval. Het vernietigde hoop. 

     En toch ... ondanks al deze angst en ellende, heeft de farao de toekomst van Israël niet in handen. Hij kan decreten uitvaardigen, hij kan moorden, hij kan onderdrukken – maar uiteindelijk is hij niet degene die de loop van de geschiedenis bepaalt. Dit hoofdstuk eindigt op een dieptepunt, maar het is ook het begin van een reddingsverhaal dat Egypte zal doen beven.

     Wat betekent dit voor ons? Soms lijkt het alsof onrecht het laatste woord heeft. Soms voelt het alsof het kwaad onoverwinnelijk is. Maar zelfs in de donkerste momenten is God al bezig  met bevrijding. We zien het nog niet, maar Hij is al aan het werk. Terwijl de farao denkt dat hij de geschiedenis schrijft, is God bezig Zijn reddingsplan in beweging te zetten. 

     De Nijl moest een graf worden, maar werd een plaats van redding. Het decreet van de farao moest Israël vernietigen, maar leidde uiteindelijk tot hun bevrijding. Dit is de kracht van Gods plan: menselijke macht kan het niet stoppen. En dat is iets waar wij ook vandaag op mogen vertrouwen.

Kernboodschap

De kernboodschap van Exodus 1:1-22 is:  menselijke macht probeert Gods plannen te dwarsbomen, maar juist in de duisternis groeien de eerste tekenen van bevrijding. Waar onderdrukking toeneemt, werkt God aan een onverwachte omkering – niet via koningen en legers, maar door moedige daden van ogenschijnlijk kleine mensen die weigeren te buigen voor angst.

     De geschiedenis die in dit bijbelgedeelte wordt beschreven, is er een van schijnbare macht en onderdrukking, maar ook van een stille, verborgen tegenbeweging die uiteindelijk de loop van de geschiedenis zal veranderen. De farao lijkt alles onder controle te hebben. Hij ziet de Israëlieten groeien en ervaart dit als een bedreiging. Uit angst en machtsdrang zet hij een reeks onderdrukkingsmaatregelen in: eerst dwangarbeid, dan een verborgen genocide via de vroedvrouwen en uiteindelijk een openlijk bevel tot massamoord. Elk van deze stappen is een poging om Gods zegen over Israël te blokkeren. Maar wat de farao niet doorheeft, is dat onderdrukking nooit het laatste woord heeft wanneer God aan het werk is. 

     Het patroon dat hier zichtbaar wordt, is een belangrijk bijbels principe: menselijke macht probeert Gods plannen te dwarsbomen, maar slaagt daar nooit in. In plaats van het volk te verzwakken, groeit Israël juist. In plaats van de vroedvrouwen tot medeplichtigheid te dwingen, komen zij in verzet. In plaats van dat de Nijl een graf wordt, zal het later de plaats van redding zijn voor Mozes. Het machtsspel dat de farao denkt te spelen, loopt anders dan hij had voorzien. Zijn pogingen om controle te houden, zetten juist een keten van gebeurtenissen in gang die uiteindelijk tot Israëls bevrijding zullen leiden. 

     Wat opvalt in dit bijbelgedeelte, is dat Gods ingrijpen nog niet direct zichtbaar is. Er is nog geen brandende braamstruik, geen machtige leider die opstaat, geen plagen die de farao op de knieën dwingen. En toch is Gods werk al begonnen. Niet in grootse tekenen, maar in de stille moed van vroedvrouwen die weigeren te doden, in de groei van een onderdrukt volk dat ondanks alles blijft leven. Dit is hoe bevrijding vaak begint: niet met donder en bliksem, maar met kleine, dappere daden van mensen die weigeren zich neer te leggen bij onrecht. 

     Dit patroon zien we overal in de Bijbel. Denk aan Jozef, die door zijn broers verkocht werd, maar juist daardoor Egypte redde van hongersnood. Denk aan Jezus, die door zijn vijanden aan het kruis werd gebracht, maar juist door dat kruis de wereld redde. Wat door mensen bedoeld is als vernietiging, keert God om tot bevrijding. Dit is een diepgaand principe dat de manier waarop we naar macht en onderdrukking kijken, volledig omdraait.

     We leven in een wereld waarin macht en controle nog steeds centraal staan. Overheden, systemen en structuren proberen hun invloed te behouden, vaak ten koste van mensen die kwetsbaar zijn. Soms voelen we ons machteloos tegenover de krachten die ons leven beïnvloeden: politieke beslissingen, economische ongelijkheid, sociale druk. Net als de Israëlieten kunnen we in situaties belanden waarin we gevangen lijken te zitten, waarin het voelt alsof we speelballen zijn van machten die veel groter zijn dan wij.

     Dit bijbelgedeelte herinnert ons eraan dat menselijke macht nooit absoluut is. Hoe sterk onderdrukking ook lijkt, hoe uitzichtloos een situatie ook aanvoelt, er is altijd een tegenbeweging gaande. Soms zichtbaar, vaak verborgen. Soms groots, vaak in kleine, stille daden van verzet. Dit bijbelgedeelte daagt ons uit om anders naar macht en zwakte te kijken. Waar de wereld macht definieert als controle en onderdrukking, laat Exodus zien dat echte kracht zich vaak uit in onzichtbaar verzet, in trouw blijven aan het goede, zelfs als dat gevaarlijk is.

     Dit betekent ook dat wij niet altijd hoeven te wachten op een ‘Mozes’-figuur in ons leven – iemand die ons komt redden en de situatie oplost. Soms begint verandering bij kleine keuzes: de keuze om niet mee te gaan in een systeem van onderdrukking, om niet toe te geven aan angst, om ons niet te laten verlammen door machteloosheid. De vroedvrouwen in dit verhaal hadden geen wapens, geen status, geen invloed aan het hof. En toch maakten zij een verschil.

     Tegelijkertijd stelt dit bijbelgedeelte ons ook een scherpe vraag: waar bevinden wij ons in dit verhaal? Zijn we, bewust of onbewust, deel van een systeem dat anderen onderdrukt? Sluiten we onze ogen voor onrecht? Of kiezen we ervoor om, hoe klein ook, onderdeel te zijn van de tegenbeweging die Gods gerechtigheid zichtbaar maakt? 

     Exodus 1:1-22 is een herinnering dat bevrijding vaak begint op onverwachte plaatsen en manieren. Het is een uitnodiging om niet alleen te kijken naar wat er op het wereldtoneel gebeurt, maar om te zien waar in het klein Gods omkering al bezig is. Want waar menselijke macht probeert te overheersen, begint Gods werk vaak in het verborgen – en groeit het uit tot iets dat geen enkel systeem kan tegenhouden.

Theologische reflectie

Na de uitgebreide exegetische uitleg en de formulering van de kernboodschap richten we ons nu op de theologische reflectie. Dit onderdeel dient om de diepere spirituele en theologische betekenis van Exodus 1:1-22 te verkennen. Het doel is niet alleen om te begrijpen wat deze tekst ons vertelt over de historische situatie van Israël in Egypte, maar vooral om de grotere geestelijke en geloofsmatige implicaties ervan te ontdekken. Hoe openbaart dit bijbelgedeelte het karakter van God? Hoe verwijst het naar Christus? Wat betekent het voor ons leven als gelovigen? En welke bredere bijbelse thema’s worden hier zichtbaar? Door deze vragen te onderzoeken, ontdekken we dat dit bijbelgedeelte niet slechts een oud verhaal over onderdrukking en bevrijding is, maar een diepgaand getuigenis over Gods manier van werken in de wereld.*

 

Het karakter van God

In Exodus 1:1-22 lijkt het alsof God afwezig is. Zijn naam wordt nauwelijks genoemd en de gebeurtenissen lijken gedreven te worden door de grillen van de farao. Toch is dat slechts schijn. Achter de schermen werkt God al aan Zijn plan. Dit laat iets essentieels zien over het karakter van God: Hij is soeverein, zelfs wanneer Zijn aanwezigheid niet direct zichtbaar is.

     De farao denkt de controle te hebben over de Israëlieten, maar ironisch genoeg werkt zijn onderdrukking averechts: hoe harder hij Israël onderdrukt, hoe sterker het volk wordt. Dit is een patroon dat we vaker in de Bijbel zien: menselijke macht lijkt even de overhand te hebben, maar uiteindelijk wordt Gods plan niet verstoord. Dit bevestigt dat God niet reageert op menselijke gebeurtenissen, maar dat menselijke machten zich onbewust voegen in Gods grotere plan.

     Daarnaast openbaart dit bijbelgedeelte Gods gerechtigheid en trouw. Hij had aan Abraham beloofd dat zijn nakomelingen talrijk zouden worden (Genesis 15:5). Zelfs in slavernij vervult God die belofte. Dit leert ons dat Gods beloften niet afhankelijk zijn van gunstige omstandigheden. Hij is trouw, zelfs als alles om ons heen zegt dat Hij ons vergeten lijkt te zijn. 

     Tegelijkertijd zien we in dit hoofdstuk Gods liefde en zorg voor hen die geen macht hebben. De farao wordt in dit bijbelgedeelte niet bij naam genoemd, terwijl de vroedvrouwen Sifra en Pua wél bij naam worden genoemd. Dit lijkt een klein detail, maar is theologisch gezien diep betekenisvol. In Gods ogen zijn machtige heersers slechts voetnoten in de geschiedenis, terwijl de eenvoudige, trouwe mensen die doen wat goed is, worden geëerd en gezegend. 

     God is niet enkel betrokken bij de grote gebeurtenissen in de wereld, maar ook bij de daden van individuen. Sifra en Pua ontvangen persoonlijk Gods zegen. Dit laat zien dat God zich niet alleen ontfermt over Zijn volk als geheel, maar ook over mensen die in hun dagelijkse leven trouw blijven aan het goede.

 

De verwijzing naar Christus

Exodus 1:1-22 vormt de opmaat naar de geboorte van Mozes, de leider die Israël uiteindelijk zal bevrijden uit de slavernij. In Mozes zien we al een voorafschaduwing van Jezus Christus. Net zoals Mozes in de Nijl werd gelegd en op wonderlijke wijze werd gered om later zijn volk te verlossen, zo ontsnapte Jezus als baby aan de kindermoord onder Herodes en zou Hij later de ultieme bevrijder worden (Matteüs 2:16-18). 

     De parallellen gaan echter verder. De farao probeerde de mannelijke kinderen van Israël uit te roeien om zijn macht te beschermen, net zoals Herodes later alle jongetjes in Betlehem liet doden uit angst voor een koninklijke rivaal. Beide heersers dachten hun koninkrijk te kunnen beschermen door geweld, maar in beide gevallen leidde hun gruwelijke daad juist tot de komst van een grotere verlosser. Waar menselijke machthebbers hun macht proberen te behouden door leven te vernietigen, brengt God bevrijding door leven te geven.

     Daarnaast kunnen we de onderdrukking van Israël in Egypte zien als een voorafschaduwing van de slavernij van de zonde. Israël kon zichzelf niet bevrijden; het volk had een redder nodig. Op dezelfde manier is de mensheid gevangen in de macht van de zonde en kan zij zichzelf niet verlossen. Mozes werd gestuurd om Israël uit Egypte te leiden; Jezus werd gezonden om ons uit de slavernij van de zonde te leiden. In Hem vindt de ultieme bevrijding plaats. 

 

Relevantie voor ons geloofsleven

Exodus 1:1-22 raakt aan een diepe existentiële vraag: waar is God wanneer alles tegen lijkt te zitten? De Israëlieten konden zich machteloos voelen tegenover de onderdrukking van de farao. En wij voelen ons soms ook gevangen in situaties die we niet kunnen veranderen. Dit bijbelgedeelte herinnert ons eraan dat Gods afwezigheid slechts een illusie is. Ook als wij Hem niet zien werken, is Hij bezig met iets dat uiteindelijk tot redding leidt. 

     Daarnaast daagt dit bijbelgedeelte ons uit om na te denken over moed en geloof in moeilijke tijden. De vroedvrouwen Sifra en Pua kiezen ervoor om het bevel van de farao te negeren. Zij nemen een risico door Gods wetten boven de wetten van de farao te plaatsen. Dit roept de vraag op: durven wij stand te houden als het erop aankomt? Durven we ons geloof te laten bepalen door trouw aan Gods principes, zelfs als dat betekent dat we tegen de stroom in moeten gaan? 

     Verder laat Exodus 1 ons zien dat God vaak werkt door kleine, onbeduidende mensen. Sifra en Pua zijn geen profeten, koningen of leiders. Ze zijn gewone vrouwen met een gewone taak. En toch gebruikt God hen als schakels in Zijn grote bevrijdingsplan. Dit betekent dat ook onze ‘kleine’ keuzes en daden impact kunnen hebben in Gods koninkrijk.

 

Verband met andere bijbelteksten

Exodus 1:1-22 past in een breder bijbels patroon waarin God telkens weer bevrijding brengt waar onderdrukking heerst. In Genesis 50:20 spreekt Jozef tot zijn broers: ‘Jullie hadden kwaad tegen mij in de zin, maar God heeft dat ten goede gekeerd.’ Dit principe zien we terug in dit bijbelgedeelte, waar het kwaad van de farao uiteindelijk leidt tot Gods goedheid en bevrijding. Een ander krachtig tegenbeeld vinden we in Exodus 14:28, waar de wateren van de Rietzee, waarin de Egyptische soldaten verdrinken, een omkering vormen van de Nijl, waarin de Israëlitische jongetjes moesten sterven. Wat bedoeld was als vernietiging, keert zich uiteindelijk tegen de onderdrukkers. 

     Deze lijn zet zich voort in Jesaja 43:1-2, waar God belooft dat Hij Zijn volk door het water en het vuur heen zal leiden. Israël moest door de verdrukkingen van Egypte heen om uiteindelijk in de vrijheid te komen. Dit patroon van lijden en bevrijding vindt zijn diepste vervulling in de woorden van Jezus in Johannes 16:33: ‘Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld, maar houd moed: Ik heb de wereld overwonnen.’ Exodus 1:1-22 onderstreept deze waarheid: onderdrukking is nooit het einde van Gods verhaal, want Hij werkt zelfs in de donkerste momenten aan verlossing.

 

Andere relevante theologische thema’s

Een belangrijk thema in Exodus 1:1-22 is Gods omkering van menselijke macht. De farao dacht de controle te hebben, maar uiteindelijk werd zijn plan tegen hem gekeerd. Dit patroon zien we vaker in de Bijbel: de trotsen worden vernederd en de nederigen verhoogd (Lukas 1:52).

     Een ander thema in dit bijbelgedeelte is het belang van geloofsmoed. Sifra en Pua laten zien dat gehoorzaamheid aan God belangrijker is dan gehoorzaamheid aan mensen (Handelingen 5:29). Hun daden leren ons dat geloof niet alleen een innerlijke overtuiging is, maar ook tot actie moet leiden. 

     Een laatste thema in dit bijbelgedeelte is dat Gods plan van redding in het klein begint. Mozes’ redding begint niet met een wonder, maar met de kleine, moedige daden van twee vroedvrouwen. Dit sluit aan bij hoe God altijd werkt: Hij kiest het kleine en onbeduidende om het machtige te beschamen (1 Korintiërs 1:27). 

 

Exodus 1:1-22 is meer dan een historisch verslag. Het is een spiegel waarin we Gods karakter, Christus’ verlossingswerk en onze eigen roeping kunnen herkennen. Het laat ons zien dat Gods plan altijd doorgaat, hoe groot de tegenstand ook lijkt.

Praktische toepassing

Exodus 1:1-22 laat zien hoe menselijke macht probeert Gods plannen te dwarsbomen, maar dat juist in de duisternis de eerste tekenen van bevrijding zichtbaar worden. Waar onderdrukking groeit, werkt God aan een onverwachte omkering – niet via koningen en legers, maar door moedige daden van gewone mensen die weigeren te buigen voor angst. Dit is geen abstracte waarheid, maar een realiteit die direct raakt aan ons dagelijks leven. We leven in een wereld waarin controle, angst en machtsstructuren ons beïnvloeden, zowel op grote schaal als in persoonlijke situaties. Dit bijbelgedeelte daagt ons uit om anders naar macht te kijken en te ontdekken hoe wij – net als de vroedvrouwen – een rol kunnen spelen in Gods tegenbeweging. Hieronder volgen vier richtlijnen die ons helpen om geloof zichtbaar te maken in daden, zowel binnen als buiten de kerk.

 

  1. Wees een ‘stille verzetsstrijder’ in een wereld die mensen tot nummers reduceert.

De farao zag de Israëlieten niet meer als mensen, maar als een ‘probleem’ dat opgelost moest worden. Dit is hoe onrecht vaak begint: door mensen te reduceren tot statistieken, categorieën of anonieme groepen. Dit gebeurt nog steeds, zowel in politieke systemen als in alledaagse situaties. Denk aan vluchtelingen die niet als individuen worden gezien, maar als een ‘crisis’. Of werknemers die slechts ‘productiviteitseenheden’ zijn in een bedrijf. Exodus 1:1-22 roept ons op om mensen te blijven zien zoals God hen ziet: als waardevolle individuen. Dit begint klein. Gebruik namen in plaats van functietitels of labels. Neem tijd voor een gesprek met iemand die vaak over het hoofd wordt gezien. Onderbreek de automatisering van onrecht door bewust te leven: stel vragen over de herkomst van producten, het gebruik van technologie en de impact van jouw keuzes. Tegelijkertijd daagt Exodus 1 ons uit om niet te handelen vanuit angst. De farao hield het volk in slavernij door hen te laten geloven dat ze geen keuze hadden. Maar de vroedvrouwen bewezen het tegendeel. Hoe vaak laten wij ons leiden door angst voor verlies – van zekerheid, werk, status? Wat zou er gebeuren als we besluiten om niet te handelen vanuit angst, maar vanuit vertrouwen? 

 

  1. Begin klein: goed doen hoeft niet zichtbaar te zijn.

De vroedvrouwen Sifra en Pua stonden niet op een podium, hielden geen toespraken en begonnen geen revolutie. Toch veranderden ze de geschiedenis door één eenvoudige daad: ze weigerden te doden. Dit laat zien dat grote veranderingen niet altijd beginnen bij grootse daden, maar in het kleine en verborgene. In een tijd waarin alles draait om zichtbaarheid en impact, is dit een krachtig tegengeluid. Goed doen is niet afhankelijk van aandacht of erkenning. Dit betekent dat geloof niet alleen zichtbaar wordt in kerken of grote organisaties, maar ook in de kleinste handelingen van liefde en rechtvaardigheid. Misschien betekent dit dat je anoniem iets goeds doet voor een ander, dat je bewust luistert naar iemand zonder er iets voor terug te verwachten of dat je bidt voor mensen zonder dat zij het weten. Waar sta jij nu? En hoe kun jij daar, zonder grootse gebaren, een verschil maken? 

 

  1. Bouw aan een gemeenschap van geloof en rechtvaardigheid.

Israël groeide ondanks onderdrukking, omdat ze samenhielden. Ze werden sterker, niet alleen door hun aantal, maar door hun onderlinge verbondenheid. Dit is een krachtige boodschap, zowel voor wie actief is in een kerk als voor wie zoekt naar een andere manier van geloofsbeleving. Gemeenschap hoeft niet altijd formeel of institutioneel te zijn. Misschien is de vorm die bij jou past veel informeler en persoonlijker. Begin met kleine geloofsgemeenschappen: een maaltijd met anderen waarin je over geloof en leven spreekt, een vaste wandelafspraak waarin je samen bidt of reflecteert of een gedeelde discipline van bijbellezen met iemand die je vertrouwt. Of je nu in een kerk zit of niet, God roept ons om samen onderweg te zijn. Hoe kun jij een plek creëren waar geloof wordt gedeeld, hoop wordt versterkt en gerechtigheid wordt nageleefd? 

 

  1. Zie het onrecht en kies een kant.

De vroedvrouwen in Exodus 1:1-22 hadden kunnen zeggen: ‘We doen gewoon ons werk. Dit zijn de regels. We kunnen er niets aan veranderen.’ Maar ze kozen ervoor om niet neutraal te blijven. Dit laat zien dat geloof altijd een keuze is. Niet kiezen is ook kiezen. Ook wij leven in een wereld vol onrecht. Dat kan overweldigend voelen, maar we kunnen wél besluiten om ergens verschil te maken. Kies één vorm van onrecht waar jij je actief tegen wilt verzetten. Misschien gaat dat over sociale ongelijkheid, moderne slavernij, vluchtelingenproblematiek of iets anders wat jouw hart raakt. Vraag jezelf af: waar kan ik in mijn omgeving een verschil maken? Soms is dat op kleine schaal: door ethische keuzes te maken in je werk, door te kiezen voor eerlijke producten of door iemand te steunen die zich uitspreekt tegen onrecht. De vroedvrouwen veranderden de wereld niet door grootschalige acties, maar door één kleine daad van verzet. Wat is jouw kleine daad? 

 

Exodus 1:1-22 leert dat echte verandering niet begint bij koningen, politici of religieuze leiders, maar bij gewone mensen die weigeren zich neer te leggen bij onrecht. Je hoeft geen groot geloof te hebben om impact te maken. Je hoeft geen kerkgebouw om in Gods koninkrijk te werken. Je hoeft alleen maar trouw te zijn aan wat goed is – en dat begint vaak in het klein. 

Afsluiting

Laten we nog even terugkeren naar de inleiding. Maria zat op het bankje bij de bushalte, haar tas stevig tegen zich aangedrukt. Het was een koude ochtend, nog donker en de straat was stil. De kinderen waren veilig. Zij waren gaan ‘logeren’ bij vrienden. Nu vertrok ze zelf, definitief. De bus zou komen. Haar telefoon trilde in haar jaszak – Noor. Ze nam op. ‘Je hebt de eerste stap gezet,’ klonk het zacht aan de andere kant. ‘En de rest? Die zetten we samen.’

     Toen ze haar eigen spullen had ingepakt, had ze nog getwijfeld. Tienduizend excuses waarom het niet kon. Tienduizend redenen om tóch te blijven. Maar een stem in haar hart had gefluisterd: ‘Je bent niet gevangen.’ Dat was het moment geweest waarop ze zich had gerealiseerd: angst had haar jarenlang klein gehouden. Ze had gehoopt dat de situatie vanzelf beter zou worden, dat hij zou veranderen, dat als zij zich maar zou aanpassen, het lichter zou worden. Maar nu zag ze in: onderdrukking verdwijnt niet door zwijgen. Angst verdwijnt niet door buigen. 

     De vroedvrouwen Sifra en Pua stonden ooit op zo’n kruispunt. Ze hadden gehoor kunnen geven aan de angst. Ze hadden de weg van de minste weerstand kunnen kiezen. Maar ze deden het niet. In plaats daarvan vertrouwden ze op een macht groter dan die van de farao. Hun verzet was klein in menselijke ogen, maar groot in Gods plan. En dat veranderde alles. 

     Wat Maria deed, was niet makkelijk. Wat de vroedvrouwen deden, was niet makkelijk. Maar de boodschap van Exodus 1:1-22 blijft overeind: wanneer angst en onderdrukking ons tot zwijgen willen dwingen, roept God ons om te vertrouwen op een grotere werkelijkheid. Hij laat ons zien dat machtige systemen, hoe onverwoestbaar ze ook lijken, nooit sterker zijn dan moed, geloof en trouw. 

     Misschien sta jij ook op zo’n punt. Misschien voel jij je gevangen in een situatie die hopeloos lijkt. Misschien is het een werkomgeving waarin je je stem niet mag laten horen. Misschien is het een relatie waarin je je klein gehouden voelt. Misschien is het een innerlijke strijd tussen angst en vertrouwen. Maar weet dit: Gods plannen worden niet gestopt door menselijke structuren. Zijn vrijheid is altijd groter dan onze angst. Dit is het fundament van ons geloof. God is niet slechts een toeschouwer in onze worstelingen. Hij is een God die ingrijpt, die bevrijdt, die deuren opent waar wij alleen muren zien. Zoals in Exodus 1, waar de vroedvrouwen deel werden van een groter verhaal dan ze ooit hadden kunnen vermoeden, zo werkt God nog steeds – door mensen heen die bereid zijn om te vertrouwen. 

     In Jesaja 41:10 zegt God: ‘Wees niet bang, want Ik ben bij je, vrees niet, want Ik ben je God. Ik zal je sterken, Ik zal je helpen, je steunen met mijn bevrijdende rechterhand.’ Dit is de belofte waarop wij mogen staan. Niet omdat wij sterk zijn, maar omdat Hij dat is. Niet omdat wij het overzicht hebben, maar omdat Hij de toekomst al kent. 

     Ga deze week met de wetenschap dat God je ziet, dat Hij je leidt en dat geen enkele situatie, hoe verstikkend ook, sterker is dan Zijn vrijheid. Waar angst fluistert dat je moet blijven waar je bent, fluistert Hij: ‘Wees niet bang, want Ik ben bij je.’ En dat verandert alles.

Reflectievragen

  1. Welke vormen van onderdrukking of angst houden jou soms tegen om vrijuit te leven en te handelen naar je overtuigingen?
  2. Hoe reageer jij wanneer je in een situatie komt waarin je moet kiezen tussen gemak en moed? Wat zou je van Sifra en Pua kunnen leren?
  3. Waar in jouw leven zie je structuren of systemen die onrechtvaardig zijn? Op welke manier zou je daar, hoe klein ook, tegenin kunnen gaan?
  4. Gods bevrijding begint vaak met kleine daden van trouw en geloof. Welke eerste stap zou jij kunnen zetten om los te breken uit een situatie die je gevangen houdt?
  5. Hoe ervaar jij Gods aanwezigheid in moeilijke situaties? Kun je een moment benoemen waarop je, ondanks angst of onzekerheid, toch Zijn leiding of bescherming hebt ervaren?

 

Copyrights Marjolein Gommers

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.