Mozes: van redding tot ballingschap (Exodus 2:1-25)

Inleiding

Noah was zes toen hij op de stoep van een onbekend huis stond, met een tas vol spullen die van hem waren. De vrouw die hem binnenliet, glimlachte, maar haar ogen keken bezorgd. ‘Kom binnen, jongen,’ zei ze zacht. Hij wilde niet naar binnen. Hij wilde naar huis. Maar ‘huis’ bestond niet meer zoals vroeger. Zijn moeder was er niet. Er werd te veel geschreeuwd in hun oude flat, te veel ruzies. Jeugdzorg had ingegrepen. En nu was hij hier, bij een pleeggezin, met vreemde mensen die deden alsof ze voor hem wilden zorgen. Noah verzette zich. Hij weigerde te eten, sloeg met deuren, schreeuwde wanneer ze hem naar bed brachten. Alles om duidelijk te maken dat hij hier niet hoorde. Dat hij hier niet wilde zijn. Maar hoe langer hij vocht, hoe duidelijker het werd: hij had niets meer te zeggen over zijn eigen leven. Zijn moeder zou hem niet ophalen. Niemand zou hem komen redden.

     Toen hij ouder werd, vond hij zijn eigen manier om om te gaan met de pijn. Hij werd een meester in afstand houden. Hij lachte als het moest, deed alsof hij het prima vond allemaal, maar diep van binnen voelde hij zich nergens thuis. Pleegouders kwamen en gingen. Sommige waren lief, anderen onverschillig. En Noah? Die leerde vooral dat je niemand echt kon vertrouwen. 

     Op zijn veertiende ontmoette hij Rico en zijn vrienden. Zij stelden geen moeilijke vragen. Ze begrepen hem. Of in ieder geval: ze accepteerden hem zonder gedoe. Samen hingen ze rond in de stad, deden wat ze wilden. Pleegouders, school, hulpverleners – wat kon het hen schelen? Noah begon af te glijden. Het begon met kleine dingen: een paar pakjes sigaretten stelen, op een scooter rijden die niet van hem was. Maar al snel werd het serieuzer. De jongens daagden elkaar uit, steeds verder. ‘Je durft dit toch niet?’ – en dan deed hij het juist wél. Een keer een winkel beroofd. Een keer een auto in de fik gestoken. Eén keer iets veel ergers, waar hij liever niet aan dacht. Toen de politie hem uiteindelijk oppakte, voelde hij vooral opluchting. Eindelijk stopte het. Maar wat nu? Hij was zestien, had een strafblad en een toekomst die steeds uitzichtlozer werd. Had hij zichzelf definitief vastgezet in een pad zonder uitweg? 

     Noah was niet per se een slecht mens. Maar hij was verdwaald. Gevormd door een verleden waar hij geen grip op had. En ergens onderweg had hij de verkeerde afslag genomen. Het verhaal van Mozes begint op een vergelijkbare manier. Als baby moest hij worden achtergelaten, hij groeide op in een wereld die niet de zijne was. En als volwassene? Hij maakte een fatale fout – hij sloeg iemand dood. Niet zomaar een misstap, maar moord. Hij moest vluchten. Zijn toekomst leek voorbij. 

     Hoe ga je verder als je denkt dat je je kans hebt verspeeld? Als je niet meer weet wie je bent of waar je thuishoort? Laten we Exodus 2:1-25 lezen en ontdekken hoe God zelfs in de diepste puinhopen een nieuw begin kan geven.

Bijbeltekst (NBV21)

Exodus 2

De geboorte van Mozes; zijn vlucht naar Midjan

[1] Een man uit de stam Levi trouwde met een vrouw uit diezelfde stam. [2] Zij werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. Ze zag hoe mooi het kind was en hield het verborgen, drie maanden lang. [3] Toen ze geen kans zag haar zoon nog langer verborgen te houden, nam ze een mand van papyrus, bestreek die met pek en teer, legde het kind erin en zette de mand tussen het riet langs de oever van de Nijl. [4] De zus van het kind ging een eind verderop staan, om te zien wat er met hem zou gebeuren.

[5] Even later kwam de dochter van de farao naar de Nijl om te baden, terwijl haar dienaressen langs de rivier heen en weer liepen. Zij ontdekte de mand tussen het riet en liet die door een van haar slavinnen halen. [6] Ze maakte de mand open en zag daarin het kind. Het jongetje huilde, en vol medelijden zei ze: ‘Dat moet een Hebreeuws kind zijn.’ [7] Toen kwam de zus van het kind haar vragen: ‘Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan zoeken om het kind voor u te voeden?’ [8] ‘Ja, doe dat maar,’ antwoordde de dochter van de farao, waarop het meisje de moeder van het kind ging halen. [9] De dochter van de farao zei tegen de vrouw: ‘Neem dit kind mee en voed het voor me. Ik zal u ervoor betalen.’ De vrouw nam het kind mee en voedde het. [10] Toen het groot genoeg was, bracht ze het naar de dochter van de farao. Deze nam het kind aan als haar eigen zoon. Ze noemde hem Mozes, ‘want,’ zei ze, ‘ik heb hem uit het water gehaald.’

[11] Toen Mozes volwassen geworden was, zocht hij op een dag de mensen van zijn volk op. Hij zag welke zware dwangarbeid ze verrichtten en was er getuige van dat een Hebreeër, een volksgenoot van hem, door een Egyptenaar werd geslagen. [12] Hij keek om zich heen, en toen hij zag dat er niemand in de buurt was sloeg hij de Egyptenaar dood; hij verborg hem onder het zand. [13] De dag daarop zag hij hoe twee Hebreeuwse mannen met elkaar op de vuist gingen. ‘Waarom sla je iemand van je eigen volk?’ vroeg hij aan de man die begonnen was. [14] Maar die antwoordde: ‘Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld? Wou je mij soms ook doodslaan, net als die Egyptenaar?’ Mozes schrok, hij dacht: Dan is het dus toch bekend geworden! [15] Toen de farao ervan hoorde, wilde hij Mozes laten doden. Daarom vluchtte Mozes voor de farao.

Zo kwam hij in Midjan terecht, en daar ging hij bij een put zitten. [16] De priester van Midjan had zeven dochters. Zij kwamen daar water putten en vulden de drinkbakken om de schapen en geiten van hun vader te drinken te geven. [17] Maar er kwamen ook herders, die hen wilden wegjagen. Daarop schoot Mozes hun te hulp en gaf het vee te drinken. [18] Toen ze thuiskwamen, vroeg hun vader, Reüel, hoe het kwam dat ze die dag zo snel terug waren. [19] ‘Er was een Egyptenaar die ons te hulp kwam tegen de herders,’ antwoordden ze, ‘en hij heeft ook water voor ons geput en de dieren te drinken gegeven.’ [20] ‘En waar is hij nu?’ vroeg hun vader. ‘Waarom hebben jullie die man daar achtergelaten? Nodig hem uit om te komen eten.’ [21] Mozes liet zich overhalen om bij die man te blijven, en deze gaf hem zijn dochter Sippora tot vrouw. [22] Zij bracht een zoon ter wereld, en Mozes noemde hem Gersom, ‘want,’ zei hij, ‘ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken.’

Mozes geroepen

[23] Jaren gingen voorbij, en de koning van Egypte stierf. Maar de Israëlieten gingen nog altijd onder dwangarbeid gebukt. Ze klaagden luid en hun hulpgeroep steeg op naar God. [24] God hoorde hun jammerkreten en dacht aan het verbond dat Hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten. [25] Hij zag hoe de Israëlieten leden en trok zich hun lot aan.

 

© 2021 Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Exegetische uitleg

Nu we de bijbeltekst hebben gelezen, richten we ons op de exegetische uitleg van Exodus 2:1-25. Dit deel van de leespreek helpt ons om de tekst beter te begrijpen door de historische, literaire en theologische aspecten te verkennen. We volgen de opbouw van de tekst en bekijken hoe de gebeurtenissen zich ontvouwen. Deze uitleg is niet alleen bedoeld om de tekst te verduidelijken, maar dient ook als fundament voor de kernboodschap, die we daarna zullen formuleren. Wat betekent dit bijbelgedeelte, niet alleen in de tijd van Mozes, maar ook voor ons vandaag? Daar werken we naartoe. 

 

Exodus 2:1-4. De geboorte en het verbergen van Mozes 

Het verhaal van Mozes begint in een tijd van angst en onderdrukking. De Israëlieten, ooit als familie van Jozef naar Egypte gekomen, zijn inmiddels uitgegroeid tot een groot volk. Dit beangstigt de farao, die bang is dat ze te machtig worden en zich tegen Egypte zullen keren. Daarom neemt hij drastische maatregelen: eerst door hen tot slavernij te dwingen, daarna door vroedvrouwen te bevelen de Hebreeuwse jongetjes te doden en uiteindelijk door een decreet uit te vaardigen dat elk geboren Hebreeuws jongetje in de Nijl moet worden geworpen (Exodus 1:22). Het is een bevel dat de hoop van een heel volk lijkt te verpletteren.

     Maar tegen die achtergrond van duisternis en wreedheid begint een verhaal van redding. In een onbekend huis wordt een jongetje geboren, een kind dat volgens het bevel van de farao geen kans op leven heeft. Zijn ouders, beide afstammelingen van Levi, besluiten hem te verbergen. De moeder, die later Jochebed wordt genoemd (Exodus 6:20), ziet dat haar zoon een ‘mooi’ kind is. Dit Hebreeuwse woord tov betekent meer dan alleen uiterlijk schoon. Het roept de scheppingswoorden uit Genesis 1 in herinnering: ‘God zag dat het goed was.’ Het wijst op iets bijzonders, een verborgen potentie, misschien zelfs een goddelijke roeping.

     Maar hoe houd je een baby stil in een land waar je buren je kunnen verraden? Hoe lang kun je een groeiende baby verbergen in een wereld vol soldaten? Drie maanden lang lukt het Jochebed. In Hebreeën 11:23 wordt deze daad expliciet als een daad van geloof genoemd. Ze koos er heel bewust voor om haar kind te beschermen, koste wat kost.

     Toch komt er een moment waarop verbergen niet langer mogelijk is. De geluiden, de groei van de baby, de voortdurende dreiging – op een dag moet Jochebed de moeilijkste beslissing van haar leven nemen. Ze maakt een mand van papyrus, bestrijkt die met pek en teer en legt haar zoon erin. Vervolgens plaatst ze de mand tussen het riet aan de oever van de Nijl.

     Dit is een opvallende keuze. De Nijl, een rivier die door het bevel van de farao een plaats van dood is geworden, wordt nu een plaats van hoop. En de mand zelf? In het Hebreeuws staat hier tevat, een woord dat slechts op één andere plek in de Bijbel voorkomt: het wordt gebruikt voor de ark van Noach. Daar beschermde een ark het leven in een tijd van vernietiging. Hier beschermt een miniatuurark een kind tegen het water dat normaal gesproken zijn dood zou betekenen. Het lijkt toeval, maar in de Bijbel is toeval vaak goddelijke voorzienigheid in vermomming.

     Jochebed gehoorzaamt ogenschijnlijk het bevel van de farao – haar kind gaat de Nijl in. Maar ze doet het op een manier die juist het tegenovergestelde bewerkstelligt: ze geeft hem een kans om te overleven. Toch laat ze hem niet zomaar los. Zijn zus, die later Mirjam wordt genoemd (Exodus 15:20), blijft op een afstand staan om te zien wat er gebeurt.

     Wat gaat er door haar heen? Is ze bang? Heeft ze hoop? Dit is geen passief toekijken; dit is een actieve betrokkenheid. Ze blijft in de buurt, klaar om in te grijpen zodra de gelegenheid zich voordoet. Hier zien we een eerste glimp van de vastberadenheid die haar later, als profetes, zal kenmerken (Exodus 15:20-21).

     De parallellen met andere bijbelse figuren zijn onmiskenbaar. Denk aan Jozef, die door zijn broers in een put werd geworpen en als slaaf werd verkocht, maar later tot redder van zijn volk werd. Denk aan Jezus, die niet alleen als baby werd gered uit de kindermoord van Herodes, maar uiteindelijk door zijn eigen dood het echte leven bracht. Dit patroon – van gevaar naar redding, van dood naar leven – loopt als een rode draad door de Bijbel en begint hier, in een biezen mandje, drijvend op de Nijl.

     Op dit moment is Mozes nog niets meer dan een hulpeloze baby, overgeleverd aan het water en de omstandigheden. Maar God is al bezig. Dit verhaal is nog maar net begonnen. Wat volgt, is een onverwachte wending.

 

Exodus 2:5-10. De vondst van Mozes en zijn opvoeding aan het hof 

De Nijl, een rivier die symbool staat voor leven en vruchtbaarheid in Egypte, is in dit verhaal een plek van spanning en gevaar. De moeder van Mozes heeft haar zoon in een mandje tussen het riet gelegd, hopend op een wonder. En precies op dat moment verschijnt er iemand aan de oever: de dochter van de farao.

     De prinses is niet alleen een koningsdochter, maar ook een vrouw met invloed. In de Egyptische hofcultuur hadden prinsessen vaak een bevoorrechte positie, hoewel ze doorgaans niet over politieke macht beschikten. Dat zij hier met haar dienaressen is, suggereert dat het een rituele reiniging zou kunnen zijn, iets wat in Egypte verbonden was met de goddelijke status van de Nijl. Maar wat een gewone dag lijkt te zijn, verandert abrupt wanneer ze een mandje in het riet ziet.

     Ze laat het mandje halen en opent het. Wat ze aantreft, is een huilend jongetje. Op dat moment gebeurt er iets onverwachts: ze voelt medelijden. Dit is opmerkelijk, want ze weet direct dat dit een Hebreeuws kind is. Misschien vanwege zijn besnijdenis, een teken van het verbond dat God met Israël had gesloten (Genesis 17:10-12). Ze had het kind kunnen laten verdrinken, haar dienaressen opdracht kunnen geven om het te verwijderen. Maar ze doet het tegenovergestelde: ze kiest ervoor om het kind te beschermen. Ze wil zich over het kind ontfermen.

     Op dat moment komt Mirjam in actie. Dit is een cruciaal moment. Een jong Hebreeuws meisje durft een gesprek aan te gaan met een prinses van Egypte. In een samenleving waarin sociale hiërarchie strikt werd gehandhaafd, is dat ongebruikelijk. Toch toont Mirjam lef en inzicht: ze stelt een slimme vraag. ‘Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan zoeken om het kind voor u te voeden?’ Ze biedt geen uitleg, geen pleidooi, maar een praktische oplossing. De prinses stemt direct in.

     Het is een bijna ondenkbare wending: de moeder van Mozes, die haar kind in angst heeft losgelaten, krijgt hem terug in haar armen. Niet als een onderduiker, niet als een verborgen kind, maar als iemand die beschermd wordt door het hof van de farao. De ironie is groot: de Egyptische overheerser wilde de Hebreeuwse jongetjes vernietigen, maar God gebruikt zijn eigen familie om er een op te laten groeien binnen de muren van het paleis. En Jochebed? Zij wordt niet alleen de voedster van haar eigen zoon, maar ontvangt er zelfs loon voor.

     Toch is dit slechts een tussenfase. Want wanneer Mozes ouder is, wordt hij opnieuw gescheiden van zijn moeder. De prinses neemt hem aan als haar eigen zoon. Dit is een officiële adoptie, wat betekent dat hij wordt opgenomen in de Egyptische elite. Zijn naam, Mozes, krijgt een dubbele betekenis. In het Hebreeuws lijkt het verband te houden met mashah, ‘uit het water trekken’. In het Egyptisch komt het element ‘-moses’ voor in namen als Thoetmosis, wat ‘geboren uit’ betekent. Maar in de Bijbel ligt de nadruk op de betekenis die de prinses eraan geeft: ‘Ik heb hem uit het water gehaald.’

     Deze gebeurtenis is een voorafschaduwing van wat later zal gebeuren. Mozes wordt niet alleen uit het water gered, hij zal later zelf Israël door het water van de Rietzee leiden, weg uit slavernij, naar vrijheid. Zijn redding als baby is een eerste teken van zijn toekomstige roeping. En nog later in de Bijbel zien we opnieuw een baby die wordt gered uit een moordbevel van een heerser: Jezus, die ontkomt aan de kindermoord van Herodes (Matteüs 2:16).

     Dit verhaal laat zien hoe God werkt op manieren die wij niet kunnen voorzien. Wie had gedacht dat de toekomst van Israël in handen zou liggen van een Egyptische prinses? Wie had verwacht dat de bevrijder van het volk zou opgroeien aan het hof van de onderdrukker? Wat begon met een huilende baby in een biezen mand, eindigt met een prins van Egypte die later Gods volk uit slavernij zal leiden. Maar voordat het zover is, moet Mozes eerst ontdekken wie hij werkelijk is.

 

Exodus 2:11-15. Mozes doodt een Egyptenaar en vlucht naar Midjan 

Mozes is inmiddels volwassen. Hij heeft zijn jeugd doorgebracht in het paleis van de farao, opgevoed als een prins van Egypte. Hij heeft waarschijnlijk onderwijs genoten in de beste Egyptische scholen, mogelijk zelfs getraind als krijger of bestuurder. Alles aan zijn opvoeding wijst erop dat hij voorbestemd was voor een leven van macht en aanzien. Maar Mozes is niet alleen een Egyptische prins. Diep van binnen weet hij dat hij een Hebreeër is.

     Op een dag besluit hij om zijn volksgenoten op te zoeken. Hij ging naar zijn volk en zag hoe zwaar ze moesten werken. Dit is geen toevallige ontmoeting. Mozes gaat bewust kijken hoe het met zijn volk gaat. Hierin ligt een belangrijke spanning: hij behoort officieel tot het Egyptische hof, maar hij voelt zich verbonden met het volk dat als slaven wordt onderdrukt. Dit moment roept vragen op. Wat wist Mozes op dit punt over zijn roeping? Handelingen 7:23-25 suggereert dat hij dacht dat de Israëlieten hem zouden herkennen als iemand die hen zou bevrijden. Maar of dat een diep innerlijk besef van Gods plan was of slechts een vaag gevoel van verantwoordelijkheid, is niet duidelijk.

     Terwijl Mozes de slavernij met eigen ogen aanschouwt, ziet hij iets wat zijn woede opwekt: een Egyptenaar slaat een Hebreeuwse slaaf. We weten niet waarom, maar in een systeem van onderdrukking was mishandeling een realiteit. Dit was niet zomaar een harde klap; dit was een daad van brute onderdrukking. Mozes kijkt om zich heen, ziet dat er niemand in de buurt is en slaat de Egyptenaar dood. Vervolgens verbergt hij het lichaam onder het zand.

     Mozes’ handelen roept veel vragen op. Was dit een spontane uitbarsting van woede? Of een bewuste daad, bedoeld als eerste stap naar bevrijding? Mozes kijkt eerst om zich heen, wat suggereert dat hij weet dat hij iets illegaals doet. Toch lijkt hij te denken dat hij goed bezig is. In Handelingen 7:25 wordt zelfs gesuggereerd dat hij meende dat de Israëlieten hem als hun leider zouden erkennen. Maar in werkelijkheid leidt zijn daad tot het tegenovergestelde.

     De volgende dag gaat Mozes opnieuw naar zijn volk. Dit keer ziet hij twee Hebreeuwse mannen ruziën. Hij grijpt in: ‘Waarom sla je iemand van je eigen volk?’ Maar in plaats van erkenning krijgt hij afwijzing. De man die slaat, werpt hem een scherpe vraag toe: ‘Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld? Wou je mij soms ook doden, net als die Egyptenaar?’

     Dit is een belangrijk moment. Mozes hoopte dat zijn daad van de vorige dag zou worden gezien als een teken van zijn betrokkenheid bij zijn volk. Maar de realiteit is anders. Hij wordt niet als redder gezien, maar als buitenstaander. En wat erger is: zijn misdaad is bekend. Zijn poging om het lichaam van de Egyptenaar te verbergen, was vergeefs.

     Mozes schrikt. Wat hij als een daad van rechtvaardigheid zag, wordt nu zijn ondergang. En inderdaad, het nieuws bereikt de farao. De tekst zegt: ‘Toen de farao ervan hoorde, wilde hij Mozes laten doden.’ Dit bevestigt dat de farao Mozes niet langer als een prins ziet, maar als een bedreiging. Een Egyptische prins die een landgenoot doodt, zou normaal gesproken gestraft worden. Maar een prins die een Egyptenaar doodt om een Hebreeër te beschermen? Dat is verraad.

     Mozes heeft geen keus. Hij vlucht naar Midjan, een gebied buiten het bereik van de farao. De afstand tussen Egypte en Midjan is enorm, waarschijnlijk een tocht van honderden kilometers door de woestijn. Zijn positie verandert van een prins in het paleis naar een vluchteling in de wildernis. Alles wat hij kende, alles wat hij dacht te zijn, is in één moment weggevaagd.

      Op dit punt lijkt het alsof Mozes’ leven een mislukking is. Hij probeerde zijn volk te helpen, maar zijn aanpak faalde. Zijn hoop op erkenning sloeg om in afwijzing. Zijn bevoorrechte plek in Egypte is hij kwijt. Maar hier begint een patroon dat we door de hele Bijbel heen zien: Gods plannen werken anders dan mensen denken. Mozes probeerde zijn volk te helpen op zijn eigen manier, maar dat was niet de weg die God had voorzien. Dit doet denken aan andere bijbelse figuren: Jozef, die eerst verkocht werd als slaaf voordat hij redder werd, en David, die eerst moest vluchten voor hij koning werd. Zelfs Jezus werd verworpen door Zijn eigen volk voordat Hij Zijn ware verlossing bracht.

     Wat we in dit verhaal zien, is een breekpunt in het leven van Mozes. Hij dacht misschien dat hij al klaar was voor een leidersrol, maar hij moest nog een lange weg afleggen. En daar, in Midjan, zal God beginnen met zijn echte vorming.

 

Exodus 2:16-22. Mozes in Midjan: zijn hulp bij de put en zijn nieuwe leven 

Mozes is een man op de vlucht. Alles wat hij ooit kende, ligt achter hem. Egypte, het paleis, zijn identiteit als prins – alles is verdwenen. Hij heeft niets meer, behalve de kleren die hij draagt. Maar waar gaat hij naartoe? Midjan is een onbekend gebied, een woestijnachtig land ten oosten van Egypte. Mozes weet niet hoe lang hij zal blijven, of hij ooit nog terug zal keren. Op dit moment is hij een vreemdeling, letterlijk en figuurlijk.

     Na een lange tocht door de wildernis komt hij aan bij een waterput. In de Bijbel zijn waterputten vaak plaatsen van betekenis. Jakob ontmoette Rachel bij een put (Genesis 29) en Jezus had een levensveranderend gesprek met de Samaritaanse vrouw bij een put (Johannes 4). Voor Mozes zal deze put ook een keerpunt worden. Hij heeft honger, dorst en waarschijnlijk geen idee wat hij moet doen. Maar hij heeft niet lang de tijd om daarover na te denken, want er gebeurt iets.

     Zeven dochters van de priester van Midjan komen naar de put om water te putten voor hun schapen en geiten. In die tijd was het ongebruikelijk voor vrouwen om herders te zijn. Dit suggereert dat hun vader, Reüel (ook bekend als Jetro), geen zonen had of dat de dochters simpelweg de taken op zich moesten nemen. Terwijl ze hun werk doen, verschijnen er herders die hen weg willen jagen. Dit lijkt een terugkerend probleem, want als de dochters later bij hun vader thuiskomen, vraagt hij waarom ze deze keer zo snel terug zijn. Blijkbaar waren ze gewend om verdrongen te worden en later terug te komen om hun taak af te maken.

     Mozes ziet het gebeuren en grijpt in. Hij drijft de herders weg en helpt de dochters met het drenken van hun vee. De tekst vertelt niet hoe hij dit precies doet. Misschien sprak hij hen streng toe, misschien greep hij fysiek in. Maar wat duidelijk is: hij laat niet toe dat het onrecht doorgaat. Dit is opmerkelijk, want hij is een vreemdeling in Midjan. Niemand verwacht van hem dat hij ingrijpt. Hij had net zo goed afzijdig kunnen blijven. Maar dat doet hij niet. Dit is niet de eerste keer dat hij onrecht bestrijdt – eerder kwam hij in opstand tegen een Egyptenaar die een Hebreeër sloeg. Maar waar zijn poging in Egypte tot afwijzing leidde, wordt hij hier juist erkend.

     De dochters keren sneller dan normaal terug naar huis en hun vader, Reüel, is verbaasd. ‘Waarom zijn jullie vandaag zo snel terug?’ vraagt hij. Wanneer ze hem vertellen over Mozes, noemen ze hem een ‘Egyptenaar’. Dit detail is veelzeggend. Voor hen ziet Mozes eruit als een Egyptenaar, waarschijnlijk vanwege zijn kleding, spraak of maniertjes. Maar innerlijk worstelt hij met zijn identiteit. Hij is geen Egyptenaar meer, maar ook nog geen deel van een ander volk. Hij zweeft tussen twee werelden, zonder echt ergens thuis te horen.

     Reüel reageert anders dan de farao of de Israëlieten eerder deden. Hij ziet Mozes niet als een bedreiging, maar als iemand die gastvrijheid verdient. ‘Waarom hebben jullie hem daar achtergelaten?’ vraagt hij en hij nodigt Mozes uit om te komen eten. Dit is geen gewone maaltijd; in de oude oosterse cultuur betekende een maaltijd samen eten veel meer. Het was een teken van erkenning, gastvrijheid en bescherming.

     Mozes laat zich overhalen om bij Reüel te blijven. Uiteindelijk krijgt hij zelfs een vrouw: Sippora, een van de dochters van Reüel. Op het eerste gezicht lijkt dit een praktische regeling, maar het markeert ook een overgang in Mozes’ leven. Hij is niet langer een dolende vluchteling, maar wordt opgenomen in een nieuwe gemeenschap. Toch blijft hij zich een vreemdeling voelen. Wanneer zijn zoon wordt geboren, noemt Mozes hem Gersom, wat betekent: ‘Ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken.’

     De naamgeving van zijn oudste zoon onthult veel over Mozes’ innerlijke worsteling. Hij heeft een plek gevonden, maar hij voelt zich niet thuis. Hij is geaccepteerd, maar niet volledig. Dit thema van vreemdelingschap loopt door de hele Bijbel heen. Abraham woonde als vreemdeling in het land dat God hem beloofde (Genesis 23:4). Jozef leefde als vreemdeling in Egypte. En in het Nieuwe Testament wordt gezegd dat gelovigen vreemdelingen op aarde zijn, op weg naar hun ware thuis bij God (Hebreeën 11:13-16).

     Maar er gebeurt meer in deze tijd dan alleen een periode van vervreemding. Mozes wordt voorbereid. Zijn nieuwe leven als herder lijkt misschien een toevallige wending, maar God gebruikt deze jaren om hem klaar te maken voor wat komt. In Egypte probeerde Mozes zijn volk te redden met geweld en eigen kracht. Nu leert hij geduld. Hij leert zorgen voor een kudde, leidinggeven, volharding tonen. Dit alles zal hij later nodig hebben als hij Israël door de woestijn zal leiden.

     Mozes denkt misschien dat zijn tijd in Egypte voorbij is. Dat hij hier in Midjan een nieuw leven zal opbouwen, ver weg van zijn verleden. Maar God is nog niet klaar met hem. Dit is slechts een tussenfase. Net als Jozef die jarenlang in de gevangenis zat voordat hij werd verhoogd en net als Jezus die veertig dagen in de woestijn werd beproefd voordat Hij zijn bediening begon, moet Mozes eerst wachten. Gods plan gaat door, zelfs als Mozes dat nog niet ziet.

     Wat we hier leren, is dat God vaak werkt in perioden waarin wij denken dat niets gebeurt. Soms voelen we ons verloren, vast in een situatie zonder duidelijke uitkomst. Maar die periodes kunnen juist de momenten zijn waarin God ons voorbereidt op iets groters. Mozes weet nog niet wat hem te wachten staat. Maar God weet het wel.

 

Exodus 2:23-25. Gods bewogenheid met Israël

De tijd verstrijkt. Jaren gaan voorbij. De Israëlieten zitten nog steeds vast in slavernij. En dan sterft de farao. Dit had een moment van hoop kunnen zijn. Misschien zou zijn opvolger de onderdrukking verminderen. Misschien zou hun situatie verbeteren. Maar er verandert niets. De onderdrukking blijft. Het volk blijft gebukt gaan onder de last van dwangarbeid.

     In hun wanhoop beginnen ze te klagen. Hun hulpgeroep stijgt op. De tekst zegt niet expliciet dat ze tot God bidden. Dit is veelzeggend. Eeuwenlang hebben ze in Egypte gewoond, een land vol afgoderij. Hoeveel van hen herinneren zich nog de God van hun voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob? Hebben ze nog geloof in Hem? Of is hun geschreeuw puur een reflex van pijn en wanhoop? Wat ze zelf denken of bedoelen, wordt niet vermeld. Maar wat wél wordt vermeld, is dat hun kreet op de juiste plek terechtkomt.

     En dan volgt een krachtig moment in de tekst: God hoorde hun jammerkreten en dacht aan het verbond dat Hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten. Hij zag hoe de Israëlieten leden en trok zich hun lot aan. Hier vinden we vier kernwerkwoorden: horen, denken, zien, aantrekken.

     God hoort. Dit is fundamenteel voor wie Hij is. Hoe vaak voelen wij ons niet ongehoord? Hoe vaak lijken onze gebeden in het niets te verdwijnen? Maar de Bijbel verzekert ons keer op keer dat God hoort. In Psalm 34:16 staat: ‘Het oog van de Heer rust op de rechtvaardigen, zijn oor luistert naar hun hulpgeroep.’ Zelfs als het volk Israël niet doelbewust tot God bidt, hoort Hij hen.

     God denkt aan Zijn verbond. Dit betekent niet dat God het verbond was ‘vergeten’ en er nu pas weer aan herinnerd wordt. Het Hebreeuwse begrip voor ‘denken’ (zakar) betekent dat God zich bewust is van zijn verbond en nu gaat handelen om Zijn beloften te vervullen. Wat was die belofte? In Genesis 15:13-14 had God Abraham al gezegd dat zijn nageslacht vierhonderd jaar onderdrukt zou worden in een vreemd land, maar dat Hij hen daarna zou bevrijden. De tijd is nu gekomen.

     God ziet. In de Bijbel betekent Gods ‘zien’ meer dan observeren. Het betekent betrokkenheid, actie. Dit zien is niet afstandelijk. Wanneer Hagar, de bijvrouw van Abraham, door Sara wordt weggestuurd en in de woestijn ronddwaalt, noemt zij God El Roi, ‘de God die mij ziet’ (Genesis 16:13). God ziet het lijden van Israël en dat betekent dat Hij zal ingrijpen.

     God trekt zich hun lot aan. Dit is misschien wel het meest intieme moment in deze verzen. In het Hebreeuws wordt hier een werkwoord gebruikt dat diepe emotie uitdrukt. Dit is niet de koele rechtvaardigheid van een wetgever, maar de bewogenheid van een Vader die zijn kinderen ziet lijden. In het Nieuwe Testament zien we hetzelfde hart in Jezus. In Matteüs 9:36 staat: ‘Toen Hij de mensenmenigte zag, voelde Hij medelijden met hen, omdat ze uitgeput en hulpeloos waren, als schapen zonder herder.’

     Wat hier opvalt, is dat God nog niet openbaart hoe Hij zal ingrijpen. Er staat alleen dát Hij het zal doen. Dit is typerend voor Gods manier van werken. Eerst laat Hij zien dat Hij betrokken is en dán pas, stap voor stap, onthult Hij zijn plan. Voor de Israëlieten moet dit een periode van onzekerheid zijn geweest. Ze zien nog geen wonderen, ze horen nog geen stem uit een brandende braamstruik. Alles wat ze hebben, is de hoop dat God hen niet vergeten is.

     Dit is een realiteit die we allemaal kennen. Hoe vaak voelen we ons niet gevangen in situaties zonder duidelijke uitweg? Hoe vaak bidden we, maar lijkt het alsof God stil is? Exodus 2:23-25 herinnert ons eraan dat Gods stilzwijgen niet betekent dat Hij afwezig is. Achter de schermen bereidt Hij iets voor. De Israëlieten weten het nog niet, maar Mozes is al onderweg naar zijn roeping.

     De parallellen met Jezus Christus zijn duidelijk. Net zoals God Israël hoorde, zag en zich hun lot aantrok, zo deed Jezus dat ook. Hij hoorde de roep van de verlorenen. Hij zag de menigten en had medelijden. Hij dacht aan Gods plan van verlossing. En uiteindelijk trok Hij zich ons lot zozeer aan dat Hij zelf naar deze wereld kwam om ons te redden.

     Deze verzen zijn een scharnierpunt in Exodus. De Israëlieten zijn nog niet bevrijd, maar hun bevrijding is al begonnen, omdat God heeft gehoord en besloten heeft te handelen. Dit is hoe God altijd werkt. Zijn timing is niet de onze. Maar zelfs in de stilte mogen we erop vertrouwen dat Hij hoort, ziet, denkt aan Zijn beloften en zich ons lot aantrekt.

     Het volk Israël weet nog niet wat er gaat komen. Maar de God die hen ooit in Egypte bracht, is dezelfde God die hen daaruit zal leiden. De grote redding staat op het punt te beginnen. En zo werkt God nog steeds. Wanneer wij denken dat Hij stil is, heeft Hij misschien allang een Mozes op weg gestuurd.

Kernboodschap

De kernboodschap van Exodus 2:1-25 is:  wanneer wij denken dat alles verloren is, is God al bezig een uitweg te bereiden – niet op onze manier, niet volgens onze timing, maar op een manier die groter is dan wij kunnen bevatten. Hij hoort, ziet en trekt zich ons lot aan, zelfs als wij Hem vergeten zijn.

     Mozes’ levensverhaal in dit bijbelgedeelte is doordrenkt met een belangrijk patroon: wat verloren lijkt, wordt door God voorbereid voor een nieuwe toekomst. Het begint met een wrede werkelijkheid – de Israëlieten zijn tot slavernij gedwongen en hun zonen worden gedood. Het lijkt alsof Gods beloften aan Abraham, Isaak en Jakob zijn uitgewist door de macht van Egypte. Toch wordt juist in die duisternis een kind geboren dat symbool zal staan voor bevrijding. 

     Vanuit menselijk perspectief lijkt Mozes’ lot een aaneenschakeling van toevalligheden: hij wordt in een mandje gelegd, ontdekt door de dochter van de farao, opgevoed aan het hof, maar uiteindelijk gedwongen te vluchten na een mislukte poging om zijn volk te helpen. Alles lijkt verkeerd te gaan. Hij is noch een Egyptenaar, noch een Israëliet. Hij wordt afgewezen door zijn eigen volk en wordt een vreemdeling in Midjan. Maar achter al deze schijnbare mislukkingen schuilt een groter plan. De man die later Israël zal leiden, wordt gevormd in afzondering en stilte. Zijn jaren als herder lijken betekenisloos, maar blijken juist de voorbereiding op zijn roeping. 

     En dan, terwijl Mozes zich in Midjan heeft gevestigd en Egypte achter zich heeft gelaten, gebeurt er iets dat niemand had kunnen voorzien. God hoort. Niet alleen hoort Hij het geschreeuw van zijn volk, Hij ziet hun lijden en besluit in te grijpen. Dit is een keerpunt, want tot nu toe leek God afwezig in het verhaal. Mozes is op de vlucht, het volk is in slavernij en nergens wordt vermeld dat God rechtstreeks ingrijpt. Maar dat betekent niet dat Hij stil is geweest. Zijn reddingsplan is allang in gang gezet, alleen ziet het volk dat nog niet. 

     Dit is de spanning die we door heel de Bijbel heen terugzien. Gods werk gebeurt vaak buiten ons zicht. De Israëlieten zien alleen hun ellende en denken misschien dat God hen is vergeten. Mozes ziet alleen zijn mislukkingen en denkt misschien dat zijn roeping voorbij is. Maar God kijkt verder. Hij werkt niet volgens menselijke verwachtingen. Zijn timing is niet de onze. Waar het volk Egypte als hun einde ziet, bereidt God een nieuw begin. 

     Dit verhaal raakt aan iets wat veel mensen in hun eigen leven ervaren. Er zijn momenten waarop alles tegenzit, waarop we denken dat we vergeten zijn, dat ons verleden te gebroken is of dat er geen uitweg meer is. Soms voelen we ons als Mozes – op de vlucht voor onze fouten, buitenstaanders in een wereld die niet lijkt te passen. Soms voelen we ons als Israël – gevangen in een situatie waar we zelf geen controle over hebben, zonder zicht op verlossing. 

     Maar juist in die momenten gebeurt vaak iets wat we pas achteraf kunnen zien: God is aan het werk. Niet altijd op de manier die wij verwachten, niet altijd zichtbaar, maar wel altijd met een doel. Misschien lijkt een periode in ons leven verloren tijd, net zoals Mozes’ veertig jaar in Midjan een doodlopend pad leken. Misschien voelen we ons onbelangrijk, net zoals het volk zich klein voelde onder de macht van Egypte. Maar als God hoort, ziet en zich ons lot aantrekt, betekent dat dat ons verhaal nog niet voorbij is. 

     De geschiedenis van Mozes laat zien dat God geen gebeden mist, geen lijden onopgemerkt laat en geen situatie zonder hoop achterlaat. Zijn plan gaat door, zelfs als wij het niet kunnen zien. En soms, wanneer wij denken dat Hij stil is, is Hij allang iemand onderweg aan het sturen.

Theologische reflectie

Na de exegetische uitleg en het formuleren van de kernboodschap gaan we een stap verder, met deze theologische reflectie. Dit gedeelte van de leespreek helpt ons om de diepere spirituele en theologische betekenis van Exodus 2:1-25 te begrijpen. Wat openbaart dit bijbelgedeelte over Gods karakter? Hoe verwijst dit naar Christus? Welke lessen bevat het voor ons geloofsleven? En hoe past dit verhaal in het bredere geheel van de Bijbel? Deze reflectie zal laten zien dat deze oude geschiedenis niet slechts een verslag is van Mozes’ vroege jaren, maar een spiegel voor ons eigen geloofsleven en een getuigenis van Gods voortdurende werk in de wereld.

 

Het karakter van God

Dit bijbelgedeelte openbaart op een krachtige manier het karakter van God. Wat direct opvalt, is dat God aanvankelijk verborgen lijkt. De eerste helft van Exodus 2 wordt verteld zonder enige expliciete vermelding van Gods handelen. We zien menselijke beslissingen: een moeder die haar zoon verbergt, een prinses die medelijden krijgt, een jonge man die zich afvraagt bij welk volk hij hoort. Maar achter al deze menselijke keuzes is God aanwezig, stil maar niet afwezig, onzichtbaar maar niet onverschillig. Pas aan het einde van het hoofdstuk wordt expliciet gezegd dat God hoort, ziet en ingrijpt. 

     Dit leert ons iets fundamenteels over hoe God werkt. Vaak verlangen we naar directe ingrepen, naar duidelijke antwoorden, naar zichtbare tekenen van Gods hand. Maar God werkt vaak op een verborgen manier, op manieren die wij pas achteraf herkennen. Dit zie je terug in de wijze waarop Hij Mozes voorbereidt. Mozes groeit op als een Egyptische prins, maar juist die opvoeding zal hem later helpen om met de farao te onderhandelen. Hij leert hoe het is om als vreemdeling in Midjan te leven en juist dat zal hem voorbereiden op zijn leiderschap in de woestijn. Gods soevereiniteit betekent dat zelfs onze omwegen en mislukkingen deel kunnen uitmaken van een groter plan. 

     Toch is God niet alleen verborgen. In de laatste verzen van dit hoofdstuk wordt Zijn bewogenheid expliciet: Hij hoort het hulpgeroep van Zijn volk, Hij denkt aan Zijn verbond, Hij ziet hun lijden en Hij trekt zich hun lot aan. Dit toont ons dat God niet onverschillig is voor menselijk lijden. Hij is geen afstandelijke god die van een afstand de wereld bestuurt, maar een God die zich diep betrokken voelt bij de pijn van Zijn volk. In heel de Bijbel zien we dit terug: God hoort Hagar wanneer zij in de woestijn roept, Hij ziet de tranen van Hanna wanneer zij bidt om een kind, Hij trekt zich het lot van Ninivé aan wanneer Jona verwacht dat Hij alleen zal oordelen. Dit bijbelgedeelte is een krachtige bevestiging van Gods liefdevolle en bewogen aard.

 

De verwijzing naar Christus

Mozes’ verhaal in Exodus 2:1-25 is een schaduw van een groter verhaal dat later in de Bijbel wordt onthuld: het verhaal van Jezus Christus. De parallellen zijn diepgaand en veelzeggend. Net als Mozes werd Jezus geboren in een tijd waarin een wrede heerser besloot dat pasgeboren jongetjes moesten sterven. Net als Mozes werd Jezus als kind gered uit de dood, terwijl anderen in Zijn generatie werden vermoord. Net als Mozes groeide Hij op met een dubbele identiteit – als iemand die zowel binnen als buiten de gevestigde orde stond. Mozes was een Hebreeër, maar groeide op aan het hof van de farao, waardoor hij toegang had tot de macht, maar tegelijkertijd ook een vreemdeling was binnen die wereld. Jezus, de beloofde Messias, was een Joodse rabbi die de Schriften kende en onderwees met gezag, maar Hij verzette zich tegen de gevestigde religieuze orde en werd door de leiders van Zijn volk verworpen. Mozes werd de middelaar tussen God en Israël, die het volk uit Egypte leidde. Jezus werd de volmaakte middelaar, die niet alleen Israël, maar de hele mensheid bevrijdt uit de slavernij van zonde en dood. Beiden stonden op een breuklijn in de geschiedenis, geroepen om verandering te brengen en een nieuwe weg te openen – een weg van redding en verlossing.

     Toch zijn de verschillen nog opmerkelijker. Mozes probeerde zijn volk te bevrijden op zijn eigen manier, door geweld te gebruiken tegen een Egyptenaar. Maar Jezus bracht bevrijding door het tegenovergestelde te doen: Hij gaf zichzelf over, Hij liet zich vangen en Hij stierf vrijwillig. Waar Mozes faalde in zijn eerste poging om verlosser te zijn, slaagde Jezus op de ultieme manier. Mozes moest vluchten naar Midjan en wachten totdat God hem riep om Israël te bevrijden. Jezus daarentegen was vanaf het begin van Zijn bediening volmaakt gehoorzaam aan de Vader en volbracht Zijn missie zonder falen. Waar Mozes een tijdelijk koninkrijk uit Egypte leidde, bracht Jezus een eeuwig Koninkrijk dat niet van deze wereld is.

     Maar zelfs in de manier waarop Mozes werd gered, zien we al een voorafschaduwing van Gods grotere reddingsplan. Daarnaast is er de symboliek van de redding uit het water. Mozes werd uit het water getrokken en kreeg daardoor een nieuwe kans op leven. Dit doet denken aan de doop van Jezus, waar Hij uit het water omhoogkwam en Gods stem klonk: ‘Dit is mijn geliefde Zoon’ (Matteüs 3:17). Ook wij worden door het water heen gered – niet door een biezen mand, maar door de doop, die ons herinnert aan onze dood en opstanding met Christus.

     Deze voorafschaduwing van Christus laat zien dat Exodus 2:1-25 niet alleen een verhaal is over Mozes, maar over de manier waarop God werkt in de geschiedenis. De redding van Mozes wijst vooruit naar de grotere redding die Jezus zou brengen – een redding die niet alleen voor Israël was, maar voor de hele wereld.

 

Relevantie voor ons geloofsleven

Dit bijbelgedeelte raakt aan een diep menselijke worsteling: wat doen we wanneer God stil lijkt? De Israëlieten zuchtten onder hun slavernij en riepen om hulp, maar Gods antwoord kwam niet onmiddellijk. Mozes probeerde op eigen kracht een bevrijder te zijn, maar faalde en moest veertig jaar wachten voordat hij opnieuw werd geroepen. Dit leert ons dat Gods timing anders is dan de onze. 

     In ons eigen leven kunnen we perioden van wachten en onzekerheid ervaren. Soms lijkt God niet in te grijpen. Maar dit verhaal laat zien dat stilte niet hetzelfde is als afwezigheid. God was de hele tijd aan het werk: in de verborgenheid van een Egyptisch paleis, in de eenzaamheid van de Midjanitische woestijn, in de harten van een volk dat nauwelijks nog wist hoe ze moesten bidden. Dit leert ons om te vertrouwen op Gods werk, zelfs als wij het nog niet kunnen zien. 

     Daarnaast laat Mozes’ verhaal ons zien dat God gebroken mensen gebruikt. Mozes was impulsief, bang en onzeker. Hij was een moordenaar, een vluchteling, een buitenstaander. Toch koos God hem als leider. Dit is een bemoediging voor iedereen die zich onwaardig voelt. Gods roeping is niet afhankelijk van onze perfectie, maar van Zijn genade. 

 

Verband met andere bijbelteksten

De thema’s van Exodus 2:1-25 vinden we door de hele Bijbel heen terug. Het patroon van redding uit het water zien we niet alleen bij Mozes, maar ook bij Noach, Jona en Jezus’ doop. Het thema van Gods bewogenheid voor onderdrukten keert terug in Psalm 34:19: ‘Gebroken mensen is de Heer nabij, Hij redt wie zwaar wordt getroffen.’

     In Jesaja 43:2 zegt God: ‘Moet je door het water gaan? – Ik ben bij je; of door rivieren –  je wordt niet meegesleurd.’ Dit bevestigt de boodschap van dit bijbelgedeelte: Gods redding is niet beperkt tot het verleden, maar geldt ook nu.

 

Andere theologische thema’s

Een belangrijk theologisch thema in dit bijbelgedeelte is het samenspel tussen Gods soevereiniteit en menselijke verantwoordelijkheid. God had een reddingsplan voor Israël, maar dat betekende niet dat Mozes passief kon blijven. Hij moest eerst falen, veertig jaar wachten en uiteindelijk Gods roeping accepteren. Dit leert ons dat Gods plan en onze keuzes hand in hand gaan. 

     Daarnaast zien we het belang van vrouwelijke moed en geloof. Jochebed en Mirjam spelen een cruciale rol in Mozes’ redding, net zoals later vrouwen een belangrijke rol spelen bij de opstanding van Jezus. Dit benadrukt dat Gods werk niet beperkt is tot de machtigen en invloedrijken, maar dat Hij werkt door degenen die vaak over het hoofd worden gezien. 

 

Exodus 2:1-25 is meer dan een verhaal over Mozes’ jeugd. Het is een getuigenis van Gods verborgen werk, een voorafschaduwing van Christus en een spiegel voor ons eigen geloofsleven. Het leert ons dat God altijd werkt, zelfs als wij het niet zien. Het nodigt ons uit om te vertrouwen op Zijn timing en te geloven dat onze mislukkingen niet het einde van ons verhaal zijn. Want waar wij denken dat alles verloren is, is God al bezig een uitweg te bereiden.

Praktische toepassing

De kernboodschap van Exodus 2:1-25 laat zien dat God vaak werkt op manieren die wij niet meteen herkennen. Hij bereidt een uitweg, zelfs wanneer wij denken dat alles verloren is. Maar hoe passen we dit toe in ons dagelijks leven? Hierna volgen vier concrete richtlijnen die je kunnen helpen om deze diepere waarheid te laten landen in je eigen leven. Dit zijn geen standaardadviezen, maar uitdagingen die je perspectief kunnen kantelen en je kunnen helpen om Gods aanwezigheid te ontdekken in het onverwachte. 

 

  1. Ga bewust om met ‘wachten’ – omarm de tussenfase als een heilige periode

We leven in een wereld waarin wachten wordt gezien als tijdverspilling. We zijn gewend aan snelle oplossingen en directe antwoorden. Maar dit bijbelgedeelte leert ons dat wachten niet hetzelfde is als stilstaan. Mozes dacht misschien dat zijn veertig jaar in Midjan verloren tijd was, maar het bleek de belangrijkste vormingsperiode van zijn leven. Gods werk gebeurt vaak in wat wij beschouwen als tussenfases. Probeer eens om een periode van wachten bewust anders te benaderen. Voel je je vastgelopen in je werk, relatie of geloof? In plaats van te focussen op hoe je eruit kunt komen, stel jezelf de vraag: wat leert God mij hier? Wat wordt er in mij gevormd? Dit kan betekenen dat je een dagboek bijhoudt om te reflecteren op wat je voelt en ervaart of dat je bewust een periode neemt waarin je stopt met streven naar snelle antwoorden. Misschien is juist dit de tijd waarin God je voorbereidt op iets nieuws, net zoals Hij Mozes voorbereidde in de woestijn. 

 

  1. Zoek God buiten de gebruikelijke religieuze kaders – ontdek Zijn aanwezigheid in onverwachte plekken.

Veel mensen hebben moeite om God te vinden in de kerk. Dat kan verwarrend zijn. Maar Exodus 2 laat ons zien dat God vaak werkt in de randgebieden van ons leven. Mozes ontmoette God niet in een tempel of een heilige plaats, maar in de woestijn, in een tijd van onzekerheid. De Israëlieten riepen niet tot God in een gebedsdienst, maar midden in hun lijden. Dit betekent dat je niet per se naar een kerk hoeft om God te ontmoeten. Hij is net zo goed te vinden in de stilte van een boswandeling, in een gesprek met een vreemdeling, in een kunstwerk dat je raakt of in de eenvoud van een ochtendritueel. Probeer eens een week lang bewust te zoeken naar tekenen van Gods aanwezigheid op plekken waar je Hem normaal niet zou verwachten. Dit kan iets kleins zijn, zoals een onverwachte ontmoeting, een liedtekst die precies op het juiste moment binnenkomt of de manier waarop de natuur je opvalt. 

 

  1. Wees een Mozes voor iemand anders – help een ander zonder precies te weten hoe

Mozes wist aanvankelijk niet hoe hij zijn volk moest helpen. Zijn eerste poging, door een Egyptenaar te doden, mislukte volledig. Pas later ontdekte hij dat bevrijding niet iets is wat je afdwingt, maar iets waarin je mag meewerken met wat God al aan het doen is. Dit leert ons dat we anderen kunnen helpen, zelfs als we nog niet het hele plaatje zien. Is er iemand in jouw omgeving die worstelt, die zich verloren voelt of die eenzaam is? Je hoeft niet meteen met grote oplossingen te komen. Soms is het genoeg om te laten merken dat je er bent, zonder te weten hoe het verhaal zich verder zal ontwikkelen. Dit kan betekenen dat je iemand een kaartje stuurt, een kop koffie aanbiedt of simpelweg vraagt hoe het écht met iemand gaat. Vaak is dat het moment waarop Gods verborgen werk zichtbaar wordt – niet doordat wij de perfecte strategie hebben, maar doordat we simpelweg aanwezig zijn in iemands leven. 

 

  1. Laat los wat je niet kunt controleren – en onderneem juist actie in wat wél kan

Jochebed, de moeder van Mozes, had geen controle over de doodsbedreiging van farao. Ze kon niet tegen het bevel ingaan, ze kon de situatie niet veranderen. Maar ze deed iets wat radicaal en tegelijkertijd diep vertrouwen vergde: ze liet haar kind los op het water. Niet omdat ze de zekerheid had dat hij zou overleven, maar omdat dit het enige was wat ze nog kon doen. Ook wij staan soms op een punt waarop we moeten loslaten. Misschien een droom die niet lijkt uit te komen, een relatie die niet werkt of een situatie waarin we geen controle meer hebben. Dit bijbelgedeelte daagt ons uit om niet verlamd te raken door wat we niet kunnen veranderen, maar om te handelen in wat we wél kunnen doen. Is er iets waar je je aan vastklampt, terwijl je het eigenlijk zou moeten loslaten? Misschien is het tijd om een keuze te maken die spannend is, maar die je toevertrouwt aan Gods leiding. Dit betekent niet dat je alles zomaar uit handen geeft, maar dat je erkent: ik kan dit niet volledig controleren, maar ik kan wél mijn mandje in het water zetten en het aan God overlaten.

 

Deze vier richtlijnen vragen om een andere manier van kijken. Ze dagen je uit om stilstand als groei te zien, om God te zoeken buiten de gebaande paden, om anderen te helpen zonder alle antwoorden te hebben en om te handelen in vertrouwen, zelfs als je niet weet hoe het afloopt. Dit is geen gemakkelijke weg, maar wel een weg waarop je steeds opnieuw zult ontdekken: waar wij denken dat alles verloren is, is God al bezig een uitweg te bereiden.

Afsluiting

Laten we nog even terugkeren naar de inleiding. Noah zat in een jeugdinrichting toen iemand hem voor het eerst vroeg of hij écht wilde blijven leven zoals hij deed. Het was een maatschappelijk werker, iemand die hij eerder alleen maar als een vervelende bemoeial had gezien. Maar deze man stelde geen standaardvragen. Hij zei niet: ‘Wat ga je doen als je vrijkomt?’ of ‘Hoe wil je je leven verbeteren?’ In plaats daarvan keek hij Noah lang aan en zei: ‘Denk je dat dit alles is? Of geloof je dat er nog iets anders mogelijk is?’ Die vraag bleef hangen. Misschien voor het eerst in zijn leven dacht Noah niet alleen aan de volgende dag, de volgende stunt, de volgende vlucht. Maar aan iets wat verder lag. Iets wat hij nog niet kon zien. Hij wist niet hoe hij zijn leven moest veranderen, of hij dat überhaupt kon. Maar die woorden – Denk je dat dit alles is? – bleven nagalmen. 

     Het duurde jaren voordat er echt iets in het leven van Noah veranderde. Maar langzaam begon hij andere keuzes te maken. Niet omdat hij ineens wist waar hij naartoe wilde, maar omdat hij weigerde te geloven dat zijn verhaal al vastlag. Dat het te laat was. Hij probeerde school weer op te pakken. Vond een baantje. Maakte voor het eerst vrienden die niet probeerden hem mee te trekken naar beneden. En stukje bij beetje ontdekte hij dat het verleden niet per se zijn toekomst hoefde te bepalen. 

     Noahs verhaal is dat van velen. Misschien niet in dezelfde omstandigheden, maar wel in dat gevoel van verlorenheid, van een verkeerde afslag, van het idee dat het nu te laat is om nog een andere weg in te slaan. Maar als Exodus 2:1-25 ons iets leert, dan is het dit: Gods plan gaat door, zelfs als wij dat niet kunnen zien. Mozes had ook zijn kans verspeeld. Hij had iemand gedood. Hij had moeten vluchten. Zijn roeping leek voorbij voordat die goed en wel begonnen was. Maar terwijl hij dacht dat zijn leven voorbij was, was God hem juist aan het voorbereiden. Dat is de kern van dit bijbelgedeelte. Wat verloren lijkt, kan in Gods handen juist de basis worden voor iets nieuws. 

     Misschien herken je iets in Noahs verhaal. Misschien voel je je vast in een situatie waarin je geen uitweg ziet. Misschien heb je het gevoel dat je kansen verspeeld zijn, dat het verleden te zwaar weegt, dat er geen nieuwe toekomst is. Maar vergeet dit niet: God hoort, God ziet en God bereidt iets voor – zelfs als jij dat nog niet merkt.

     In Jesaja 42:16 belooft God: ‘Blinden laat Ik gaan over onbekende wegen, op paden die ze niet kennen voer Ik hen. Voor hen uit verander Ik duisternis in licht, ruig land maak Ik vlak. Ja, deze dingen zal Ik doen, niets daarvan zal Ik nalaten.’ Dit is hoe God werkt. Hij opent wegen waar wij alleen doodlopende paden zien. 

     Ga de komende tijd met deze waarheid in je hart: waar jij denkt dat alles vastzit, is God al bezig een uitweg te bereiden. Misschien zie je het nog niet. Misschien begrijp je niet hoe. Maar vertrouw erop dat Zijn werk doorgaat. Kijk om je heen, zoek Hem op onverwachte plekken en durf te geloven dat het verhaal nog niet is afgelopen. Want net zoals Mozes, net zoals Noah, net zoals zoveel mensen voor jou, is jouw toekomst nog niet geschreven. God is nog niet klaar met jou.

Reflectievragen

  1. Welke momenten in je leven voelde je je vastzitten, zonder zicht op een uitweg? Hoe kijk je nu terug op die momenten?
  2. Hoe ga jij om met periodes waarin God stil lijkt? Wat zou het voor jou betekenen om te vertrouwen dat Hij achter de schermen werkt?
  3. Mozes dacht dat zijn fouten hem hadden gediskwalificeerd. Zijn verleden werd echter onderdeel van Gods plan. Hoe kijk jij naar je eigen verleden? Zie je het als een belemmering of als iets waar God mee kan werken?
  4. Jochebed moest haar zoon loslaten zonder te weten hoe het zou aflopen. Is er iets in jouw leven dat je moeilijk vindt om los te laten en aan God toe te vertrouwen?
  5. Op welke onverwachte plekken zou je God deze week kunnen zoeken, buiten de gebaande paden van religie of traditie?

 

Copyrights Marjolein Gommers

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.