Mozes’ aarzeling en Gods bevestiging (Exodus 4:1-31)

Inleiding

David (38) trommelde met zijn vingers op het aanrecht en staarde naar zijn telefoon. Hij wist wat hij moest doen. Hij moest die man terugbellen. Maar hij deed het niet. Een uur geleden had hij een bericht ontvangen van een oud-collega: ‘David, er is een functie vrijgekomen bij ons bedrijf. Ik denk dat jij een goede kans maakt. Bel me als je interesse hebt.’ David had meteen zijn telefoon opgepakt, maar toen hij zijn duim boven het scherm hield, begon de twijfel: waarom zou ik? Wie zegt dat ze me überhaupt willen? Hij had al zo vaak gesolliciteerd en telkens weer had hij hetzelfde antwoord gekregen: ‘We hebben gekozen voor een andere kandidaat.’ Hij had genoeg argumenten om níét te bellen. Het was niet zijn vakgebied. Er waren vast anderen die beter geschikt waren. En trouwens – hij was geen vlotte prater, geen overtuigende leider. Hij kon moeilijk uit zijn woorden komen, vooral als hij onder druk stond. Wat als hij zou vastlopen tijdens het gesprek? Wat als hij stuntelig overkwam en ze dachten: dit is niet de man die we zoeken?

     Anna, zijn vrouw, kwam de keuken binnen. ‘Heb je al teruggebeld?’ vroeg ze. David schudde zijn hoofd. ‘Ik weet niet of dit iets voor mij is.’ Anna trok haar wenkbrauwen op. ‘David, ze willen jou spreken. Waarom twijfel je?’ David haalde zijn schouders op. ‘Ik ben geen goede spreker. Ik ben nooit degene geweest die indruk maakt in een gesprek.’ Anna keek hem doordringend aan. ‘En dan?’ zei ze. ‘Is dat echt een reden om het niet te proberen?’ David keek weer naar zijn telefoon. Zijn vingers speelden met de rand van het toestel. Hij wist dat ze gelijk had. Maar diep vanbinnen bleef die stem fluisteren: je kunt dit niet.

     Mozes wist hoe dat voelde. Hij stond voor een roeping die zijn krachten ver te boven ging. God gaf hem een opdracht die onmogelijk leek. Hij moest naar de farao gaan – de machtigste man van Egypte – en eisen dat hij het volk Israël zou laten gaan. Maar Mozes zag alleen zijn eigen beperkingen.  ‘Ze zullen me niet geloven. Ze zullen niet naar me luisteren.’ (Exodus 4:1) ‘Ik ben geen goed spreker. Dat is altijd al zo geweest.’ (Exodus 4:10) Mozes zag wat hij níét kon. Maar God vroeg hem niet om perfect te zijn. Hij vroeg alleen: wat heb je in je hand? Dat bleek genoeg te zijn.

Bijbeltekst (NBV21)

Exodus 4

[1] Weer maakte Mozes bezwaar. ‘Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren,’ zei hij. ‘Ze zullen zeggen: “De HEER is helemaal niet aan jou verschenen.”’ [2] De HEER vroeg: ‘Wat heb je daar in je hand?’ ‘Een staf,’ antwoordde Mozes. [3] ‘Gooi hem op de grond,’ beval de HEER, en toen Mozes dat deed, veranderde de staf in een slang. Mozes deinsde achteruit, [4] maar de HEER zei tegen hem: ‘Grijp de slang bij zijn staart.’ Toen Mozes dat deed, veranderde in zijn hand de slang weer in een staf. [5] De HEER zei: ‘Hierdoor zullen ze geloven dat de HEER, de God van hun voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, aan jou verschenen is.’ [6] Ook zei Hij: ‘Steek je hand eens in je kleed.’ Mozes deed dat, en toen hij zijn hand er weer uit trok, zat die onder de uitslag, hij was sneeuwwit. [7] ‘Steek je hand nog eens in je kleed,’ zei de HEER. Mozes deed het en toen hij zijn hand er opnieuw uit trok, zag die er weer net zo uit als de rest van zijn huid. [8] ‘Als ze je niet geloven en zich niet door het eerste wonderteken laten overtuigen,’ zei de HEER, ‘dan zullen ze zich wel laten overtuigen door het tweede. [9] Maar zijn ze door geen van deze beide wonderen te overtuigen en blijven ze weigeren naar je te luisteren, dan moet je water uit de Nijl scheppen en dat over het land uitgieten; het water uit de Nijl zal op het droge in bloed veranderen.’

[10] Maar Mozes antwoordde: ‘Neemt U mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen goed spreker. Dat is altijd al zo geweest, en daar is geen verandering in gekomen nu U tegen mij, uw dienaar, gesproken hebt. Ik kan moeilijk uit mijn woorden komen.’ [11] De HEER zei: ‘Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie maakt iemand stom of doof, ziende of blind? Wie anders dan Ik, de HEER? [12] Ga nu, Ik zal bij je zijn als je moet spreken en je de woorden in de mond leggen.’

[13] Maar Mozes zei: ‘Neemt U mij niet kwalijk, Heer, stuur toch iemand anders, wie U maar wilt.’ [14] Nu werd de HEER kwaad op Mozes. ‘Je hebt toch een broer, de Leviet Aäron?’ zei Hij. ‘Ik weet dat hij welbespraakt is. Hij is al naar je onderweg en zal blij zijn je te zien. [15] Spreek tot hem en leg hem de woorden in de mond. Ik zal bij jullie zijn als je moet spreken en jullie zeggen wat je moet doen. [16] Hij zal in jouw plaats het volk toespreken: hij zal jouw mond zijn, jij zult zijn god zijn. [17] En neem je staf in de hand, want daarmee moet je de wonderen doen.’

[18] Mozes ging terug naar zijn schoonvader Jetro en zei tegen hem: ‘Ik zou graag teruggaan naar Egypte, om te zien of de mensen van mijn volk nog in leven zijn.’ ‘Ga in vrede,’ antwoordde Jetro. [19] De HEER zei Mozes nog in Midjan dat hij veilig naar Egypte kon terugkeren, aangezien iedereen die hem naar het leven had gestaan gestorven was. [20] Mozes zette zijn vrouw en kinderen op een ezel en ging op weg, terug naar Egypte. De staf van God hield hij in zijn hand. [21] Toen zei de HEER tegen Mozes: ‘Nu je teruggaat naar Egypte, moeten jullie daar de farao alle wonderen laten zien waartoe Ik je de macht heb gegeven. Ik zal ervoor zorgen dat hij hardnekkig weigert het volk te laten gaan. [22] En dan moet jij tegen de farao zeggen: “Dit zegt de HEER: Israël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon. [23] Ik heb je bevolen mijn zoon te laten gaan om Mij te vereren, maar dat heb je geweigerd. Daarom zal Ik jouw eerstgeboren zoon doden.”’

[24] Onderweg, toen Mozes en de zijnen ergens overnachtten, kwam de HEER op hem af en probeerde hem te doden. [25] Sippora pakte een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon weg en raakte daarmee Mozes’ voeten aan, terwijl ze zei: ‘Een bloedbruidegom ben jij voor mij.’ [26] (Ze noemde hem toen bloedbruidegom vanwege die besnijdenis.) Toen liet de HEER hem met rust.

[27] De HEER had tegen Aäron gezegd: ‘Ga de woestijn in, Mozes tegemoet.’ Aäron was op weg gegaan en ontmoette Mozes bij de berg van God. Hij kuste hem [28] en Mozes vertelde Aäron wat de HEER hem had opgedragen: wat hij moest zeggen en welke wonderen hij moest doen. [29] Toen gingen Mozes en Aäron samen naar Egypte en daar riepen ze de oudsten van Israël bij elkaar. [30] Aäron herhaalde woord voor woord wat de HEER tegen Mozes gezegd had, en liet het volk de wonderen zien. [31] De Israëlieten werden hierdoor overtuigd; toen ze hoorden dat de HEER hun ellende had gezien en zich hun lot had aangetrokken, knielden ze en bogen ze zich diep neer.

 

© 2021 Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Exegetische uitleg

Na het lezen van de bijbeltekst richten we ons nu op de exegetische uitleg van Exodus 4:1-31. In dit gedeelte volgen we stap voor stap de inhoud en betekenis van de tekst, zodat we de samenhang en boodschap beter begrijpen. We kijken naar Mozes’ onzekerheid, Gods antwoorden, de tekenen die Hij geeft en de voorbereiding op Mozes’ terugkeer naar Egypte. De exegetische uitleg vormt de basis voor de kernboodschap, die we daarna formuleren en toepassen op ons eigen leven. Eerst duiken we in de tekst.

 

Exodus 4:1-9. Gods tekenen als bevestiging voor Mozes 

Mozes staat nog steeds op de heilige grond waar God hem heeft geroepen. Maar in plaats van gehoorzaam op weg te gaan, blijft hij aarzelen. Hij heeft al eerder geprotesteerd: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’ (Exodus 3:11). God had hem toen verzekerd: ‘Ik zal bij je zijn’ (Exodus 3:12). Maar dat antwoord heeft zijn onzekerheid niet weggenomen. Nu komt hij met een nieuw bezwaar: ‘Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren. Ze zullen zeggen: “De HEER is helemaal niet aan jou verschenen.”’.

     Zijn angst is begrijpelijk. Waarom zou het volk Israël hem geloven? Ze hebben al generaties lang geleden onder de Egyptische overheersing en waarschijnlijk hebben ze vaker hoop gekoesterd op bevrijding – zonder dat er iets veranderde. Bovendien is Mozes al veertig jaar weggeweest. De laatste keer dat hij in Egypte was, moest hij vluchten omdat hij een Egyptenaar had gedood (Exodus 2:11-15). Misschien zien de Israëlieten hem nog steeds als een buitenstaander. Hij heeft geen positie, geen militaire macht en geen reputatie. Wat heeft hij eigenlijk in handen?

     Precies dat vraagt God aan hem: ‘Wat heb je daar in je hand?’ Mozes antwoordt: ‘Een staf.’ Een eenvoudig herdersinstrument, een symbool van zijn werk. Het is geen scepter van een koning, geen zwaard van een strijder – alleen een stok die hij dagelijks gebruikt om schapen te hoeden. Maar in Gods handen zal dit alledaagse voorwerp een instrument van wonderen worden.

     God zegt tegen Mozes: ‘Gooi hem op de grond.’ Zodra Mozes dit doet, verandert de staf in een slang en hij deinst achteruit. Dit is geen loze schrikreactie. Slangen waren gevaarlijk, zeker in de woestijn. Maar er is meer aan de hand: in de Egyptische cultuur stond de slang symbool voor koninklijke macht. Farao’s droegen een afbeelding van een opgerichte cobra op hun kroon, als teken van hun goddelijke autoriteit. De slang die Mozes’ staf wordt, is niet zomaar een reptiel – het is een teken dat God de macht van Egypte kan onderwerpen.

     Dan zegt God iets opmerkelijks: ‘Grijp de slang bij zijn staart.’ Dit druist in tegen elke logica. Een slang wordt nooit bij zijn staart gepakt, want dan kan hij zich omdraaien en bijten. Toch gehoorzaamt Mozes. Zodra hij de slang vastgrijpt, verandert die weer in een staf. God laat zien dat Hij niet alleen het wonder doet, maar Mozes ook leert om erop te vertrouwen. Dit is het eerste teken dat Mozes aan de Israëlieten moet laten zien.

     Maar God voegt nog een tweede teken toe. ‘Steek je hand eens in je kleed.’ Mozes gehoorzaamt, maar als hij zijn hand weer tevoorschijn haalt, is die bedekt met een huidziekte, ‘sneeuwwit’ van de uitslag. Dit verwijst waarschijnlijk naar een ernstige vorm van melaatsheid, een ongeneeslijke ziekte die iemand onrein maakte. In de oude wereld was dit niet alleen een medisch probleem, maar ook een sociale en religieuze ramp. Iemand met melaatsheid werd uitgesloten van de gemeenschap, geïsoleerd.

     Opnieuw geeft God Mozes een opdracht: ‘Steek je hand nog eens in je kleed.’ Mozes doet het en als hij zijn hand er weer uittrekt, is die volledig genezen. Dit wonder heeft een diepe betekenis. Israël, geknecht in slavernij, lijkt door Egypte besmet en verzwakt. Maar God zal hen genezen en herstellen. Bovendien toont het Gods absolute macht over ziekte en gezondheid, zuiverheid en onreinheid.

     Als derde teken zegt God: ‘Schep water uit de Nijl en giet het over het land uit; het water uit de Nijl zal op het droge in bloed veranderen.’ De Nijl was de levensader van Egypte. Het water maakte het land vruchtbaar en werd bijna als een godheid vereerd. Dit wonder is een voorbode van de eerste plaag (Ex. 7:14-24). Waar Egypte leven uit de Nijl haalt, zal God diezelfde bron veranderen in een teken van oordeel.

     Door deze drie wondertekenen beantwoordt God Mozes’ twijfel. Hij geeft geen theologisch debat, maar laat Mozes zien dat zijn roeping wordt bevestigd door Gods kracht. De tekenen raken drie fundamentele aspecten van de bevrijding: Gods macht over Egypte, Zijn genezende kracht voor Israël en Zijn oordeel over onderdrukking. Toch zien we ook Gods geduld. Hij had Mozes’ aarzeling kunnen afwijzen, maar in plaats daarvan leidt Hij hem stap voor stap naar vertrouwen.

     Dit patroon zien we door de hele Bijbel heen. Ook Jezus deed wonderen als bevestiging van Zijn goddelijke autoriteit (Johannes 10:38). Maar waar Mozes worstelde met onzekerheid, sprak Jezus met gezag. Toch werd ook Hij geconfronteerd met ongeloof, ondanks alle tekenen die Hij deed.

     Mozes begint dit hoofdstuk als een herder met een staf. Maar straks zal diezelfde staf de Rode Zee splijten en het volk Israël bevrijden. Wat in Mozes’ ogen klein en onbeduidend lijkt, wordt in Gods handen een krachtig instrument.

 

Exodus 4:10-12. Mozes’ bezwaren over zijn gebrek aan welsprekendheid 

Mozes staat nog steeds voor de brandende doornstruik. Hij heeft al verschillende bezwaren geuit tegen de opdracht die God hem geeft. Eerst vroeg hij zich af waarom hij zou worden uitgekozen (‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’ – Exodus 3:11), daarna was hij bang dat het volk Israël hem niet zou geloven (‘Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren.’ – Exodus 4:1). Maar ondanks Gods antwoorden en de wondertekenen die Hij heeft gegeven, blijft Mozes twijfelen. Nu komt hij met een heel persoonlijk bezwaar: ‘Neemt U mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen goed spreker. Dat is altijd al zo geweest, en daar is geen verandering in gekomen nu U tegen mij, uw dienaar, gesproken hebt. Ik kan moeilijk uit mijn woorden komen.’

     Dit is geen oppervlakkig excuus. Dit is een diepgewortelde onzekerheid. Mozes voelt zich niet alleen onbekwaam – hij is ervan overtuigd dat zijn zwakheid een obstakel is voor Gods plan. De Hebreeuwse woorden die hij gebruikt, betekenen letterlijk ‘zwaar van mond’ en ‘zwaar van tong’. Dit roept de vraag op: had Mozes een spraakgebrek? Sommigen denken van wel, anderen suggereren dat hij simpelweg geen ervaren redenaar was of het Egyptisch niet meer goed beheerste na veertig jaar in Midjan. Maar wat de precieze oorzaak ook was, voor Mozes voelt het als een onoverkomelijk probleem.

     Zijn reactie is herkenbaar. Hoe vaak gebeurt het niet dat mensen zich geroepen voelen om iets te doen, maar zich laten tegenhouden door hun eigen onzekerheid? Ik ben niet goed genoeg. Ik ben geen leider. Ik kan niet spreken in het openbaar. Wat als ik faal? Mozes’ angst is universeel: de angst om te falen in iets wat groter is dan jezelf.

     Gods reactie is krachtig en direct. ‘Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie maakt iemand stom of doof, ziende of blind? Wie anders dan Ik, de HEER?’ Mozes richt zich op zijn beperkingen, maar God richt zich op Zijn macht. Hij herinnert Mozes eraan dat Hij de Schepper is. De mond waarmee mensen spreken, de oren waarmee ze luisteren, de ogen waarmee ze kijken – alles is door Hem gemaakt. Dit vers laat iets zien van Gods soevereiniteit: Hij is niet alleen de God die het volk Israël zal bevrijden, Hij is ook de God die individuele mensen vormt en leidt.

     Deze woorden zetten Mozes voor het blok. Hij had misschien gehoopt dat God zijn zwakheid zou wegnemen, dat Hij een wonder zou doen waardoor hij ineens een welsprekend leider zou worden. Maar dat gebeurt niet. God zegt niet: ‘Ik zal je tong genezen’, maar: ‘Ik zal bij je zijn als je moet spreken en je de woorden in de mond leggen.’ Dit is een cruciaal punt. Gods oplossing voor Mozes’ onzekerheid is niet dat Hij hem verandert, maar dat Hij belooft bij hem te zijn.

     Dit principe zien we door de hele Bijbel heen. Wanneer Jeremia wordt geroepen, reageert hij met een vergelijkbaar bezwaar: ‘Ach, mijn God, HEER, ik kan het woord niet voeren: ik ben te jong.’ (Jeremia 1:6). Maar Gods antwoord is bijna hetzelfde als aan Mozes: ‘Zeg niet: “Ik ben te jong.” Richt je tot iedereen naar wie Ik je zend en zeg alles wat Ik je opdraag. (…) En de HEER strekte zijn hand uit, raakte mijn mond aan en zei tegen mij: “Hiermee leg Ik mijn woorden in jouw mond.”’ (Jeremia 1:7-9). Ook in het Nieuwe Testament zien we dit patroon. Jezus koos geen ervaren redenaars of theologen als discipelen, maar vissers en tollenaars. ‘Toen de leden van het Sanhedrin zagen hoe vrijmoedig Petrus en Johannes optraden en begrepen dat het gewone, ongeletterde mensen waren, stonden ze verbaasd, en ze realiseerden zich dat beiden in Jezus’ gezelschap hadden verkeerd.’ (Handelingen 4:13). De kracht lag niet in hun talent, maar in Gods aanwezigheid.

     Mozes’ reactie laat zien hoe moeilijk het is om los te laten wat wij denken nodig te hebben om succesvol te zijn. Hij verwachtte dat hij zelf een bekwame spreker moest zijn, maar God verwacht van hem alleen gehoorzaamheid en vertrouwen. Het is niet Mozes die het volk Israël zal bevrijden, het is God die dat zal doen – Mozes is slechts een instrument in Zijn hand.

     Voor ons vandaag is dit een confronterende les. Hoe vaak laten wij ons tegenhouden door onze eigen tekortkomingen? Hoe vaak denken wij dat wij pas iets voor God kunnen betekenen als we ‘bekwaam genoeg’ zijn? Maar de Bijbel laat zien dat God geen mensen roept omdat ze perfect zijn, maar omdat Hij hen wil gebruiken.

     Mozes begint dit hoofdstuk met het gevoel dat hij niet geschikt is. Maar God draait het om: het gaat niet om wat hij zelf kan, maar om wat God door hem heen zal doen. En dat is misschien wel de grootste uitdaging: durven vertrouwen dat God met ons is, zelfs als we ons onbekwaam voelen.

 

Exodus 4:13-17. Gods toorn en de aanstelling van Aäron als woordvoerder 

Mozes heeft alles geprobeerd om onder zijn roeping uit te komen. Eerst twijfelde hij aan zichzelf (‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’ – Exodus 3:11), toen aan de reactie van het volk (‘Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren.’ – Exodus 4:1) en vervolgens wees hij op zijn gebrek aan welsprekendheid (‘Ik ben geen goede spreker.’ – Exodus 4:10). Maar nu, in deze verzen, valt de laatste maskering weg. Mozes komt niet meer met een nieuw bezwaar, geen nieuw excuus. Hij zegt simpelweg: ‘Neemt U mij niet kwalijk, Heer, stuur toch iemand anders, wie U maar wilt.’

     Dit is een belangrijk moment. De eerdere bezwaren van Mozes waren nog te verklaren als angst of onzekerheid, maar hier blijkt iets anders: onwil. Hij wil niet. Zijn woorden klinken nederig, bijna als een beleefde afwijzing, maar in werkelijkheid zegt hij tegen God: ik ben niet beschikbaar. Het gebruik van het Hebreeuwse woord Adonai voor ‘Heer’ – wat letterlijk  ‘Meester’ betekent – is ironisch. Hij noemt God zijn Meester, maar weigert Hem te gehoorzamen.

     Dan verandert de toon van het gesprek. Voor het eerst in dit hoofdstuk lezen we: ‘Nu werd de HEER kwaad op Mozes.’ (Exodus 4:14). Dit is geen lichte irritatie, maar echte toorn. Waarom? Niet omdat Mozes bang is – God heeft hem steeds geduldig gerustgesteld. Niet omdat Mozes tekortkomingen heeft – God heeft juist laten zien dat Hij in die zwakheden zal voorzien. Nee, Gods woede wordt gewekt omdat Mozes niet wil. Dit is het punt waarop twijfel overgaat in verzet.

     Toch straft God hem niet. Hij zou Mozes kunnen vervangen door iemand anders, maar dat doet Hij niet. God heeft Mozes gekozen en Zijn plan verandert niet zomaar. Wel past Hij het aan. ‘Je hebt toch een broer, de Leviet Aäron? Ik weet dat hij welbespraakt is. Hij is al naar je onderweg en zal blij zijn je te zien.’

     Het feit dat Aäron al onderweg is, laat zien dat God deze ontwikkeling heeft voorzien. Maar het feit dat God Aäron moet inschakelen, is eigenlijk een concessie. Mozes had deze taak oorspronkelijk zélf moeten vervullen. Nu krijgt hij hulp, maar dat zal later ook tot complicaties leiden. Aäron blijkt een zwakke leider te zijn; hij zal zich laten overhalen om het gouden kalf te maken (Exodus 32:1-6). Mozes’ tegenzin heeft gevolgen.

     God legt vervolgens uit hoe de samenwerking tussen Mozes en Aäron zal plaatsvinden: ‘Spreek tot hem en leg hem de woorden in de mond. Ik zal bij jullie zijn als je moet spreken en jullie zeggen wat je moet doen.’ Mozes zal Gods woorden ontvangen en ze doorgeven aan Aäron, die ze op zijn beurt aan het volk en de farao zal verkondigen. Dit is opmerkelijk. In de oudheid had een profeet meestal een directe spreekrol; hier wordt er een extra schakel tussen geplaatst.

     Daarom zegt God vervolgens een raadselachtige zin: ‘Hij zal in jouw plaats het volk toespreken: hij zal jouw mond zijn, jij zult zijn god zijn.’ Wat betekent dat? Mozes wordt hier niet goddelijk gemaakt, maar hij wordt de directe vertegenwoordiger van Gods woorden voor Aäron. Dit benadrukt Mozes’ unieke rol als Gods bemiddelaar. Later in Exodus zien we dat Mozes die positie verder uitbouwt. Hij is degene die op de berg Sinaï met God spreekt en hij is degene die voor het volk pleit wanneer zij in zonde vallen (Exodus 32:11-14).

     Ten slotte geeft God Mozes nog een duidelijke opdracht: ‘En neem je staf in de hand, want daarmee moet je de wonderen doen.’ Dit is niet zomaar een praktische instructie. De staf, die eerder in een slang veranderde, wordt hier officieel aangewezen als het instrument van Gods macht. Dit is geen scepter van een koning, geen wapen van een generaal, maar een eenvoudig herdersattribuut. En toch zal deze staf een cruciale rol spelen: Mozes zal ermee de Nijl in bloed veranderen (Exodus 7:20), de Rietzee splijten (Exodus 14:16) en water uit de rots slaan (Exodus 17:5-6). God gebruikt iets gewoons – een simpel stuk hout – om Zijn kracht te laten zien.

     Dit hele gedeelte draait om gehoorzaamheid. Mozes worstelt niet langer met zijn zelfbeeld, maar met de vraag of hij zich volledig aan God wil toevertrouwen. Zijn afwijzing wekt Gods woede op, maar Zijn genade is groter. Hij geeft Mozes een helper en een teken van Zijn macht. Toch zien we dat Mozes’ aarzeling gevolgen heeft. Aäron zal later een bron van zwakte blijken te zijn en de staf zal symbool worden voor Mozes’ afhankelijkheid van God.

     Dit patroon herhaalt zich door de hele Bijbel. God roept mensen die zich onwaardig of onbekwaam voelen. Denk aan Jeremia, die zegt: ‘Ik ben te jong!’ (Jeremia 1:6), of Gideon, die klaagt: ‘Mijn familie heeft in onze stam, Manasse, niets in te brengen, en ikzelf ben de jongste van de familie’ (Rechters 6:15). Maar Gods reactie blijft dezelfde: ‘Ik zal bij je zijn.’

     Voor ons vandaag is de les duidelijk. Mozes dacht dat zijn beperkingen een reden waren om Gods roeping te weigeren. Maar in werkelijkheid was het zijn onwil die hem tegenhield. De vraag is: waar houden wij onszelf tegen? Waar verschuilen wij ons achter zwakheid, terwijl God allang gezegd heeft ‘Ik zal met je zijn’?

 

Exodus 4:18-20. Mozes’ terugkeer naar Egypte met Gods staf in de hand 

Mozes heeft geen argumenten meer over. Hij heeft geworsteld met zijn roeping, geprobeerd om onder zijn taak uit te komen en uiteindelijk zelfs gevraagd of God iemand anders kon sturen. Maar God heeft hem geen keus gelaten. Nu moet hij de daad bij het woord voegen. In deze verzen zien we hoe hij daadwerkelijk in beweging komt.

     Eerst keert hij terug naar zijn schoonvader Jetro. ‘Ik zou graag teruggaan naar Egypte, om te zien of de mensen van mijn volk nog in leven zijn.’ Dit is een opmerkelijke manier om zijn vertrek aan te kondigen. Hij zegt niets over de brandende doornstruik, niets over Gods roeping, niets over de opdracht om het volk Israël te bevrijden. Waarom is hij zo vaag?

     Mogelijk probeert Mozes een conflict te vermijden. Jetro was zijn werkgever en zijn familiehoofd. In de oude wereld speelde een schoonvader een belangrijke rol binnen de clan. Als Mozes openlijk had gezegd ‘God heeft mij geroepen om naar Egypte te gaan en een volk uit slavernij te bevrijden’, had Jetro dan nog zo makkelijk toestemming gegeven? Misschien wilde Mozes zijn vertrek zo soepel mogelijk laten verlopen. Maar het is ook denkbaar dat hij, ondanks alles, nog steeds aarzelde. Hij heeft God wel gehoord, maar voelt hij zich al volledig overgegeven aan de taak?

     Jetro reageert zonder aarzeling: ‘Ga in vrede.’ Dit korte antwoord is veelzeggend. Waar Mozes worstelde met zijn roeping, heeft Jetro geen enkel bezwaar. Hij stelt geen vragen, probeert hem niet tegen te houden, maar zegent zijn vertrek met een zegenwens. Dit contrasteert met Mozes’ eigen houding. Soms denken we dat de mensen om ons heen obstakels zullen opwerpen, terwijl de grootste obstakels eigenlijk in onszelf liggen.

     Terwijl Mozes zich voorbereidt op de reis, spreekt God opnieuw tot hem: ‘De HEER zei Mozes nog in Midjan dat hij veilig naar Egypte kon terugkeren, aangezien iedereen die hem naar het leven had gestaan gestorven was.’ Veertig jaar eerder had Mozes Egypte moeten ontvluchten na de doodslag op een Egyptenaar (Exodus 2:11-15). Die bedreiging is nu verdwenen.

     Dit patroon – dat God iemand pas terugstuurt wanneer de dreiging is geweken – zien we later opnieuw bij Jezus. In Mattheüs 2:19 krijgt Jozef in een droom de boodschap dat hij met Maria en Jezus uit Egypte mag terugkeren, omdat de machthebber die het kind wilde doden, is gestorven. Dit laat zien dat God Zijn plannen uitvoert volgens Zijn eigen timing. Hij roept niet alleen, maar Hij bereidt ook de weg.

     Mozes vertrekt dan eindelijk: ‘Mozes zette zijn vrouw en kinderen op een ezel en ging op weg, terug naar Egypte. De staf van God hield hij in zijn hand.’ Hier zien we een beslissende overgang. Mozes gaat niet alleen, hij neemt zijn gezin mee. Dit is een teken dat hij zich werkelijk committeert aan de opdracht. Als hij had gedacht dat hij snel zou terugkeren, had hij zijn gezin waarschijnlijk in Midjan achtergelaten.

     De vermelding van de ezel is ook veelzeggend. In de oudheid was de ezel het standaard vervoermiddel voor lange reizen, vooral voor gezinnen. Ezels werden niet alleen gebruikt door gewone mensen, maar ook door koningen en profeten. In Zacharia 9:9 wordt de Messias aangekondigd als iemand die nederig op een ezel rijdt – een beeld dat Jezus later vervult bij Zijn intocht in Jeruzalem (Matteüs 21:5). Hier reist Mozes als een nederige dienaar, niet als een triomfantelijke leider.

     Maar het meest betekenisvolle detail in dit vers is de staf. Tot nu toe was het gewoon een herdersstaf, een praktisch werktuig. Maar nu wordt expliciet gezegd dat hij ‘de staf van God’ in zijn hand houdt. Dit markeert een verandering. De staf is niet langer alleen van Mozes – het is nu een instrument van Gods macht. Hiermee zal hij straks tekenen en wonderen verrichten: de Nijl veranderen in bloed (Exodus 7:20), de Rietzee splijten (Exodus 14:16) en water uit de rots slaan (Exodus 17:5-6). Een simpel stuk hout wordt in Gods hand een wapen tegen de farao en een symbool van redding voor Israël.

     Deze verzen laten een belangrijk proces zien. Mozes is geroepen, maar de gehoorzaamheid komt stap voor stap. Eerst moest hij zijn angsten overwinnen. Toen moest hij zich losmaken van zijn oude leven in Midjan. Nu zet hij de eerste concrete stap. Nog steeds is er onzekerheid – zijn woorden tegenover Jetro verraden dat – maar hij gaat. En dat is wat telt.

     Dit patroon zien we door de hele Bijbel heen. Abraham vertrok naar een onbekend land zonder te weten wat hem te wachten stond (Genesis 12:1-4). Petrus stapte uit de boot zonder te weten of hij zou blijven staan (Matteüs 14:29). Gehoorzaamheid begint met een stap.

     Voor ons is dit een herkenbare les. Misschien roept God ons om iets te doen, maar laten we ons tegenhouden door twijfel. Misschien wachten we op een perfect moment, een volledige bevestiging. Maar uiteindelijk komt het altijd neer op een keuze: zetten we de stap? Mozes vertrok, nog onzeker, maar met de staf van God in zijn hand. En dat was genoeg.

 

Exodus 4:21-23. Gods boodschap aan de farao: Israël als eerstgeboren zoon 

Mozes is op weg naar Egypte. Na een lang gesprek met God bij de brandende doornstruik en een worsteling met zijn roeping heeft hij de eerste stap gezet. Maar voordat hij zijn bestemming bereikt, spreekt God opnieuw tot hem. Dit keer krijgt Mozes een vooruitblik op wat er in Egypte zal gebeuren: ‘Toen zei de HEER tegen Mozes: “Nu je teruggaat naar Egypte, moeten jullie daar de farao alle wonderen laten zien waartoe Ik je de macht heb gegeven. Ik zal ervoor zorgen dat hij hardnekkig weigert het volk te laten gaan.”’

     Dit is een verrassende mededeling. Mozes heeft zojuist een zware taak op zich genomen, en nu hoort hij dat het niet meteen zal lukken. Zelfs wanneer hij de wondertekenen uitvoert die God hem heeft gegeven, zal de farao niet toegeven. Sterker nog, God zegt ook nog het volgende: ‘Ik zal ervoor zorgen dat hij hardnekkig weigert het volk te laten gaan.’ Dit roept direct een theologische vraag op. Is het dan God zelf die de farao ongevoelig maakt? Heeft de farao dan nog wel een keuze?

     Het Hebreeuwse woord voor ‘hardnekkig’ is chazaq, wat ‘verharden’, ‘versterken’ of ‘vastmaken’ kan betekenen. In het verdere verloop van Exodus lezen we zowel dat de farao zelf zijn hart verhardt (bijv. Exodus 8:15, 32) als dat God zijn hart verhardt (bijv. Exodus 9:12, 10:1). Dit wijst op een proces waarin de farao zich eerst zelf verzet tegen God en dat God hem later in zijn keuze bevestigt. Dit principe zien we ook terug in Romeinen 1:24, waar Paulus beschrijft hoe God mensen ‘overgeeft’ aan de gevolgen van hun eigen keuzes. De farao is dus geen marionet die zonder eigen wil wordt gestuurd. Hij blijft zich herhaaldelijk tegen God verzetten en op een gegeven moment geeft God hem over aan zijn eigen trots en koppigheid.

     De kernvraag is: waarom zou God dat doen? Waarom niet meteen een open hart geven aan de farao, zodat Israël snel bevrijd kan worden? Het antwoord ligt in het bredere plan van God. De bevrijding van Israël is niet alleen een politieke gebeurtenis, maar ook een theologische strijd. God zal zichzelf aan Egypte en Israël openbaren als de ware Koning. De wonderen die Mozes zal doen, zijn niet alleen bedoeld om de farao te overtuigen, maar ook om het volk Israël te laten zien wie hun God werkelijk is (Exodus 6:6-7).

     Dan volgt Gods opdracht aan Mozes: ‘En dan moet jij tegen de farao zeggen: “Dit zegt de HEER: Israël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon.”’ Dit is een veelzeggende uitspraak. Voor het eerst in de Bijbel wordt Israël ‘de zoon van God’ genoemd. In de oudheid had de eerstgeboren zoon een bijzondere positie. Hij was de erfgenaam, degene die de zegen en het voortbestaan van de familie zou dragen. Door Israël zo te noemen, maakt God duidelijk dat dit volk niet zomaar een groep slaven is. Het is Zijn familie, Zijn kind.

     Deze uitspraak lag niet alleen religieus, maar ook politiek zeer gevoelig. In Egypte zag de farao zichzelf als de zoon van de goden, de vertegenwoordiger van de goddelijke macht op aarde. Maar nu komt Mozes met een boodschap van de ware God: niet de farao, maar Israël is de eerstgeborene van God. Dit is een directe aanval op de Egyptische ideologie. De farao beschouwde zichzelf als goddelijk, maar in werkelijkheid is hij slechts een mens die tegenover de Schepper zal moeten buigen.

     De titel ‘eerstgeboren zoon’ heeft ook een profetische dimensie. In het Nieuwe Testament wordt Jezus ‘de eerstgeborene van talloze broeders en zusters’ genoemd (Romeinen 8:29). Waar Israël als Gods zoon faalde in zijn roeping, vervult Jezus die roeping uiteindelijk volmaakt. Hij is de ware Zoon, die Gods wil volkomen gehoorzaamt en uiteindelijk de weg opent voor de ware bevrijding van Gods volk.

     Gods boodschap aan de farao eindigt met een dreiging: ‘Ik heb je bevolen mijn zoon te laten gaan om Mij te vereren, maar dat heb je geweigerd. Daarom zal Ik jouw eerstgeboren zoon doden.’ Hier kondigt God de climax van de tien plagen aan: de dood van de eerstgeborenen van Egypte (Exodus 12:29). Dit is geen willekeurige straf, maar een directe vergelding. Egypte had Israëls kinderen jarenlang uitgebuit en zelfs laten doden (Exodus 1:22). Nu keert die onrechtvaardigheid terug op hun eigen hoofd. Dit past binnen het bredere bijbelse principe dat wie kwaad zaait, ook kwaad zal oogsten (Galaten 6:7).

     Deze verzen maken drie dingen duidelijk. Ten eerste, dat de farao zich zal blijven verzetten en dat bevrijding niet zonder strijd komt. Ten tweede, dat Israël niet zomaar een volk is, maar Gods zoon, de erfgenaam van Zijn beloften. En ten derde, dat Egypte uiteindelijk geoordeeld zal worden voor de onderdrukking van Gods volk.

     Voor ons vandaag roept dit een vraag op. Waar houden wij dingen vast die eigenlijk aan God toebehoren? De farao dacht dat hij het recht had om Israël als slavenvolk te houden, maar uiteindelijk bleek dat God de enige ware Koning was. Soms kunnen wij ons net als de farao verharden tegen Gods stem. Maar Gods roep blijft klinken: laat los wat niet van jou is en vertrouw dat Zijn weg de juiste is.

 

Exodus 4:24-26. De besnijdenis van Mozes’ zoon en Gods ingrijpen 

Mozes is onderweg naar Egypte, gehoorzaam aan Gods roeping. Na een lange periode van aarzeling en tegenstribbelen heeft hij eindelijk de stap gezet. Maar dan gebeurt er iets onverwachts en angstaanjagends. Midden in de nacht, op een rustplaats, komt de Heer op Mozes af en probeert Hem te doden. Dit is een van de meest raadselachtige passages in de Bijbel. Hoe kan God Mozes, die net door Hem is geroepen om Israël te bevrijden, nu ineens met de dood bedreigen? Wat heeft Mozes verkeerd gedaan?

     De tekst laat in het midden hoe deze dreiging zich precies manifesteerde. Werd Mozes ziek? Kreeg hij een visioen? Of was het een fysieke aanval? Wat wel duidelijk is, is dat deze situatie levensbedreigend is. Mozes kan niet doorgaan met zijn missie totdat iets fundamenteels is rechtgezet.

     De oplossing komt van Sippora, Mozes’ vrouw. Terwijl Mozes zelf passief blijft, grijpt zij in. Ze neemt een scherpe steen, snijdt de voorhuid van haar zoon weg en raakt daarmee Mozes’ voeten aan. Vervolgens zegt ze de mysterieuze woorden: ‘Een bloedbruidegom ben jij voor mij.’

     Waarom doet Sippora dit? Haar snelle handelen suggereert dat ze onmiddellijk begreep wat er mis was: hun zoon was niet besneden. In Genesis 17 had God de besnijdenis ingesteld als een teken van het verbond met Abraham en zijn nakomelingen. Elke jongen moest op de achtste dag worden besneden. Wie dat niet deed, zou uit de gemeenschap gestoten worden, omdat hij het verbond verbroken heeft (Genesis 17:14).

     Dat Mozes, de toekomstige leider van Israël, dit gebod had verwaarloosd, was een ernstige overtreding. Hij was geroepen om het volk Israël te leiden, maar had zijn eigen familie nog niet volledig onder Gods verbond gebracht. Het is een schrijnende ironie: hij zou Israël bevrijden, maar had zijn eigen huis niet op orde.

     Waarom had Mozes zijn zoon niet besneden? De tekst geeft hier geen direct antwoord op, maar er zijn enkele mogelijke verklaringen. Misschien had hij het uit nalatigheid niet gedaan, omdat hij veertig jaar in Midjan had gewoond en de praktijk was verwaterd. Een andere mogelijkheid is dat Sippora, als Midjanitische, zich verzette tegen de besnijdenis. Dit zou verklaren waarom zij nu, zij het met tegenzin, de besnijdenis uitvoert.

     Haar woorden, ‘Een bloedbruidegom ben jij voor mij’, zijn moeilijk te interpreteren. De Hebreeuwse woorden komen nergens anders in de Bijbel voor. Mogelijk bedoelt Sippora dat Mozes door dit bloed nu opnieuw ‘verbonden’ is met zijn gezin en met God. Het kan ook een uiting zijn van frustratie of schrik: ze heeft moeten ingrijpen om haar man te redden en ziet de besnijdenis als iets vreemds en onbegrijpelijks.

     Wat er ook precies bedoeld wordt, haar daad heeft effect. ‘Toen liet de HEER hem met rust.’ Het probleem was opgelost. Mozes kan verder met zijn missie, maar deze gebeurtenis laat een diepere waarheid zien: God verwacht volledige gehoorzaamheid van degenen die in Zijn dienst staan.

     Dit korte, heftige incident wijst vooruit naar latere momenten in de Bijbel waarin God geen compromis tolereert als het gaat om heiligheid. Denk aan Nadab en Abihu, de zonen van Aäron, die ongeoorloofd vuur voor de Heer brachten en werden gedood (Leviticus 10:1-2). Of denk aan Uzza, die de ark van het verbond aanraakte en direct stierf (2 Samuël 6:6-7). In al deze gevallen is de boodschap hetzelfde: God is heilig en wie in Zijn nabijheid wil leven, moet zich aan Zijn voorschriften houden.

     Deze passage is ook een voorafschaduwing van het Pascha. In Exodus 12 zal het bloed van het paaslam de Israëlieten beschermen tegen Gods oordeel. Hier in Exodus 4 zien we al dat bloed een rol speelt in redding: Sippora strijkt bloed op Mozes en daardoor wordt hij gespaard. Dit principe wordt uiteindelijk vervuld in Christus, wiens bloed de ware verlossing brengt: ‘U weet immers dat u niet met zoiets vergankelijks als zilver of goud bent vrijgekocht uit het zinloze leven dat u van uw voorouders had geërfd, maar met het kostbare bloed van Christus, als dat van een lam zonder smet of gebrek’ (1 Petrus 1:18-19).

     Wat betekent dit voor ons vandaag? Deze tekst daagt ons uit om na te denken over gehoorzaamheid. Mozes dacht misschien dat zijn nalatigheid in de besnijdenis een klein detail was, iets onbeduidends vergeleken met zijn grote taak. Maar God zag het anders. Heiligheid is geen detailkwestie. Wie geroepen is om Gods werk te doen, kan niet leven met halfslachtige gehoorzaamheid.

     Hoe zit dat met ons? Zijn er gebieden in ons leven waar we Gods geboden negeren, misschien omdat we ze onbelangrijk vinden of omdat ze ons niet goed uitkomen? Zijn er zaken die we niet aanpakken omdat ze ongemakkelijk zijn? Mozes dacht misschien dat hij klaar was om Gods volk te leiden, maar God liet hem zien dat er nog iets rechtgezet moest worden.

      Het is een confronterende les. God wil niet alleen dat we voor Hem werken; Hij wil dat ons hele leven in overeenstemming is met Zijn wil. Gehoorzaamheid is niet optioneel. De vraag is of wij, net als Mozes, bereid zijn om ook de ongemakkelijke gebieden in ons leven aan te pakken, zodat we werkelijk vrij kunnen zijn om Gods roeping te volgen.

 

Exodus 4:27-31. De ontmoeting met Aäron en de reactie van het volk

Na alle innerlijke strijd en onzekerheid van Mozes nadert het moment waarop zijn roeping concreet wordt. Maar hij zal dit niet alleen doen. God grijpt in en brengt Aäron, zijn broer, in het verhaal. Dit markeert een nieuwe fase in Gods plan: Mozes krijgt een helper aan zijn zijde en de eerste ontmoeting met het volk Israël zal plaatsvinden. ‘De HEER had tegen Aäron gezegd: “Ga de woestijn in, Mozes tegemoet.” Aäron was op weg gegaan en ontmoette Mozes bij de berg van God. Hij kuste hem.’

     Hier zien we een opvallend contrast tussen de twee broers. Mozes had zich hevig verzet tegen zijn roeping en had allerlei bezwaren geuit. Maar Aäron? Hij krijgt een bevel van God en vertrekt onmiddellijk. Zonder discussie, zonder tegenwerpingen. Dit benadrukt niet alleen hun verschillende karakters, maar ook de rol die Aäron zal spelen: hij is degene die zal spreken, degene die zal optreden als Mozes’ stem.

     De ontmoeting tussen de broers vindt plaats bij ‘de berg van God’. Dit is geen willekeurige locatie. Het is dezelfde plaats waar Mozes de brandende doornstruik had gezien en zijn roeping had ontvangen (Exodus 3:1-2). Het is een heilige plek, een plaats waar God handelt en openbaart. De begroeting is warm en intens: Aäron kust Mozes. In de oude Hebreeuwse cultuur was een broederlijke kus een teken van verbondenheid en respect. Dit is niet alleen een fysieke ontmoeting, maar ook een geestelijke eenwording. Ze worden hier niet alleen als broers herenigd, maar ook als Gods instrumenten voor bevrijding.

     Mozes deelt vervolgens alles wat God hem heeft opgedragen. Hij vertelt Aäron over de wondertekenen die God heeft gegeven en over de woorden die ze moeten spreken. Het is een moment van overdracht. Mozes was aarzelend en onzeker geweest, maar nu deelt hij vol vertrouwen Gods boodschap. Aäron accepteert zijn rol zonder protest.

     ‘Toen gingen Mozes en Aäron samen naar Egypte en daar riepen ze de oudsten van Israël bij elkaar.’ Dit is een cruciale stap. Ze gaan niet meteen naar de farao, maar naar de oudsten van Israël. In de oudheid hadden de oudsten een belangrijke functie als leiders van de gemeenschap. Ze waren niet alleen adviseurs, maar ook vertegenwoordigers van het volk. Mozes en Aäron hebben hun steun nodig om Israël te kunnen leiden.

     ‘Aäron herhaalde woord voor woord wat de HEER tegen Mozes gezegd had, en liet het volk de wonderen zien.’ Hier zien we hoe de samenwerking tussen de broers in de praktijk werkt. Aäron neemt het woord, zoals God had gezegd: ‘Hij zal jouw mond zijn, jij zult zijn god zijn.’ (Exodus 4:16). Dit betekent niet dat Mozes een goddelijke status heeft, maar dat Aäron als tussenpersoon fungeert. Mozes krijgt de woorden van God en Aäron brengt ze over aan het volk.

     Daarnaast laat Aäron de wondertekenen zien. De tekst noemt ze niet expliciet, maar het ligt voor de hand dat het gaat om de tekenen die God eerder aan Mozes had gegeven: de staf die in een slang verandert, de melaatse hand en het water dat in bloed verandert (Exodus 4:2-9). Deze tekenen hebben een diepere betekenis. Ze zijn niet slechts spektakel, maar demonstreren Gods macht. Ze laten zien dat God niet alleen woorden spreekt, maar ook handelt. Dit patroon van woord en teken zien we later terug in Jezus’ bediening, waar wonderen de kracht van Gods koninkrijk bevestigen (Johannes 10:38).

     ‘De Israëlieten werden hierdoor overtuigd; toen ze hoorden dat de HEER hun ellende had gezien en zich hun lot had aangetrokken, knielden ze en bogen ze zich diep neer.’ Dit is een diep ontroerend moment. Het volk, dat al generaties lang gebukt ging onder slavernij, hoort dat God hun lijden heeft gezien. Dit is niet zomaar een god, maar een God die betrokken is, die hoort en handelt. De reactie is instinctief: ze knielen en buigen zich neer. Dit is het eerste moment van aanbidding in Exodus. Het volk erkent dat de Heer hun gebeden heeft gehoord. Toch is hier ook een spanningsveld. Ditzelfde volk dat hier knielt in geloof en aanbidding, zal later in Exodus snel gaan klagen en twijfelen. Ze zullen mopperen over water, voedsel en de weg die God met hen gaat (Exodus 15:24; 16:3; 17:2). Dit laat zien dat geloof niet statisch is. Het ene moment vertrouwen we God, het volgende moment vragen we ons af waar Hij is. Hoe vaak herkennen wij dit in ons eigen leven?

     Dit gedeelte leert ons dat gehoorzaamheid en geloof hand in hand gaan. Mozes en Aäron gehoorzamen door Gods boodschap te brengen. De oudsten luisteren. Het volk gelooft en aanbidt. Maar dit is pas het begin. De echte beproevingen moeten nog komen.

     Voor ons vandaag is de vraag: hoe reageren wij als we horen dat God ons ziet? Is ons geloof alleen sterk in momenten van hoop of houden we vast aan Gods belofte, zelfs in moeilijke tijden? De Israëlieten knielden toen ze hoorden dat God hun lot had gezien. Maar hun geloof werd pas echt getest toen de weg naar bevrijding moeilijk werd. Dat is de uitdaging van geloof: blijven vertrouwen, ook als de weg langer en zwaarder is dan we verwachten.

Kernboodschap

De kernboodschap van Exodus 4:1-31 is: God roept geen perfecte mensen, maar mensen die durven vertrouwen – ondanks hun twijfels, zwakheden en onwil. Echt geloof begint niet bij wat wij kunnen, maar bij de moed om Gods roepstem niet langer te negeren.

     Mozes’ roeping in dit bijbelgedeelte laat een diep menselijk patroon zien: de worsteling tussen Gods roepstem en onze eigen onzekerheden. Wanneer God hem roept om Israël uit Egypte te bevrijden, reageert Mozes niet met geloof of enthousiasme, maar met weerstand. Zijn eerste reflex is niet gehoorzaamheid, maar twijfel. Hij wijst op zijn eigen tekortkomingen, stelt Gods plan ter discussie en probeert uiteindelijk zelfs onder de roeping uit te komen. Toch laat dit bijbelgedeelte ook zien dat God niet opgeeft. Hij heeft Mozes uitgekozen en ondanks diens aarzelingen blijft Hij hem begeleiden, onderwijzen en uiteindelijk dwingen een keuze te maken.

     Wat opvalt in dit hoofdstuk is dat Mozes niet alleen worstelt met praktische vragen – hoe zal het volk reageren? wat als de farao niet luistert? – maar vooral met zichzelf. Hij voelt zich ontoereikend, ongeschikt en onbekwaam. Zijn zelfbeeld is gevormd door falen uit het verleden (zijn mislukte poging om een Israëliet te redden in Exodus 2:11-15) en door een gebrek aan vertrouwen in zijn eigen vaardigheden. Dit is herkenbaar. Wie voelt zich niet soms gevangen in de gedachte dat hij niet geschikt is voor wat van hem gevraagd wordt? Dat het verleden hem diskwalificeert, dat anderen beter toegerust zijn? Mozes’ reactie is daarmee niet uniek, maar een spiegel voor ons allemaal.

     Gods antwoord is verrassend. Hij neemt Mozes’ bezwaren niet weg. Hij maakt hem niet opeens een briljante spreker of een geboren leider. Hij zegt simpelweg: ‘Ik zal bij je zijn.’ Daarmee verlegt Hij de focus van Mozes’ zwakheden naar Zijn eigen kracht. Mozes denkt dat succes afhankelijk is van zijn bekwaamheid, maar God maakt duidelijk dat het gaat om gehoorzaamheid en vertrouwen. En zelfs als Mozes weigert en God toornig wordt, verandert dat Zijn plan niet. In plaats van Mozes te vervangen, geeft Hij hem een helper in Aäron. Maar dat is geen overwinning voor Mozes – eerder een gemiste kans. Want later zal blijken dat Aäron als woordvoerder en leider minder standvastig is dan Mozes zelf (denk aan het gouden kalf in Exodus 32).

     Dit patroon zien we vaker in de Bijbel. Gideon, die zich de ‘kleinste uit zijn familie’ noemt (Rechters 6:15), wordt een machtige rechter. Jeremia, die zegt ‘Ik ben te jong’ (Jeremia 1:6), wordt een van de grootste profeten. Zelfs Paulus erkent dat Gods kracht het meest zichtbaar wordt in menselijke zwakheid (2 Korintiërs 12:9-10). De roeping van Mozes past in die lijn: God roept geen perfecte mensen, maar mensen die bereid zijn hun zwakheid aan Hem toe te vertrouwen.

     Dit maakt Exodus 4:1-31 geen verhaal over Mozes alleen, maar over hoe God werkt in mensenlevens – ook vandaag. Veel mensen herkennen de worsteling van Mozes: het gevoel dat je geroepen bent tot iets, maar jezelf niet geschikt acht. Misschien voel je de aandrang om iets in je leven te veranderen, om verantwoordelijkheid te nemen, om een sprong in het diepe te wagen, maar houd je jezelf tegen met dezelfde bezwaren als Mozes: ik ben niet goed genoeg. Wat zullen anderen zeggen? Wat als ik faal?* 

     Dit hoofdstuk laat zien dat God niet zoekt naar mensen die alles op orde hebben. Hij zoekt geen briljante redenaars, feilloze gelovigen of natuurlijke leiders. Hij zoekt mensen die durven vertrouwen, zelfs als ze twijfelen. Mensen die bereid zijn om, ondanks hun angst, toch die stap te zetten. Dat vertrouwen betekent niet dat alles makkelijk zal gaan. Mozes’ weg was vol uitdagingen en zijn onzekerheid verdween niet in één dag. Maar hij zette uiteindelijk wél de eerste stap. 

     Het confronterende aan dit bijbelgedeelte is dat Mozes’ grootste probleem uiteindelijk niet zijn gebrek aan talent is, maar zijn onwil. God kan omgaan met zwakke mensen, maar niet met mensen die weigeren. Hier ligt de kern van de boodschap: echte verandering begint niet met perfecte omstandigheden of een perfect karakter, maar met de moed om Gods roepstem niet langer te negeren. De vraag die deze tekst ons stelt is dan ook: blijven wij, net als Mozes, vasthouden aan onze twijfels en onszelf saboteren? Of durven we te vertrouwen, zelfs als we nog niet alles kunnen overzien?

Theologische reflectie

Na de exegetische uitleg en het formuleren van de kernboodschap richten we ons nu op een theologische reflectie. Deze reflectie is bedoeld om de diepere geestelijke en theologische betekenis van Exodus 4:1-31 te verkennen en te begrijpen hoe deze tekst ons geloofsleven beïnvloedt. We kijken naar het karakter van God, de verwijzingen naar Christus, de relevantie voor ons eigen leven, de bredere bijbelse verbanden en andere theologische thema’s die in dit bijbelgedeelte naar voren komen. Door deze reflectie gaan we niet alleen dieper in op de inhoud van de tekst, maar ontdekken we ook hoe de boodschap van deze verzen door de hele Bijbel heen klinkt en ons vandaag uitdaagt.

 

Het karakter van God 

Dit bijbelgedeelte openbaart op indringende wijze het karakter van God. We zien hoe Hij tegelijkertijd zowel geduldig als confronterend is. Mozes aarzelt en brengt bezwaar na bezwaar in, maar God blijft hem antwoorden, overtuigen en begeleiden. Toch is er een grens. Wanneer Mozes uiteindelijk weigert door te zeggen ‘Stuur toch iemand anders’, wordt God boos. Hier zien we dat Gods geduld niet eindeloos is als het om gehoorzaamheid gaat. Hij is liefdevol, maar Hij tolereert geen halfslachtigheid in Zijn roeping.

     Daarnaast openbaart dit hoofdstuk Gods soevereiniteit. Hij kiest wie Hij wil en rust hen toe naar Zijn maatstaven, niet naar menselijke maatstaven. Mozes ziet zichzelf als onbekwaam, maar God draait het om: het gaat niet om wat Mozes kan, maar om wat God zal doen. God verwerpt de menselijke neiging om alleen te vertrouwen op eigen capaciteiten. Hij laat zien dat Zijn kracht juist zichtbaar wordt in menselijke zwakheid. Dit patroon zien we later bij Paulus, die schrijft: ‘Je hebt genoeg aan mijn genade, want mijn kracht openbaart zich juist ten volle wanneer iemand zwak is’ (2 Korintiërs 12:9).

     Gods gerechtigheid en heiligheid worden zichtbaar in het incident met de besnijdenis. Hij is niet alleen een God van beloften en wonderen, maar ook van heilige eisen. Zelfs Mozes, de door Hem geroepen leider, kan niet buiten Gods verbond staan. Dit laat zien dat roeping niet alleen betekent dat je een taak krijgt, maar ook dat je leeft in overeenstemming met Gods heiligheid.

     Tot slot zien we Gods persoonlijke betrokkenheid. Hij openbaart zich als de God die zich verbindt met Zijn volk, die hun lijden heeft gezien en die actief ingrijpt. Hij handelt niet op afstand, maar treedt binnen in de geschiedenis, kiest een mens uit en gebruikt hem als instrument van verlossing. Dit patroon zal later zijn hoogtepunt vinden in de komst van Jezus Christus, de ultieme Verlosser.

 

De verwijzing naar Christus

Hoewel dit hoofdstuk zich in de vroege fase van Israëls geschiedenis bevindt, zijn er duidelijke lijnen te trekken naar Christus. Mozes functioneert in Exodus 4:1-31 als een voorafschaduwing van Jezus, maar met een belangrijk verschil: waar Mozes aarzelt, is Christus volledig gehoorzaam. Jezus worstelde in Gethsemane met de immense last van Zijn missie, maar in tegenstelling tot Mozes zei Hij niet ‘Stuur iemand anders’, maar ‘Laat niet wat Ik wil, maar wat U wilt gebeuren’ (Lucas 22:42).

     Ook de tekenen die Mozes moet doen, wijzen vooruit naar Jezus’ wonderen. Net zoals Mozes de staf in een slang verandert, zieken geneest en water in bloed verandert, gebruikt Jezus tekenen en wonderen om Gods koninkrijk zichtbaar te maken. Maar er is een belangrijk verschil: Mozes’ tekenen dienden om ongeloof weg te nemen en macht te demonstreren, terwijl Jezus’ wonderen genezing, vernieuwing en verlossing brachten. Jezus was niet alleen een profeet die tekenen deed, Hij was het teken van Gods aanwezigheid op aarde.

     De diepste verwijzing naar Christus vinden we echter in de woorden: ‘Israël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon.’ Dit wordt in het Nieuwe Testament expliciet verbonden met Jezus: ‘Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen.’ (Matteüs 2:15). Israël werd als volk door de Rode Zee geleid en werd in de woestijn getest, maar faalde. Jezus werd als individu door het water van de Jordaan gedoopt, ging de woestijn in en overwon de verzoekingen. Waar Israël faalde, vervulde Jezus de roeping als Gods ware Zoon. Mozes werd geroepen om Israël uit Egypte te leiden, maar Jezus kwam om de wereld uit slavernij te bevrijden, niet van een menselijke farao, maar van de macht van zonde en dood.

 

Relevantie voor ons geloofsleven

Dit bijbelgedeelte confronteert ons met de vraag: hoe reageren wij op Gods roepstem? Mozes’ reacties zijn herkenbaar. Ook wij voelen ons vaak ongeschikt of onbekwaam wanneer we voor een grote taak of verandering in ons leven staan. Maar de vraag is niet of wij bekwaam genoeg zijn. De vraag is of wij bereid zijn om Gods roeping te gehoorzamen.

     Het bijbelgedeelte leert ons dat gehoorzaamheid niet betekent dat alle twijfels verdwijnen. Mozes ging op weg naar Egypte terwijl hij nog onzeker was. Het geloofsleven is vaak een weg waarin we leren te vertrouwen, stap voor stap. We zien ook dat gehoorzaamheid geen garantie is op een gemakkelijke weg. God vertelt Mozes zelfs van tevoren dat de farao niet direct zal luisteren. Toch moet hij gaan. Gehoorzaamheid draait niet om succes volgens menselijke maatstaven, maar om trouw zijn aan Gods roeping, zelfs als het resultaat onzeker lijkt.

     Daarnaast daagt de tekst ons uit om na te denken over onze eigen excuses. Waar houden wij onszelf tegen? Waar verschuilen wij ons achter zwakheid, terwijl God allang heeft gezegd ‘Ik zal met je zijn’? Mozes’ aarzeling had gevolgen: hij moest de leiding delen met Aäron, wat later problematisch zou blijken. Dit leert ons dat uitstel en halfslachtige gehoorzaamheid gevolgen hebben. De vraag is: wachten wij op een ‘perfect moment’ of vertrouwen wij dat God ons onderweg zal toerusten?

 

Verband met andere bijbelteksten

De worsteling van Mozes is vergelijkbaar met die van andere bijbelse figuren die door God geroepen werden. Denk aan Gideon, die twijfelde aan zijn geschiktheid (Rechters 6:15), of Jeremia, die zei dat hij te jong was (Jeremia 1:6). In het Nieuwe Testament zien we Petrus, die zichzelf niet waardig achtte om Jezus te volgen (Lucas 5:8). Maar in al deze gevallen blijkt dat het niet om menselijke kwaliteiten gaat, maar om Gods kracht en aanwezigheid.

     Ook zien we in dit bijbelgedeelte een duidelijke link naar het Nieuwe Testament in de opdracht om wonderen te doen als bevestiging van de boodschap. Jezus gaf Zijn discipelen de opdracht om tekenen en wonderen te doen als bewijs dat het Koninkrijk van God nabij was (Matteüs 10:7-8). Dit laat zien dat Gods boodschap door de hele Schrift heen wordt onderstreept met Zijn kracht.

 

Andere theologische thema’s

Een centraal thema in dit hoofdstuk is roeping en gehoorzaamheid. God roept mensen niet omdat ze perfect zijn, maar omdat Hij hen wil gebruiken. Dit zien we in de hele Bijbel terug. Abraham werd geroepen zonder te weten waar hij heen ging, David werd geroepen terwijl hij nog een herdersjongen was en de discipelen werden geroepen terwijl ze nog vissers waren. God roept ons in onze zwakheid, niet ondanks, maar juist vanwege Zijn kracht.

     Een ander belangrijk thema is het belang van verbondstrouw. De gebeurtenis rondom de besnijdenis laat zien dat Mozes, hoewel hij door God geroepen was, nog niet volledig in lijn was met Gods verbond. Dit herinnert ons eraan dat Gods roeping niet alleen over een taak gaat, maar ook over een levenshouding van gehoorzaamheid en toewijding.

     Tot slot zien we in dit hoofdstuk het thema Gods genade ondanks menselijke onwil. Mozes verzette zich, maar God bleef hem roepen en gaf hem zelfs een helper in Aäron. Dit herinnert ons eraan dat, zelfs als wij falen, Gods plan niet faalt. Hij blijft ons uitnodigen om deel te nemen aan Zijn werk.

 

Dit alles brengt ons terug bij de kern: God roept geen perfecte mensen, maar mensen die durven vertrouwen. De vraag is: luisteren wij?

Praktische toepassing

De roeping van Mozes en zijn worsteling met Gods opdracht raken aan universele menselijke ervaringen: onzekerheid, angst om te falen en de neiging om verantwoordelijkheid te ontwijken. Toch laat dit bijbelgedeelte zien dat gehoorzaamheid niet betekent dat je je eerst perfect moet voelen of dat alle obstakels verdwijnen. God roept ons in onze zwakheid en gebruikt juist datgene waarvan wij denken dat het een tekortkoming is. Zoals uit de volgende vier richtlijnen blijkt, kan dit principe verrassend praktisch worden toegepast in het dagelijks leven.

 

  1. Kies moed boven comfort: zoek bewust situaties op waarin je je onbekwaam voelt.

Mozes wilde het liefst in Midjan blijven, ver weg van zijn verleden en van de moeilijke opdracht die hem wachtte. Maar Gods roeping dwingt hem om zijn veilige zone te verlaten. Dit principe geldt nog steeds: groei begint vaak op het moment dat we iets aangaan wat ons ongemakkelijk maakt. In de praktijk kan dit betekenen dat je bewust een situatie opzoekt waarin je normaal gesproken zou afhaken. Misschien heb je altijd al het gevoel gehad dat je niet goed genoeg bent om een mentor of steunpilaar voor iemand te zijn. Toch zou je eens kunnen vragen of je iemand in je omgeving kunt begeleiden of ondersteunen, bijvoorbeeld iemand die door een moeilijke periode gaat. Of misschien voel je weerstand om in gesprek te gaan met iemand met totaal andere opvattingen. Toch zou je juist in dat ongemak iets nieuws kunnen ontdekken over jezelf en over hoe God werkt. De uitdaging is: als je merkt dat je voor iets wegduikt omdat je denkt dat je het niet kunt, beschouw dat dan als een teken dat je het juist moet doen. Stap bewust in het onbekende en vertrouw erop dat God je onderweg toerust. Mozes kreeg geen volledige handleiding voordat hij op weg ging naar Egypte – hij moest gaandeweg leren vertrouwen. 

 

  1. Gebruik wat je al hebt in plaats van te wachten op ‘het juiste moment’.

Mozes’ eerste reactie op Gods opdracht was dat hij niet de juiste vaardigheden had. Hij had geen welsprekendheid, geen macht, geen autoriteit. Maar God vroeg hem: ‘Wat heb je daar in je hand?’ Een simpele staf werd in Gods handen een instrument van wonderen. Veel mensen wachten op een ‘betere’ situatie om iets voor anderen of voor God te betekenen. Ze denken: eerst moet ik mijn leven op orde hebben, eerst moet ik meer weten over het geloof of eerst moet ik zeker weten wat ik moet doen. Maar Gods vraag is nog steeds: wat heb je nú in je hand? In de praktijk betekent dit dat je niet hoeft te wachten op een perfecte omstandigheid om iets waardevols te doen. Heb je tijd? Gebruik die om iets te betekenen voor iemand die eenzaam is. Heb je kennis op een specifiek gebied? Deel die met iemand die er iets aan kan hebben. Ben je goed in luisteren? Luister dan naar iemand die gehoord moet worden. Vaak zijn het juist de kleine, gewone dingen die in Gods handen een groot verschil maken. De uitdaging is: maak een lijst van drie dingen die je nú hebt (tijd, vaardigheden, een netwerk, bepaalde levenservaringen) en vraag jezelf af: hoe kan ik dit vandaag inzetten op een manier die impact heeft? En wees niet verbaasd als datgene wat je al hebt, ineens veel krachtiger blijkt dan je dacht. 

 

  1. Besef dat je excuses vaak vermomd zijn als argumenten en doorbreek dat patroon.

Mozes gebruikte vijf bezwaren om onder Gods opdracht uit te komen. Achter elk argument zat iets diepers: angst, onzekerheid en een gebrek aan vertrouwen. Dit is een mechanisme dat veel mensen herkennen. We kunnen allerlei ‘rationele’ redenen bedenken waarom iets niet kan, terwijl het werkelijke probleem vaak angst is. In het dagelijks leven betekent dit dat je kritisch moet kijken naar je eigen denkpatronen. Als je merkt dat je steeds argumenten vindt om iets niet te doen – of dat nu een nieuwe stap in je carrière, een gesprek met iemand of een verandering in je leefstijl is – vraag jezelf dan af: is dit echt een rationele reden of ben ik gewoon bang? De uitdaging is: elke keer dat je een excuus of argument bedenkt om iets niet te doen, stel jezelf dan de vraag: als ik 100% zeker wist dat dit zou lukken, zou ik het dan nog steeds niet doen? Vaak zal het antwoord je confronteren met het feit dat je vooral bang bent voor falen. Door dat patroon te doorbreken, leer je gehoorzaamheid en moed te verkiezen boven angst. 

 

  1. Zie gehoorzaamheid niet als een last, maar als een reis die je verandert.

Een van de grootste misvattingen over gehoorzaamheid aan God is dat het voelt als een last, als iets wat moet. Maar Mozes’ verhaal laat zien dat gehoorzaamheid geen blokkade is voor je eigen ontwikkeling – het ís de manier waarop je groeit en verandert. Toen Mozes aan zijn reis begon, was hij een twijfelende herder in Midjan. Toen hij later stierf, was hij een leider die met God had gesproken als met een vriend. De gehoorzaamheid die in Exodus 4:1-31 zo moeilijk voor hem was, maakte hem uiteindelijk tot de persoon die hij bedoeld was te zijn. Dit principe geldt voor iedereen. Het betekent dat wanneer je gehoorzaam bent aan de roepstem die je diep van binnen voelt, je niet alleen ‘iets voor God doet’, maar dat het jouzelf transformeert. Misschien voel je de roeping om iemand te helpen, een nieuwe studie te beginnen of zelfs om iets uit je verleden recht te zetten. Dat kan voelen als een opgave, maar het is juist de weg naar groei. De uitdaging is: kies één gebied in je leven waarin je voelt dat je een stap moet zetten, maar waar je misschien tegen opziet. Niet omdat het moet, maar omdat je weet dat je erdoor zal groeien. Schrijf op hoe je gehoorzaamheid in dat gebied je leven zou kunnen veranderen en neem een eerste stap – hoe klein ook. Door gehoorzaamheid niet te zien als een last, maar als een reis die je verandert, ga je ontdekken dat de weg met God niet draait om perfectie, maar om transformatie. Zoals Mozes in beweging kwam en onderweg veranderde, zo verandert gehoorzaamheid ook ons.

Afsluiting

Laten we nog even terugkeren naar de inleiding. David staarde nog steeds naar zijn telefoon. De keuken om hem heen was gevuld met de geur van verse koffie, maar hij merkte het nauwelijks. Hij wist dat hij het gesprek moest voeren. Toch voelde het alsof zijn vingers vastgevroren waren aan de rand van zijn toestel.  ‘David?’ Anna stond nu tegenover hem, haar blik zachter dan daarnet. ‘Wat houdt je echt tegen?’ Hij zuchtte. ‘Ik weet niet of ik geschikt ben. Wat als ik door de mand val?’ Anna glimlachte licht. ‘Misschien is het niet aan jou om dat te beslissen.’ Haar woorden bleven even in de lucht hangen. En toen dacht David weer aan Mozes. Aan die man die zich keer op keer te onbekwaam voelde. Die dacht dat zijn zwakheid een obstakel was, terwijl God juist door die zwakheid heen werkte. Hij haalde diep adem en pakte zijn telefoon. Met trillende vingers tikte hij het nummer in en bracht de telefoon naar zijn oor. Het eerste overgaan voelde als een eeuwigheid. Toen klonk er een stem aan de andere kant van de lijn: ‘David! Goed dat je belt.’ Op dat moment viel er een last van zijn schouders. Hij wist niet waar dit gesprek hem zou brengen. Maar hij wist wél dat hij had besloten niet langer te leven vanuit angst. 

     Zo werkt God. Hij vraagt ons niet om zonder twijfel of onzekerheid te zijn. Hij vraagt ons alleen om de stap te zetten, zelfs als we ons onbekwaam voelen. Mozes begon zijn reis als een man die vooral zijn eigen beperkingen zag. Maar uiteindelijk werd hij een leider die Gods volk naar vrijheid leidde. Dat begon allemaal met één stap: gehoorzaamheid, ondanks de angst.

     Jij en ik hebben misschien ook momenten waarop we denken: ik ben niet geschikt. Ik kan dit niet. Maar Gods kracht werkt juist in zwakheid. Hij vraagt ons niet om perfectie, maar om vertrouwen. Zoals Paulus later zou schrijven: ‘Je hebt genoeg aan mijn genade, want mijn kracht openbaart zich juist ten volle wanneer iemand zwak is’ (2 Korintiërs 12:9). 

     Dus wat houdt je tegen? Waar God je ook toe roept – hoe klein of groot het ook lijkt – vertrouw erop dat Hij je niet alleen laat gaan. Zijn aanwezigheid gaat met je mee, net zoals Hij met Mozes meeging. En wat jij in je hand hebt, hoe onbeduidend het ook lijkt, kan in Gods handen een instrument van wonderen worden. 

     Ga deze week in de zekerheid dat God met je meegaat, dat Hij je kracht geeft waar jij je zwak voelt en dat Hij Zijn plan door jou heen uitvoert, zelfs als jij het nog niet kunt zien.

Reflectievragen

  1. Welke bezwaren of angsten houd jij vast die jou ervan weerhouden om stappen te zetten in vertrouwen op God?
  2. Mozes dacht dat zijn beperkingen hem ongeschikt maakten voor Gods roeping. Zijn er momenten geweest in jouw leven waarop je je ook niet bekwaam genoeg voelde? Hoe ging je daarmee om?
  3. God gebruikte Mozes’ staf – een simpel, alledaags voorwerp – om wonderen te doen. Wat heb jij ‘in je hand’ dat God zou kunnen gebruiken, ook al lijkt het klein en onbeduidend?
  4. Mozes’ gehoorzaamheid kwam stap voor stap. Eerst verzette hij zich, maar uiteindelijk zette hij de eerste stap. Is er een situatie in jouw leven waarin je weet wat je zou moeten doen, maar waarin je nog steeds aarzelt om de eerste stap te zetten?
  5. God ging met Mozes mee, ondanks zijn twijfels en gebreken. Hoe zou het je leven veranderen als je werkelijk gelooft dat God ook in jouw zwakheid werkt en je leidt, zelfs wanneer je het niet overziet?

 

Copyrights Marjolein Gommers

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.