De roeping van Mozes (Exodus 3:1-22)

Inleiding

Eva (38) veegde vermoeid over haar gezicht en keek op de klok. 02:37. Nog drieënhalf uur te gaan voordat haar nachtdienst voorbij was. Ze haalde diep adem en stond op om een kop koffie te halen. De spoedeisende hulp was rustiger dan normaal, een zeldzaam moment van stilte. De laatste patiënt – een jongen met een gebroken pols – was net naar huis gestuurd. Terwijl de koffiemachine gorgelend het kopje vulde, trilde haar telefoon in de zak van haar witte jas. Ze keek op het scherm: Ismail – Artsen Zonder Grenzen. Een oud-collega. Ze fronste. Wat zou hij willen, op dit uur? Met een lichte aarzeling nam ze op. ‘Eva, sorry dat ik je zo laat bel,’ klonk Ismails stem, met een ondertoon van urgentie. ‘Ik weet dat je het druk hebt, maar we hebben een crisis hier. In het vluchtelingenkamp aan de grens is er een uitbraak van longontsteking. Er is te weinig medicatie en amper dokters. We hebben dringend hulp nodig.’ Eva wreef over haar voorhoofd. ‘Ismail, ik weet niet …’ ‘Ik dacht meteen aan jou,’ onderbrak hij haar. ‘Je hebt ervaring, je weet hoe je met stressvolle situaties om moet gaan en je hebt een hart voor dit soort werk. Ik weet dat je moe bent, maar dit is echt dringend. Mensen sterven. We hebben je nodig.’ Eva keek naar de koffiemachine. De damp kringelde omhoog in het felle tl-licht. Haar hartslag versnelde. ‘Ik …’ Ze zocht naar woorden. ‘Ik weet niet of ik dat kan. Mijn werk is hier. Mijn patiënten. Mijn team. En mijn gezin.’ ‘Ik snap het,’ zei Ismail, zachter nu. ‘Maar soms krijg je een oproep die je niet kunt negeren. Een kans om echt een verschil te maken. Denk er alsjeblieft over na.’ Toen ze ophing, bleef ze naar haar reflectie in het donkere raam kijken. Buiten was alles stil. Binnen haar echter niet. Haar gedachten tolden.

     Dit was toch gek? Eva was niet iemand die hals over kop beslissingen nam. Ze had verantwoordelijkheden. Mensen rekenden op haar. Haar dochter had volgende week een schooluitvoering. Haar man werkte ook onregelmatige diensten. En dan was er nog de administratie, de patiënten die ze al behandelde, de wachttijden die opliepen … Toch bleef dat onrustige gevoel branden in haar borst. Wat als dit niet zomaar een telefoontje was? Wat als ze werd geroepen om iets te doen dat groter was dan haar eigen plannen? Ze nam een slok koffie, maar de bittere smaak viel haar zwaarder dan normaal. Haar ogen vielen op de meldingen op haar scherm: patiëntendossiers, medicijnbestellingen, een herinnering voor een vergadering. De bekende routine van haar leven. Kon ze zomaar weggaan? Moest ze juist niet gaan? Ze had ooit gekozen voor dit beroep omdat ze mensen wilde helpen. Omdat ze geloofde in genezing, in zorg, in het verschil maken. Maar de laatste jaren voelde het steeds meer als een systeem dat haar opslokte. Hier, in het ziekenhuis, was alles voorspelbaar. In dat kamp wachtte het onbekende. Eva staarde naar haar telefoon. De beslissing lag in haar handen. 

     Net zoals Eva onverwacht wordt geconfronteerd met een oproep die haar leven zou kunnen veranderen, wordt Mozes in Exodus 3:1-22 op een doodgewone dag geroepen door God. Hij is geen jonge, ambitieuze leider meer. Hij heeft zich neergelegd bij een eenvoudig bestaan als herder. Maar dan ziet hij iets vreemds: een struik die brandt, maar niet verbrandt. Het is een oproep die hij niet kan negeren. Maar net als Eva, heeft Mozes zijn bezwaren: wie ben ik om dit te doen? Wat als ze me niet geloven? Ik ben niet goed met woorden. Gods antwoord? ‘Ik zal met je zijn.’

     Eva voelt de spanning tussen zekerheid en roeping. Mozes ook. En misschien voelen wij dat soms ook. Wat doe je als je plotseling wordt geroepen om uit je routine te stappen, om een keuze te maken die alles zou kunnen veranderen? Luister je? Of blijf je staan, twijfelend bij de struik?

Bijbeltekst (NBV21)

Exodus 3

[1] Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde ver de woestijn in, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. [2] Daar verscheen de engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. [3] Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. [4] Maar toen de HEER zag dat Mozes dat ging doen, riep Hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’ ‘Ja, ik luister,’ antwoordde Mozes. [5] ‘Kom niet dichterbij,’ waarschuwde de HEER, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. [6] Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.

[7] De HEER zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, Ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, Ik weet hoe ze lijden. [8] Daarom ben Ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. [9] De jammerklacht van de Israëlieten is tot Mij doorgedrongen en Ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. [10] Daarom stuur Ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’

[11] Mozes zei: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’ [12] God antwoordde: ‘Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat Ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’

[13] Maar Mozes zei: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?’ [14] Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.”’ [15] Ook zei Hij tegen Mozes: ‘Zeg tegen hen: “De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En Hij heeft gezegd: ‘Zo wil Ik voor altijd heten, met die naam wil Ik worden aangeroepen door alle komende generaties.’” [16] Laat de oudsten van Israël bij elkaar komen en zeg tegen hen: “De HEER, de God van uw voorouders, is aan mij verschenen, de God van Abraham, Isaak en Jakob, en Hij heeft gezegd: ‘Ik heb gezien wat jullie in Egypte wordt aangedaan en Ik heb mij jullie lot aangetrokken. [17] Ik heb besloten om jullie uit de ellende in Egypte weg te halen en je naar een land te brengen dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.’” [18] Je zult bij de oudsten van Israël gehoor vinden, en dan moet je samen met hen naar de koning van Egypte gaan. Zeg hem dat de HEER, de God van de Hebreeën, naar jullie toe gekomen is, en vraag hem toestemming om drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de HEER, jullie God, offers te brengen. [19] Ik weet dat de koning jullie dat niet zal toestaan, tenzij hij daartoe met harde hand wordt gedwongen. [20] Daarom zal Ik met krachtige hand ingrijpen en Egypte straffen, Ik zal er wonderbaarlijke daden verrichten, en dan zal hij jullie laten gaan. [21] Ik zal ervoor zorgen dat de Egyptenaren jullie goedgezind zijn: mijn volk zal niet met lege handen vertrekken. [22] Alle vrouwen moeten aan hun buurvrouw en aan de vrouwen die bij hen in huis wonen, zilveren en gouden sieraden en ook kleren vragen. Die moeten jullie je zonen en dochters laten dragen. Zo zullen jullie de Egyptenaren beroven.’

 

© 2021 Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Exegetische uitleg

Nu volgt de exegetische uitleg van Exodus 3:1-22. In deze uitleg staan we stil bij de betekenis van de afzonderlijke delen van het bijbelgedeelte, met aandacht voor de historische, theologische en literaire context. Dit helpt om de boodschap van de tekst helder te krijgen en de diepere lagen ervan te doorgronden. De exegetische uitleg vormt de basis voor het formuleren van de kernboodschap, waarin we de betekenis van deze tekst verbinden met ons eigen leven en geloof.

 

Exodus 3:1-6. De brandende doornstruik en Gods heiligheid 

Mozes is ver weg van de wereld die hij ooit kende. De prins van Egypte is een herder geworden, zwervend door de wildernis met de kudde van zijn schoonvader Jetro. Jaren geleden had hij alles achter zich gelaten, op de vlucht nadat hij een Egyptenaar had gedood. Nu is hij een man zonder macht, levend in de anonimiteit van de woestijn. Maar precies daar, in de eenzaamheid, zal hij geroepen worden door God.

     Op een dag drijft Mozes de kudde steeds verder, tot hij bij de Horeb komt, ‘de berg van God’. Dit is geen toevallige plek. Het is een heilige plaats, al weet Mozes dat nog niet. Dan ziet hij iets vreemds: een doornstruik in brand, maar het vuur verteert de struik niet. Dat wekt zijn nieuwsgierigheid. Vuur in de woestijn is geen zeldzaam verschijnsel; door de hitte kunnen struiken gemakkelijk ontbranden. Maar dit vuur is anders. Het brandt, maar verwoest niet. Mozes besluit dichterbij te gaan om dit wonderlijke verschijnsel te onderzoeken.

     Plotseling klinkt een stem uit het vuur: ‘Mozes! Mozes!’ Zijn naam wordt tweemaal geroepen – een teken van een dringende, persoonlijke roeping. We zien dit vaker in de Bijbel: ‘Abraham! Abraham!’ (Genesis 22:11), ‘Samuel! Samuel!’ (1 Samuël 3:10). Mozes antwoordt eenvoudig: ‘Ja, ik luister.’ Geen angst, geen aarzeling – alleen beschikbaarheid. Maar dan volgt een waarschuwend gebod: ‘Kom niet dichterbij en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig.’

     Waarom wordt deze plek opeens heilig? Niet omdat de berg zelf magisch is, maar omdat God hier is. Waar Hij verschijnt, wordt het gewone buitengewoon. Dit raakt aan een kernwaarheid van de Bijbel: heiligheid is niet gebonden aan plaatsen, maar aan Gods aanwezigheid. Mozes moet zijn sandalen uittrekken – een oosters gebruik als teken van eerbied en onderdanigheid. In heilige ruimtes mochten mensen niet zomaar met hun dagelijkse schoenen binnenkomen. Hier zien we hoe God Mozes leert dat een ontmoeting met Hem altijd iets vraagt: respect, eerbied en nederigheid.

     Dan stelt God zich voor: ‘Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Deze woorden zijn beladen met betekenis. God maakt duidelijk dat Hij geen onbekende god is, maar de God van het verbond. Hij is trouw gebleven aan Zijn belofte aan de aartsvaders, zelfs in een tijd waarin Israël in slavernij zucht. Tegelijkertijd wordt Mozes hier herinnerd aan zijn afkomst. Hij groeide op in Egypte, als zoon van een Hebreeuwse moeder, maar opgevoed als een Egyptische prins. Nu staat hij voor de God van zijn volk.

     Mozes reageert instinctief: hij bedekt zijn gezicht, bang om God te zien. Dit herinnert aan later momenten in de Bijbel waarin mensen overweldigd worden door Gods heiligheid. Jesaja roept uit: ‘Wee mij, ik ben verloren!’ (Jesaja 6:5). Johannes valt als dood voor Jezus (Openbaring 1:17). In de oudtestamentische gedachtegang kan niemand God zien en blijven leven (Exodus 33:20). Mozes voelt het gewicht van de situatie: hij staat in de aanwezigheid van de heilige God.

     De brandende struik blijft een krachtig symbool. Het vuur herinnert aan Gods aanwezigheid in de Bijbel: de vurige wolk bij de uittocht, het vuur op de Sinaï, de vlammen op Pinksteren. Maar het feit dat de struik niet verteert, wijst op Gods genade. Zijn vuur verteert niet, maar roept en zuivert. Hier ligt al een voorafschaduwing van Christus, die later zichzelf zal openbaren als het licht van de wereld – een licht dat schijnt, maar niet vernietigt.

     Mozes begon die dag als een eenvoudige herder, zonder besef van wat zou komen. Maar God had een plan en Hij riep hem op een plek die Mozes zelf nooit had uitgekozen. Hier begint een nieuw hoofdstuk, niet alleen in Mozes’ leven, maar in de geschiedenis van Gods volk.

 

Exodus 3:7-10. Gods bewogenheid en roeping van Mozes 

Mozes staat nog steeds bij de brandende doornstruik, overweldigd door de ontmoeting met God. Maar nu begint God te spreken over de werkelijke reden van deze ontmoeting. Zijn eerste woorden zijn veelzeggend: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, Ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, Ik weet hoe ze lijden.’

     Mozes zal deze woorden met spanning hebben aangehoord. God noemt Israël ‘mijn volk’, waarmee Hij hun band met Hem bevestigt. Dit volk is niet vergeten, hoe hopeloos hun situatie ook lijkt. De Hebreeuwse werkwoorden die hier gebruikt worden – zien, horen en weten – drukken geen afstandelijke kennis uit, maar diepe betrokkenheid. God ziet niet alleen de onderdrukking, Hij voelt het lijden van Israël. Dit is niet de onbewogen godheid van de heidense volken, maar de levende God die Zijn volk nabij is.

     De situatie in Egypte was schrijnend. De Israëlieten waren tot slaven gemaakt, gedwongen om als arbeiders steden te bouwen voor de farao (Exodus 1:11-14). Hun werkomstandigheden waren zwaar en hun kinderen werden in de Nijl geworpen om de bevolkingsgroei te beperken. Dit alles had hun jammerklachten opgeroepen, een kreet die nu bij God is aangekomen. Dit herinnert aan Exodus 2:23-25, waar al stond dat God het gekerm van zijn volk hoorde en zich hun lot aantrok. Nu blijkt: Hij was niet alleen bewogen, maar is ook van plan om in te grijpen.

     Gods antwoord is krachtig: ‘Daarom ben Ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden.’ Het idee dat God ‘afdaalt’ is veelbetekenend. In de oud-oosterse wereld werd een god die afdaalde vaak gezien als iemand die zich actief met de menselijke geschiedenis bemoeide. Hier is het niet een mens die naar God opklimt, maar God die naar de mensen afdaalt. Dit zien we vaker in de Bijbel: bij de toren van Babel (Genesis 11:5), bij Gods verschijning op de Sinaï (Exodus 19:11) en uiteindelijk in Jezus Christus, die afdaalt om de mensheid te redden (Johannes 1:14).

     Maar God komt niet alleen om te bevrijden; Hij heeft een bestemming: ‘Ik zal hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land brengen, een land dat overvloeit van melk en honing.’ De tegenstelling is groot. Egypte is het land van slavernij, van onderdrukking en wreedheid. Maar het land dat God belooft, Kanaän, wordt gekenmerkt door overvloed. De uitdrukking ‘een land dat overvloeit van melk en honing’ was een beeldspraak voor vruchtbaarheid en voorspoed. Melk verwijst naar een land met rijke weiden voor vee, honing (waarschijnlijk dadelhoning) wijst op een vruchtbare grond met bloeiende gewassen. Israël zal niet alleen bevrijd worden, maar krijgt een toekomst, een nieuw begin.

     Toch heeft deze belofte ook een uitdagende kant: het land is niet leeg. Het is het gebied van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. God maakt Mozes hier direct duidelijk dat het beloofde land geen gave zonder strijd zal zijn. Israël zal op God moeten vertrouwen om het in bezit te nemen. Dit principe loopt als een rode draad door de Bijbel: Gods beloften worden niet zonder meer ontvangen, ze vragen om geloof en gehoorzaamheid.

     Dan herhaalt God zijn boodschap: ‘De jammerklacht van de Israëlieten is tot Mij doorgedrongen en Ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken.’ Deze herhaling benadrukt de ernst van de situatie. Dit is niet een op zichzelf staand moment, geen spontane goddelijke ingeving. Het is het antwoord op een roep die al generaties lang klinkt.

     En dan volgt het verrassende hoogtepunt: ‘Daarom stuur Ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’ De woorden moeten als een schok zijn gekomen. Mozes, die zich al veertig jaar in de anonimiteit bevindt, krijgt ineens de opdracht om terug te keren naar de machtigste heerser van die tijd. Hij, een eenvoudige herder, moet zich in de politieke arena van Egypte begeven en eisen dat de Israëlieten mogen vertrekken.

     Het Hebreeuwse woord voor ‘sturen’ (sjlach) heeft een diepe betekenis. Dit woord wordt vaak gebruikt voor profeten en apostelen. Jesaja wordt ‘gezonden’ (Jesaja 6:8), Jeremia krijgt dezelfde opdracht (Jeremia 1:7). Ook Jezus spreekt over de Vader die Hem gezonden heeft (Johannes 20:21). Dit laat zien: Mozes is geen toevallige helper. Hij wordt door God zelf geroepen voor deze taak.

     De impact van deze roeping is enorm. Mozes wordt op dat moment het instrument van Gods verlossingswerk. Zonder deze roeping zou er geen uittocht zijn, geen verbond op de Sinaï, geen intocht in Kanaän. Dit moment is het begin van een lange reis waarin Gods trouw, macht en leiding steeds opnieuw zichtbaar worden. Maar voor Mozes begint alles met een opdracht die groter is dan hijzelf. Zoals vaak in de Bijbel kiest God niet de machtige, maar de eenvoudige, niet de zelfverzekerde, maar de aarzelende.

     Dit patroon herhaalt zich door heel de Schrift: Abraham moest zijn land verlaten, Gideon voelde zich te zwak, Jeremia vond zichzelf te jong, Petrus voelde zich onwaardig. Maar God riep hen toch. En zo roept Hij ook ons, vaak op onverwachte momenten, voor taken die groter zijn dan wijzelf. Want als God roept, geeft Hij ook de kracht om te gaan.

 

Exodus 3:11-12. Mozes' twijfel en Gods belofte 

Mozes heeft de opdracht gehoord. God heeft zich aan hem geopenbaard, heeft het lijden van zijn volk beschreven en heeft Mozes geroepen om de Israëlieten uit Egypte te leiden. Dit is het moment dat alles verandert. Maar in plaats van direct gehoor te geven aan de oproep, reageert Mozes met een vraag: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’

     Mozes’ reactie is vol twijfel. Hij is geen krachtige leider of charismatische bevrijder. Hij is een herder, een man die veertig jaar geleden Egypte ontvluchtte. Hij weet wat het betekent om te falen. Hij dacht ooit het volk te kunnen helpen door een Egyptenaar te doden, maar dat leidde slechts tot ballingschap en isolatie. Nu, na al die jaren, wordt hij plotseling opgeroepen om terug te gaan naar de plaats waar hij faalde, naar de koning die hij ontvluchtte. Het is niet moeilijk om voor te stellen wat er door hem heen ging: angst, onzekerheid en misschien zelfs ongeloof.

     Zijn woorden ‘Wie ben ik?’ drukken meer uit dan bescheidenheid. Dit is een existentiële vraag. Mozes twijfelt niet alleen aan zijn vaardigheden, maar misschien ook aan zijn waarde. Waarom zou hij, van alle mensen, door God worden uitgekozen? Wat heeft hij nog te bieden? In zekere zin is zijn vraag herkenbaar. Hoe vaak voelen wij ons niet onbekwaam voor wat er op ons pad komt? Hoe vaak denken wij dat we te klein, te zwak of te onbelangrijk zijn?

     Gods antwoord is opvallend. Hij weerlegt Mozes’ twijfels niet. Hij begint geen motiverende speech over Mozes’ kwaliteiten. Hij zegt niet: ‘Je kunt het! Je hebt leiderschapservaring, je kent het hof van de farao!’ Nee, Hij zegt simpelweg: ‘Ik zal bij je zijn.’

     Dit is een veelbetekenend antwoord. God verlegt de focus van Mozes naar zichzelf. Mozes vraagt ‘Wie ben ik?’, maar God antwoordt niet met wie Mozes is, maar met wie Hij is. De kracht van deze missie ligt niet in Mozes’ vaardigheden, maar in Gods aanwezigheid. Dit is een terugkerend principe in de Bijbel. Toen Gideon zich te zwak voelde, zei God: ‘Ik zal met je zijn’ (Rechters 6:16). Toen Jeremia zichzelf te jong vond, antwoordde God: ‘Ik ben bij je’ (Jeremia 1:8). En toen Jezus zijn discipelen de wereld instuurde, gaf Hij geen uitgebreide uitleg over hun kwaliteiten, maar beloofde Hij: ‘Ik ben met jullie, alle dagen’ (Matteüs 28:20).

     De kern van Mozes’ roeping is dus niet zijn eigen kunnen, maar Gods nabijheid. Dit is een boodschap die ons uitdaagt. Hoe vaak laten wij ons tegenhouden door onze eigen beperkingen? Hoe vaak denken we dat we niet geschikt zijn om iets voor God te doen, omdat we niet slim, sterk of dapper genoeg zijn? Maar uiteindelijk gaat het daar niet om. De vraag is niet of wij in staat zijn, maar of wij bereid zijn te vertrouwen dat God met ons gaat.

     Dan geeft God Mozes een teken: ‘En dit zal voor jou het teken zijn dat Ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’ Dit is een opmerkelijk teken, omdat het geen direct bewijs is. Mozes krijgt geen wonder om hem ter plekke te overtuigen. Het teken ligt in de toekomst: pas als hij gehoorzaam is en Israël heeft bevrijd, zal hij beseffen dat God hem werkelijk gestuurd heeft.

     Dit is geen toeval. Dit is hoe geloof werkt. God vraagt van Mozes om Hem te vertrouwen, voordat hij het bewijs ziet. Dit principe komt steeds terug in de Bijbel. De priesters moesten eerst hun voeten in de Jordaan zetten, voordat het water stopte (Jozua 3:13). Petrus moest eerst uit de boot stappen, voordat hij over het water liep (Matteüs 14:29). God belooft Mozes een teken, maar Mozes moet eerst gaan voordat hij het kan ervaren.

     Bovendien is de plek van het teken veelzeggend. De berg waar Mozes nu staat, de Horeb, zal later de plaats zijn waar God zich aan het hele volk openbaart. Hier zal Hij zijn wet geven en het verbond met Israël sluiten (Exodus 19). Dit betekent dat de uittocht niet alleen een bevrijding is, maar een voorbereiding op iets groters: een leven met God.

     De manier waarop Mozes reageert is herkenbaar. Hij twijfelt, voelt zich klein en onzeker. Maar God schuift zijn twijfels niet terzijde met vage bemoedigingen. Hij geeft hem de enige zekerheid die telt: ‘Ik zal bij je zijn.’ Dit is niet alleen de kern van Mozes’ roeping, maar van ons geloof. Wie wij zijn, is uiteindelijk minder belangrijk dan wie God is. En dat is genoeg.

 

Exodus 3:13-15. Gods naam geopenbaard 

Mozes heeft zojuist de opdracht ontvangen om naar de Israëlieten te gaan en hen te vertellen dat God hen zal bevrijden. Maar er knaagt iets aan hem. Hij weet hoe lang zijn volk heeft geleden, hoe diep hun wanhoop zit. Als hij later bij hen komt en zegt dat hij door God is gestuurd, zullen ze hem niet zomaar geloven. Ze zullen vragen: welke God? Wie heeft jou gestuurd?

     In Egypte waren goden alomtegenwoordig. Iedere god had een naam en een functie. Er waren goden voor vruchtbaarheid, genezing, de zon, de onderwereld. Wat moest Mozes zeggen als de Israëlieten wilden weten welke God zich aan hem had geopenbaard? Daarom vraagt hij: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?’

     Gods antwoord is diep en mysterieus: ‘Ik ben die er zijn zal.’ Deze woorden bevatten een diepe openbaring van Gods wezen. Hij geeft geen beschrijvende naam zoals de goden van Egypte, maar een naam die zijn eeuwige bestaan en zijn trouw openbaart.

     ‘Ik ben.’ Dit betekent dat God niet afhankelijk is van iets of iemand. Hij is niet geschapen, niet beperkt door tijd of ruimte. Hij is. Waar andere goden komen en gaan, waar koningen sterven en machten verschuiven, blijft God onveranderd. Dit is troostend voor een volk dat al generaties lang in slavernij leeft. Hun omstandigheden zijn onzeker, maar God is dat niet.

     Maar deze naam betekent meer dan alleen dat God bestaat. ‘Ik zal er zijn’ wijst op Zijn aanwezigheid en trouw. God is niet alleen een verre, onbereikbare macht. Hij is een God die bij Zijn volk is, die betrokken is bij hun lijden. Dit was cruciaal voor de Israëlieten. Na jaren van slavernij, na generaties waarin het leek alsof God zweeg, bevestigt Hij hier dat Hij hen nooit verlaten heeft.

     Deze naam is niet alleen een openbaring van Gods identiteit, maar ook een belofte. Ik zal er zijn, nu en in de toekomst. Ik ben niet veranderd en ik zal Mijn volk niet verlaten. Dit is een kernboodschap die door de hele Bijbel heen klinkt. God is de God die met Zijn volk meegaat, van de woestijn tot het beloofde land, van ballingschap tot herstel.

     Vervolgens geeft God Mozes een concrete opdracht: ‘Zeg tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.”’ Dit is de naam waarmee Mozes naar zijn volk moet gaan. Het is geen theoretische kennis, maar een naam die actie vraagt. Gods naam betekent dat Hij aan het werk is. Hij zal Israël niet alleen redden, maar ook leiden.

     Daarna legt God nog een extra nadruk op zijn identiteit: ‘De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Hiermee maakt Hij duidelijk dat Hij niet zomaar een nieuwe God is die zich voor het eerst laat zien. Hij is dezelfde God die met Abraham een verbond sloot, die Isaak zegende en Jakob leidde. De geschiedenis van Israël is geen reeks losse gebeurtenissen, maar een doorlopend verhaal waarin God steeds trouw blijft aan Zijn beloften.

     God sluit af met een krachtige verklaring: ‘Zo wil Ik voor altijd heten, met die naam wil Ik worden aangeroepen door alle komende generaties.’ Dit is geen tijdelijke naam, geen momentopname. Dit is wie God is, door alle tijden heen.

     Deze openbaring van Gods naam vindt later een diepe weerklank in het Nieuwe Testament. Jezus gebruikt de woorden ‘Ik ben’ meerdere keren om zichzelf te openbaren. ‘Ik ben het licht voor de wereld’ (Johannes 8:12), ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ (Johannes 14:6). En op een cruciaal moment, als Jezus zich verdedigt tegenover de Joodse leiders, zegt Hij: ‘Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: voordat Abraham werd geboren, ben Ik’ (Johannes 8:58). Met deze woorden verbindt Jezus zichzelf rechtstreeks met de God van de brandende doornstruik. Hij claimt niet alleen een profeet of leraar te zijn, maar de eeuwige, zelfbestaande God die met Zijn volk meegaat.

     Voor Mozes was dit een bepalend moment. Hij kreeg niet alleen een naam om aan het volk te geven, maar een belofte. God zou niet op afstand blijven, maar met hen meegaan. Dit was geen god die slechts een theorie was, maar een levende realiteit.

     Wat betekent dit voor ons? Wij leven in een tijd waarin alles snel verandert. Waar zekerheid tijdelijk is en waar we vaak het gevoel hebben dat we alles zelf moeten oplossen. Maar Gods naam herinnert ons eraan dat Hij dezelfde is, gisteren, vandaag en morgen. Hij is en Hij zal er zijn.

     In momenten van twijfel, wanneer we ons afvragen of God nog wel betrokken is bij onze wereld, bij ons leven, komt deze naam tot ons als een belofte. Hij was er bij Mozes. Hij was er bij Israël. Hij was er in Jezus Christus. En Hij is er nu, bij ons. De vraag is niet of God met ons is, maar of wij Hem vertrouwen. Hij zal er zijn. Dat is genoeg.

 

Exodus 3:16-18. Gods opdracht aan Mozes en de oudsten 

Mozes staat nog steeds voor de brandende doornstruik. Hij heeft gehoord hoe God Zijn volk heeft gezien, hun lijden kent en hen wil bevrijden. Maar hoe gaat deze bevrijding beginnen? God geeft Mozes nu een concrete opdracht: hij moet naar de oudsten van Israël gaan en hen vertellen wat God tegen hem heeft gezegd.

     Dit is opmerkelijk. Mozes krijgt niet de opdracht om direct naar de farao te gaan. Eerst moet hij steun zoeken binnen zijn eigen volk. De oudsten waren de leiders van Israël, mannen met gezag en ervaring. In een tijd waarin schriftelijke communicatie zeldzaam was, waren zij de bewakers van de tradities en het collectieve geheugen van het volk. Door hen bijeen te roepen, verbindt Mozes zich aan de bestaande structuren. Hij komt niet als een opstandige leider die uit het niets een nieuwe boodschap brengt, maar als iemand die spreekt namens de God van hun voorouders.

     Mozes moet hen vertellen: ‘De HEER, de God van uw voorouders, is aan mij verschenen, de God van Abraham, Isaak en Jakob, en Hij heeft gezegd: “Ik heb gezien wat jullie in Egypte wordt aangedaan en Ik heb mij jullie lot aangetrokken.”’ Hier ligt de nadruk op Gods trouw aan Zijn verbond. Dit is geen onbekende God of een nieuwe macht die zich ineens manifesteert. Dit is dezelfde God die generaties eerder beloofde dat de nakomelingen van Abraham een groot volk zouden worden.

     Maar wat betekent het dat God hun lot aantrekt? Dit is geen neutrale observatie, maar een daad van diepe betrokkenheid. Het Hebreeuwse woord duidt op een bewogenheid die leidt tot handelen. Dit zien we steeds terug in de Bijbel. Jezus is later ‘diep bewogen’ als Hij de mensen ziet die als schapen zonder herder zijn (Matteüs 9:36). God ziet niet alleen de nood van Zijn volk, maar verbindt zich eraan met de belofte dat Hij hen zal redden.

     Dan volgt de belofte: ‘Ik heb besloten om jullie uit de ellende in Egypte weg te halen en je naar een land te brengen dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.’ Dit contrast is veelzeggend. Egypte staat voor slavernij, uitbuiting en onderdrukking. Maar het land dat God belooft, is een plaats van vrijheid en overvloed.

     De uitdrukking ‘een land dat overvloeit van melk en honing’ roept een beeld op van een vruchtbaar land, waar zowel landbouw als veeteelt floreren. Voor een volk dat gewend was aan dwangarbeid zonder eigen bezit, moet dit als een bijna onwerkelijke belofte hebben geklonken. Toch is er een uitdaging: het land is niet leeg. Het wordt bewoond door verschillende volken. Dit betekent dat Israël, eenmaal bevrijd, een weg van vertrouwen en gehoorzaamheid zal moeten bewandelen om Gods belofte volledig in bezit te nemen.

     Daarna komt een bemoedigende belofte: ‘Je zult bij de oudsten van Israël gehoor vinden.’ Dit is opvallend. Mozes heeft zelf veel twijfels over zijn missie, maar God verzekert hem dat de leiders van Israël in eerste instantie zullen luisteren. Later zal blijken dat het volk niet altijd even standvastig zal zijn in hun geloof (Exodus 5:20-21, 14:11-12), maar in dit eerste stadium is er belofte van gehoor. Dit bevestigt dat God niet alleen Mozes roept, maar ook anderen in beweging zet om dit verlossingsplan te ondersteunen.

     Met deze groep oudsten moet Mozes vervolgens naar de farao gaan en zeggen: ‘De HEER, de God van de Hebreeën, is naar jullie toe gekomen, en vraag hem toestemming om drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de HEER, jullie God, offers te brengen.’

     Deze vraag lijkt bescheiden: geen directe eis om bevrijding, maar een verzoek om drie dagen de woestijn in te trekken om te offeren. Dit is geen misleiding, maar een diplomatieke stap. In de oude wereld was religieuze vrijheid vaak een erkend recht. Het was niet ongewoon dat volken speciale vereringstijden hadden buiten de directe invloedssfeer van hun overheersers. Toch zal de farao deze eis als een bedreiging zien. Dit zal het begin zijn van de confrontatie tussen Gods wil en de macht van Egypte.

     Het is veelzeggend dat het eerste wat Israël moet doen, niet simpelweg wegtrekken is, maar God aanbidden. Dit laat zien dat hun bevrijding niet slechts een politieke of sociale verandering is, maar een geestelijke roeping. Israël wordt niet alleen bevrijd uit slavernij, maar ook teruggeroepen in een relatie met hun God.

     Deze verzen laten Gods zorgvuldige plan zien. Mozes krijgt geen vage opdracht, maar een concrete strategie: eerst de oudsten, dan de farao en een stapsgewijs proces van bevrijding. Dit leert ons iets over hoe God werkt. Hij is een God van trouw, maar ook van orde en wijsheid. Hij roept mensen tot actie, maar leidt hen stap voor stap.

     Wat betekent dit voor ons? Soms willen we onmiddellijke verandering, snelle uitkomsten. Maar Gods werk vraagt om geloof in het proces, zelfs als we de volledige weg nog niet zien. Zijn beloften worden werkelijkheid, niet altijd op ons tempo, maar op het zijne. En daarin ligt onze zekerheid: Hij zal er zijn.

 

Exodus 3:19-22. Gods ingrijpen en de bevrijding van Israël 

Mozes heeft gehoord dat hij naar de Israëlieten moet gaan en vervolgens naar de farao. Maar hij weet ook dat dit geen eenvoudige taak zal zijn. Egypte is een wereldmacht en de farao is de absolute heerser. Hoe zal hij ooit toestaan dat een volk van slaven zomaar vertrekt?

     God maakt meteen duidelijk: ‘Ik weet dat de koning jullie dat niet zal toestaan, tenzij hij daartoe met harde hand wordt gedwongen.’ Dit is geen verrassing voor God. Hij kent de farao. Hij weet dat hij niet zal buigen uit goedheid of rechtvaardigheid, maar pas wanneer hij geen andere keus meer heeft. De farao ziet zichzelf als een goddelijk figuur, de zoon van Ra, en het idee dat hij de Israëlieten zou laten gaan op basis van een verzoek is voor hem ondenkbaar.

     Hier komt een belangrijk theologisch principe naar voren: God is zich volledig bewust van de weerstand die Zijn werk oproept. Bevrijding gaat vaak gepaard met strijd. Dit is niet alleen een historisch feit uit de tijd van Mozes, maar een waarheid die zich door de hele Bijbel heen herhaalt. Wanneer God bevrijdt, komt er verzet. We zien dit ook in het Nieuwe Testament: de komst van Jezus roept weerstand op bij de religieuze leiders en uiteindelijk wordt Hij gekruisigd. Maar juist door die strijd komt er verlossing.

     Gods oplossing is helder: ‘Daarom zal Ik met krachtige hand ingrijpen en Egypte straffen, Ik zal er wonderbaarlijke daden verrichten, en dan zal hij jullie laten gaan.’ De term ‘krachtige hand’ wordt in de Bijbel vaak gebruikt om Gods soevereine macht aan te duiden. Dit betekent dat de farao geen keuze zal hebben. Hij kan zich verzetten, maar uiteindelijk zal hij buigen.

     De wonderdaden die God hier aankondigt, verwijzen naar de tien plagen die over Egypte zullen komen (Exodus 7-12). Deze plagen zijn niet willekeurige rampen, maar een directe aanval op het Egyptische religieuze systeem. Elk van de plagen richt zich tegen een specifieke god van Egypte. De Nijl verandert in bloed – een aanval op Hapi, de god van de rivier. Duisternis bedekt het land – een aanval op Ra, de zonnegod. De dood van de eerstgeborenen – een aanval op de farao zelf, die als god werd vereerd. Dit is niet alleen een fysieke bevrijding van Israël, maar ook een openbaring van de ware God.

     Maar God gaat nog een stap verder. Hij belooft niet alleen dat Israël zal vertrekken, maar ook hoe ze zullen vertrekken. ‘Ik zal ervoor zorgen dat de Egyptenaren jullie goedgezind zijn: mijn volk zal niet met lege handen vertrekken.’ Dit is een opmerkelijke uitspraak. Hoe kunnen de Egyptenaren, na alles wat er gebeurd is, goedgezind zijn?

     Hierin zien we Gods voorzienigheid. Hij zal de harten van de Egyptenaren beïnvloeden, zodat ze de Israëlieten gunstig gezind zijn. Dit lijkt bijna paradoxaal: na de plagen zou je verwachten dat de Egyptenaren hen haten. Maar juist door deze gebeurtenissen zullen ze erkennen dat de God van Israël machtig is.

     Dan volgt een bijzonder detail: ‘Alle vrouwen moeten aan hun buurvrouw en aan de vrouwen die bij hen in huis wonen, zilveren en gouden sieraden en ook kleren vragen. Die moeten jullie je zonen en dochters laten dragen. Zo zullen jullie de Egyptenaren beroven.’

     Wat betekent dit? Het woord ‘beroven’ kan misleidend klinken, maar in de Hebreeuwse context betekent het eerder rechtmatig meenemen wat hen toebehoort. De Israëlieten hebben generaties lang als slaven gewerkt zonder enig loon. Dit moment is niet zomaar een materiële verrijking, maar een vorm van herstel. Ze vertrekken niet als een berooid volk, maar als een volk dat door God wordt gezegend.

     Bovendien heeft deze gebeurtenis een diepere symboliek. Het goud en zilver dat ze meenemen, zal later worden gebruikt voor de bouw van de tabernakel (Exodus 25:1-8). Wat oorspronkelijk in Egypte werd gebruikt voor afgoden en paleizen, wordt nu geheiligd voor de aanbidding van de ware God. Dit laat zien dat God niet alleen verlost, maar ook vernieuwt.

     Deze uittocht of exodus is een voorafschaduwing van een nog grotere bevrijding. In Christus zien we dezelfde beweging: bevrijding uit slavernij, niet aan Egypte, maar aan zonde en dood. En net zoals Israël niet als slaven vertrok, maar als een volk hersteld in eer en rijkdom, zo worden wij in Christus niet alleen gered, maar ook hersteld in waardigheid en bestemming (Efeziërs 2:4-7).

     Wat betekent dit voor ons? Soms voelt het alsof bevrijding onmogelijk is. Er is weerstand, tegenslag, vertraging. Maar God laat hier zien dat Hij de macht heeft om zelfs de sterkste tegenstand te breken. Bevrijding is niet altijd onmiddellijk, maar als Hij belooft te redden, zal Hij het ook doen. En niet alleen dat – Hij herstelt. Waar we verlies verwachten, geeft Hij overvloed. Waar we slechts hopen op ontsnapping, geeft Hij een nieuwe toekomst.

     Deze laatste woorden uit Exodus 3 laten ons zien dat Gods redding geen half werk is. Hij verlost niet alleen, maar maakt ons ook rijk in genade. En dat is de kern van het evangelie: een God die redt, herstelt en vernieuwt. Hij zal er zijn. En dat is genoeg.

Kernboodschap

De kernboodschap van Exodus 3:1-22 is: Gods roeping komt niet op het moment dat jij er klaar voor bent, maar op het moment dat Hij je nodig heeft. Hij breekt door je onzekerheden heen, roept je bij je naam en vraagt je het onmogelijke: vertrouwen dat Hij met je gaat, zelfs wanneer je geen vaste grond onder je voeten hebt.

     Mozes’ ontmoeting met God bij de brandende doornstruik is een moment dat zijn leven volledig op zijn kop zet. Hij is geen machtige leider of zelfverzekerde bevrijder. Hij is een herder, een man die veertig jaar geleden faalde en zichzelf in de anonimiteit van de woestijn heeft teruggetrokken. Toch is het juist daar, in de eenzaamheid en het alledaagse werk van het hoeden van schapen, dat God hem roept. Niet wanneer Mozes zich voorbereid voelt, niet wanneer hij in een positie van invloed verkeert, maar op een moment dat hij waarschijnlijk zelf niet had gekozen. Dit is geen roeping waar hij om gevraagd heeft en zijn eerste reactie is dan ook twijfel: wie ben ik dat ik dit zou moeten doen?

     Deze vraag raakt aan een diepe menselijke worsteling: wanneer voelen wij ons ergens klaar voor? Mozes’ bezwaren zijn herkenbaar. Hij kent zijn beperkingen. Hij heeft geen macht, geen status meer in Egypte, geen overtuigend verhaal waarmee hij het volk zal kunnen winnen. Maar juist in zijn onzekerheid ligt de kern van de boodschap: het gaat niet om Mozes’ kwaliteiten, maar om Gods aanwezigheid. God beantwoordt zijn vraag niet met een opsomming van Mozes’ bekwaamheden, maar met een belofte: Ik zal bij je zijn. Dit is de sleutel. God roept niet de sterksten of de besten, maar Hij rust hen toe die zich geroepen weten.

     Mozes’ ervaring bij de doornstruik laat zien hoe Gods roeping ingrijpend en onverwacht kan zijn. Er is geen langzame voorbereiding, geen moment waarop Mozes zich innerlijk klaar voelt om zijn oude leven achter zich te laten en de confrontatie met de farao aan te gaan. Hij wordt abrupt uit zijn routine gehaald en moet kiezen: vertrouwt hij erop dat God werkelijk met hem zal zijn? Hierin ligt een diepere waarheid: Gods roeping gebeurt vaak op momenten dat wij er niet op bedacht zijn. Hij schudt ons wakker, confronteert ons met onze twijfels en onzekerheden en vraagt ons te vertrouwen, zelfs als we geen controle hebben over de uitkomst. 

     Wat betekent dit voor ons vandaag? Veel mensen wachten op het juiste moment om stappen te zetten in geloof, om iets te veranderen in hun leven, om gehoor te geven aan een diepere roeping. We denken dat we eerst meer kennis moeten opdoen, sterker in ons geloof moeten staan of dat de omstandigheden gunstiger moeten zijn. Maar deze roeping van Mozes laat zien dat God ons vaak roept op een moment dat wij zelf niet zouden kiezen. Hij roept ons niet omdat wij klaar zijn, maar omdat Hij een plan heeft waarin wij een rol mogen spelen. 

     Dat plan is niet altijd meteen helder. Mozes kreeg geen gedetailleerde routebeschrijving, alleen de opdracht om op weg te gaan. Hetzelfde geldt voor ons. Gods roeping is vaak niet een kant-en-klaar scenario waarin we precies weten waar we uit zullen komen. Het vraagt om een sprong in het diepe, om vertrouwen zonder volledige zekerheid. Dit kan beangstigend zijn, vooral voor wie zich onzeker voelt over geloof of de toekomst. Maar de belofte die Mozes kreeg, geldt ook vandaag nog: Ik zal bij je zijn.

     Gods aanwezigheid is de kern van deze roeping. Mozes moest de Israëlieten niet verlossen door zijn eigen kracht, maar door Gods leiding. Hetzelfde geldt voor ons. We hoeven niet op onszelf te vertrouwen, niet te wachten tot we ‘sterk genoeg’ zijn. Het enige dat telt, is of we bereid zijn om op God te vertrouwen en te gaan, zelfs als we geen vaste grond onder onze voeten voelen.

Theologische reflectie

Deze theologische reflectie heeft als doel om dieper in te gaan op de geestelijke, theologische en praktische betekenis van Exodus 3:1-22. Waar de exegetische uitleg de tekst stap voor stap heeft geanalyseerd en de kernboodschap de essentie van het bijbelgedeelte heeft samengevat, biedt deze reflectie ruimte om stil te staan bij de bredere implicaties van deze tekst. Wat openbaart dit hoofdstuk over het wezen van God? Hoe verwijst deze roeping van Mozes naar Christus? Wat betekent deze ontmoeting tussen God en mens voor ons geloofsleven? Welke theologische thema’s kunnen we eruit destilleren en hoe resoneert deze passage door in de rest van de Bijbel? Door deze vragen te beantwoorden, komen we tot een dieper begrip van wat het betekent om geroepen te worden, om te leven vanuit Gods aanwezigheid en om te vertrouwen op een God die niet alleen redt, maar ook leidt. 

 

Het karakter van God

Het bijbelgedeelte openbaart verschillende aspecten van Gods wezen. Allereerst komt hier Gods heiligheid sterk naar voren. Mozes wordt geconfronteerd met een vuur dat brandt zonder te verteren, een beeld van Gods zuiverende aanwezigheid. Hij moet zijn sandalen uittrekken, een handeling die aantoont dat deze ontmoeting niet zomaar een gesprek is, maar een confrontatie met de heilige God. Heiligheid in de Bijbel betekent apart gezet zijn, volkomen anders, volkomen zuiver. Gods aanwezigheid staat in scherp contrast met Mozes, die zijn gezicht bedekt omdat hij beseft dat hij als mens niet zomaar in Gods nabijheid kan staan. Toch blijkt dat Gods heiligheid niet betekent dat Hij onbereikbaar is. 

     Dit bijbelgedeelte benadrukt namelijk niet alleen Gods verhevenheid, maar ook Zijn nabijheid en bewogenheid. De woorden die God tot Mozes spreekt, tonen een diepe betrokkenheid bij het lijden van Zijn volk: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, Ik heb hun jammerklachten gehoord, Ik weet hoe ze lijden’ (Exodus 3:7). Dit zijn geen afstandelijke observaties, maar woorden die getuigen van een God die emotioneel geraakt wordt door de nood van Zijn volk. Hij is geen passieve toeschouwer, maar een God die afdaalt om te bevrijden. Dit bevestigt dat Gods heiligheid nooit losstaat van Zijn genade en liefde.

     Daarnaast zien we in dit hoofdstuk Gods soevereiniteit. Hij is geen machteloze god die afhankelijk is van menselijke inspanningen. De bevrijding van Israël hangt niet af van Mozes’ kracht of kunde, maar van Gods ingrijpen. ‘Ik zal met krachtige hand ingrijpen’ (Exodus 3:20) is een expliciete belofte dat de macht van Egypte geen stand zal houden tegen Gods wil. Dit laat zien dat God geen onzekere toeschouwer is in de geschiedenis, maar een werkzame, handelende God die Zijn plannen uitvoert, ongeacht menselijke weerstand. 

     Toch doet Hij dit niet zonder mensen in Zijn plan te betrekken. Hier zien we Gods vertrouwen in menselijke medewerking. Hij kiest ervoor om Mozes, een onzeker en weifelend man, in te schakelen als Zijn boodschapper. Dit vertelt ons iets wezenlijks over Gods karakter: Hij werkt met en door mensen heen, ondanks hun twijfels, ondanks hun verleden, ondanks hun beperkingen. Zijn roeping is niet gebaseerd op menselijke kwalificaties, maar op Zijn eigen plan en aanwezigheid. 

 

De verwijzing naar Christus

De roeping van Mozes en zijn rol als bevrijder van Israël wijzen vooruit naar Jezus Christus. Mozes wordt gezonden om een volk uit slavernij te verlossen en hen te brengen naar een land van vrijheid en overvloed. Dit is een voorafschaduwing van Christus, die niet slechts een fysieke, maar een diepere geestelijke bevrijding brengt. 

     Op meerdere manieren weerspiegelt Mozes het werk van Christus. Beide worden geroepen door God om een volk te leiden. Beide worden door hun eigen mensen afgewezen voordat ze volledig geaccepteerd worden. Mozes moest vluchten uit Egypte, net zoals Jezus moest vluchten naar Egypte toen Herodes Hem wilde doden (Matteüs 2:13-15). Beide spreken niet op eigen gezag, maar namens de Vader: ‘IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd’ (Exodus 3:14) wordt later weerspiegeld in Jezus’ woorden: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Johannes 14:9). 

     De naam die God hier aan Mozes openbaart, ‘Ik zal er zijn’, vindt zijn diepste vervulling in Jezus’ ‘Ik ben’-uitspraken in het Johannes-evangelie. ‘Ik ben het brood dat leven geeft’ (Johannes 6:35), ‘Ik ben het licht voor de wereld’ (Johannes 8:12), ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ (Johannes 14:6). Jezus identificeert zich met de eeuwige God van de brandende struik en laat zien dat Hij degene is die niet alleen Israël, maar de hele wereld komt bevrijden. 

 

Relevantie voor ons geloofsleven

Deze tekst daagt ons uit om na te denken over hoe God ons roept. Mozes voelde zich niet geschikt, net zoals velen van ons aarzelen wanneer er iets van ons wordt gevraagd. We wachten vaak op het juiste moment, op het gevoel van zekerheid en bekwaamheid. Maar deze geschiedenis laat zien dat roeping nooit begint bij onze bekwaamheid, maar bij Gods belofte: Ik zal bij je zijn.

     Dit bijbelgedeelte leert ons ook iets over gehoorzaamheid in onzekerheid. Mozes krijgt geen volledig uitgewerkt plan. Hij krijgt alleen de opdracht om de eerste stap te zetten, met de belofte dat God hem zal begeleiden. Zo werkt God nog steeds. Wij willen vaak garanties voordat we een stap zetten in geloof, maar God vraagt vertrouwen zonder de zekerheid van zichtbare resultaten. 

     Daarnaast herinnert deze tekst ons eraan dat God het lijden van mensen ziet en niet onverschillig is. In een wereld waarin onrecht vaak de overhand lijkt te hebben, spreekt deze passage de hoop uit dat God niet afwezig is. Hij is een God die afdaalt, die ingrijpt en bevrijdt. 

 

Verband met andere bijbelteksten

De bevrijding uit Egypte wordt in de Bijbel voortdurend herinnerd als het grote reddingswerk van God. De profeten roepen Israël telkens op om zich deze uittocht te herinneren als bewijs van Gods trouw (Jesaja 43:16-21, Hosea 11:1-4). Jezus zelf viert het Pesachmaal, de maaltijd die Israël herinnert aan deze bevrijding, en geeft er een diepere betekenis aan: het wordt een beeld van Zijn eigen offer, waardoor de ultieme bevrijding uit zonde en dood plaatsvindt (Lukas 22:19-20). 

     De exodus is het grote bevrijdingsverhaal van het Oude Testament. Het kruis is het grote bevrijdingsverhaal van het Nieuwe Testament. Beide laten zien dat redding niet zonder strijd komt, dat bevrijding niet altijd onmiddellijk gebeurt, maar dat God altijd Zijn plan uitvoert. 

 

Andere relevante theologische thema’s

Een van de krachtigste theologische thema’s in dit hoofdstuk is de spanning tussen Gods roeping en menselijke aarzeling. Mozes twijfelt, stelt vragen, zoekt naar uitwegen. Toch houdt God vol. Dit laat zien dat roeping niet afhankelijk is van menselijke perfectie, maar van Gods trouw. Dit thema resoneert door de hele Bijbel. Gideon voelde zich te zwak (Rechters 6:15), Jeremia voelde zich te jong (Jeremia 1:6), Petrus voelde zich te zondig (Lukas 5:8). Maar in elk geval antwoordde God met Zijn aanwezigheid. Dit blijft de kern: wie God roept, rust Hij toe. 

 

Deze theologische reflectie laat zien dat Exodus 3:1-22 niet alleen een historisch moment is, maar een levend woord voor ons vandaag. God roept, God gaat mee en waar Hij is, wordt het gewone heilig. De vraag is niet of wij klaar zijn, maar of wij Hem durven vertrouwen.

Praktische toepassing

De roeping van Mozes bij de brandende doornstruik laat zien dat Gods plannen vaak onze verwachtingen overstijgen. Hij roept ons niet omdat wij er klaar voor zijn, maar omdat Hij ons nodig heeft. Dit betekent dat ook wij geroepen kunnen worden, zelfs in onze onzekerheid, twijfel of dagelijkse sleur. Maar hoe ziet dat er in het dagelijks leven uit? Hoe kun je deze kernboodschap concreet toepassen? Hierna volgen vier richtlijnen die helpen om Gods roeping niet alleen te herkennen, maar er ook naar te handelen in het hier en nu.

 

  1. Luister naar het onverwachte in plaats van te wachten op het perfecte moment.

Veel mensen denken dat Gods roeping altijd komt als een helder, onmiskenbaar teken. Maar Mozes werd geroepen terwijl hij iets doodnormaals deed: het hoeden van schapen. De brandende struik was geen blikseminslag of groots visioen, maar een klein, vreemd fenomeen dat Mozes’ aandacht trok. Dit betekent dat God ons vaak roept in het alledaagse en dat die roeping niet altijd groots of spectaculair begint. In plaats van te wachten op een groots ‘Godsplan’ dat perfect in je leven past, begin klein. Let op dingen die je blijven intrigeren, op situaties die je niet loslaten. Misschien ervaar je een onverklaarbare drang om contact op te nemen met iemand die je lang niet hebt gesproken. Misschien voel je je getriggerd door een maatschappelijk probleem, een onrecht dat je niet kunt negeren. Misschien groeit er langzaam een passie voor iets waar je nooit eerder over nadacht. In plaats van te denken: misschien later, als ik er klaar voor ben, probeer te reageren met: misschien nu, omdat God mij hier iets in laat zien. De vraag is niet of God spreekt, maar of jij bereid bent om het onverwachte serieus te nemen. Begin eens een dagboek waarin je opschrijft welke gedachten, gesprekken of gebeurtenissen steeds terugkomen. Kijk na een paar weken of je patronen ziet. Soms zit de brandende struik niet in een plotseling teken, maar in een zachte, aanhoudende fluistering. 

 

  1. Stap in het onbekende zonder garantie op succes.

Mozes had geen controle over wat er zou gebeuren toen hij terugging naar Egypte. Hij had geen zekerheid dat de farao zou luisteren, dat het volk hem zou accepteren, dat zijn missie zou slagen. Toch werd hij geroepen om te gaan. Dit raakt aan iets wat haaks staat op hoe wij vaak denken: we willen zekerheid, een helder doel, een duidelijke uitkomst voordat we een stap zetten. Maar Gods roeping werkt anders. Hij belooft niet dat alles meteen duidelijk zal worden, alleen dat Hij met je meegaat. Deze gedachte is een uitnodiging om iets te doen waar je geen controle over hebt. Misschien betekent dit dat je een gesprek aangaat dat je uitstelt omdat je niet weet hoe het zal verlopen. Misschien betekent het dat je iets nieuws onderneemt zonder garantie dat het lukt. Misschien betekent het dat je je inzet voor iets waarvan je nog niet weet of het vrucht zal dragen. Een praktische manier om dit te oefenen is door bewust een beslissing te nemen zonder eerst alle antwoorden te hebben. Plan bijvoorbeeld een ontmoeting met iemand met wie je een moeizame relatie hebt, zonder een perfect script. Meld je aan voor een vrijwilligersproject, ook al weet je niet of je het lang volhoudt. Begin met een klein gebaar van gehoorzaamheid en kijk hoe God je onderweg leidt. Vertrouwen groeit niet door zekerheid vooraf, maar door het zetten van stappen in geloof. 

 

  1. Omarm je tekortkomingen als een kans, niet als een belemmering.

Mozes voelde zich niet geschikt voor zijn roeping. Hij had geen grootse carrière als leider, geen indrukwekkende status, geen charisma waarmee hij het volk kon overtuigen. Maar juist zijn zwakheid werd de plek waar God kracht toonde. Dit betekent dat je je onzekerheden en tekortkomingen niet hoeft te zien als een reden om niets te doen, maar als een ruimte waarin God juist kan werken. Dit vraagt een radicale verandering in denken. In plaats van te zeggen: ik ben hier niet goed genoeg voor, zeg: misschien is dit juist de plek waar God door mij heen kan werken. Dit geldt in werk, relaties, maatschappelijke betrokkenheid of persoonlijke groei. Misschien ervaar je dat je weinig te bieden hebt aan anderen, maar juist jouw kwetsbaarheid maakt je toegankelijk. Misschien voel je je te ver van God verwijderd, maar juist dat besef opent de deur voor een nieuw begin. Een praktische manier om dit toe te passen is door je zwakheden niet langer te verbergen, maar ze juist in te zetten. Durf in een gesprek eens kwetsbaar te zijn over je twijfels en onzekerheden. Schrijf een brief aan God over de dingen waarin je tekortschiet en bied ze aan Hem aan. Zet een kleine stap in iets waar je je niet zeker over voelt, juist omdat je beseft dat je het niet alleen hoeft te doen. 

 

  1. Zie bevrijding niet als een eindpunt, maar als een startpunt.

Gods roeping aan Mozes ging niet alleen over het bevrijden van Israël. Het ging erom hen naar iets nieuws te leiden: een land van overvloed, een leven in verbondenheid met God. Bevrijding was niet het einddoel, maar het begin van een nieuw leven. Dit is een belangrijk inzicht voor hoe we naar ons eigen leven kijken. Vaak zien we bevrijding als een moment: het moment waarop je je ergens uit losmaakt, een knoop doorhakt, een nieuw pad inslaat. Maar echte bevrijding vraagt iets daarna: hoe leef je in de vrijheid die je gekregen hebt? Hoe blijf je in beweging? Dit betekent dat je na een doorbraak niet achterover moet leunen, maar moet zoeken naar de volgende stap. Als je bijvoorbeeld hebt gebroken met een destructieve gewoonte, hoe bouw je dan iets nieuws op? Als je een oude angst hebt overwonnen, hoe gebruik je die ervaring dan om anderen te bemoedigen? Als je voelt dat God je ergens van heeft losgemaakt, vraag dan ook: waar wil Hij mij nu naartoe leiden? Een concrete manier om dit in praktijk te brengen is door niet alleen terug te kijken naar waar je uit bevrijd bent, maar vooruit te kijken naar wat je nu kunt doen. Stel jezelf de vraag: wat betekent mijn bevrijding voor de manier waarop ik anderen tegemoet treed?* Zoek naar een manier om wat je zelf hebt ontvangen, door te geven. 

 

Deze vier richtlijnen dagen je uit om Gods roeping niet als iets abstracts te zien, maar als iets dat je dagelijks kunt toepassen. Het betekent dat je leert luisteren naar het onverwachte, stappen zet zonder zekerheid, je tekortkomingen omarmt als mogelijkheden en bevrijding niet ziet als een eindpunt, maar als een startpunt. Dit vraagt moed, maar de belofte is dat je het niet alleen hoeft te doen. Mozes kreeg geen perfect plan, maar hij kreeg Gods aanwezigheid. Dat is de kern van roeping: niet weten waar je uitkomt, maar wel weten met Wie je op weg gaat. Misschien sta je nu op een kruispunt, voel je onzekerheid over een keuze, of wacht je tot het juiste moment zich aandient. Maar Gods woorden blijven dezelfde: Ik zal bij je zijn. De vraag is niet of jij er klaar voor bent, maar of je bereid bent Hem te vertrouwen.

Afsluiting

Laten we nog even terugkeren naar de inleiding. Eva had de hele nachtdienst geworsteld met haar gedachten. Het telefoontje van Ismail bleef door haar hoofd spoken. De bekende routine van het ziekenhuis voelde plots benauwend. Ze wist dat het veilig was om te blijven, dat haar werk hier belangrijk was. Maar diep van binnen knaagde de vraag: wat als ik dit niet negeer? Wat als ik ga? En twee dagen later zat ze op de rand van haar bed, haar tas half ingepakt. Ze had met haar man gesproken, met haar leidinggevende. De gesprekken waren niet makkelijk geweest, maar de mensen om haar heen gaven haar de kans om haar roeping achterna te gaan. Toch bleef de twijfel. Wat als ze niet sterk genoeg was? Wat als ze daar faalde? Wat als haar afwezigheid hier juist problemen veroorzaakte? Maar toen ze haar ogen sloot, dacht ze aan de woorden die Ismail tegen haar had gezegd: soms krijg je een oproep die je niet kunt negeren. En toen wist ze het. Niet omdat ze alle antwoorden had, niet omdat het de makkelijke keuze was. Maar omdat ze voelde dat ze niet alleen ging. Ze nam haar telefoon en belde Ismail terug. ‘Ik kom.’

     Mozes stond op een vergelijkbaar kruispunt. Hij kon blijven waar hij was – veilig, bekend, zonder risico. Maar Gods roepstem verbrak zijn routine en zette hem op een pad dat hij zelf nooit had gekozen. Zijn bezwaren, zijn onzekerheden, zijn angst voor mislukking waren reëel, maar Gods antwoord was simpel: Ik zal met je zijn.

     Misschien sta jij ook op zo’n punt. Misschien voel je een onrust in je hart over iets dat groter is dan jijzelf. Misschien twijfel je, net als Eva en Mozes, of je wel de juiste persoon bent voor wat voor je ligt. Maar vergeet dit niet: Gods roeping komt niet wanneer jij er klaar voor bent, maar wanneer Hij je nodig heeft. Hij breekt door je onzekerheden heen en vraagt je om één ding: vertrouwen dat Hij met je meegaat, zelfs als je geen vaste grond onder je voeten hebt.

     De belofte van God aan Mozes is dezelfde belofte die Hij aan ons geeft. In Deuteronomium 31:8 staat: ‘De HEER zelf gaat voor je uit, Hij zal je bijstaan en geen moment van je zijde wijken. Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen.’

     Ga deze week in de wetenschap dat je niet alleen gaat. Gods aanwezigheid is niet beperkt tot heilige bergen of brandende struiken. Hij is daar, in je twijfel en je vragen. In je dagelijkse routine en onverwachte wendingen. In de roepstem die je misschien niet kunt negeren. Vertrouw erop dat als Hij je roept, Hij ook met je meegaat. Het enige wat jij hoeft te doen, is luisteren en stappen zetten.

Reflectievragen

  1. Welke momenten in jouw leven voelden als een ‘brandende struik’ – een oproep of signaal dat je niet kon negeren? Hoe heb je daarop gereageerd?
  2. Op welke manier herken jij jezelf in de twijfels van Mozes? Welke bezwaren of onzekerheden houden jou tegen om een stap in geloof te zetten?
  3. God belooft Mozes: ‘Ik zal met je zijn.’ Wat betekent deze belofte concreet voor jouw leven? In welke situaties heb je ervaren dat God met je meeging, zelfs als je niet wist hoe het zou aflopen?
  4. Waar in jouw leven voel je dat je misschien te veel vasthoudt aan zekerheid, terwijl God je uitdaagt om iets nieuws aan te gaan? Hoe zou je hierin een stap van vertrouwen kunnen zetten?
  5. Welke kleine, alledaagse dingen kunnen voor jou tekenen van Gods aanwezigheid zijn? Hoe zou je bewuster kunnen leven met open ogen en oren voor Zijn leiding?

 

Copyrights Marjolein Gommers

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.