




Inleiding
Marlies (28) kende de kunst van overleven als geen ander. Ze had nooit iets cadeau gekregen. Haar jeugd was een aaneenschakeling van moeilijke momenten: een vader die vertrok toen ze tien was, een moeder die worstelde met depressies en geldzorgen. Al jong leerde ze dat je nergens op kon rekenen. Na haar middelbare school was er geen geld voor een vervolgopleiding. Dus ging ze werken, overal waar ze een kans kreeg. Schoonmaakwerk, een baantje in de catering, vakken vullen in de supermarkt. Ze was niet te beroerd om haar handen uit de mouwen te steken. Maar overal hetzelfde verhaal: tijdelijke contracten, minimale zekerheid. De ene maand was er genoeg geld voor de huur, de andere maand niet. En hoe hard ze ook werkte, een toekomstperspectief was er nauwelijks.
Toen haar laatste contract afliep, zat ze weer in de wachtruimte van het uitzendbureau. Haar spaargeld was op, de rekeningen stapelden zich op, en met elke dag zonder werk groeide de paniek. Naast haar zat een vrouw van rond de vijftig, keurig gekleed, met een rustige, zelfverzekerde uitstraling. Terwijl ze allebei wachtten, raakten ze aan de praat. ‘Wat voor werk zoek je?’ vroeg de vrouw. Marlies haalde haar schouders op. ‘Wat er maar beschikbaar is. Ik heb in de horeca gewerkt, in de schoonmaak … Ik pak alles aan.’ De vrouw knikte bedachtzaam. ‘Ik run een restaurant. We zoeken nog iemand in de keuken. Wil je morgen langskomen?’ Marlies keek haar aan, niet wetend of ze een grap maakte. Zomaar een baan aangeboden krijgen? Dat was haar nog nooit overkomen. Maar de vrouw, die zich voorstelde als Ellen, meende het. ‘Kom gewoon. We kijken hoe het gaat.’
De volgende dag stond Marlies in het restaurant. Eerst als afwashulp, later mocht ze meehelpen met het bereiden van de gerechten. Ellen hield haar in de gaten, gaf haar tips, moedigde haar aan. Na een paar maanden betaalde ze een opleiding voor haar. Binnen een paar jaar was Marlies assistent-bedrijfsleider. Voor het eerst in haar leven voelde ze zich gezien. Iemand had niet alleen naar haar cv gekeken, maar naar haar zelf. Iemand had haar een kans gegeven, niet omdat ze erom gesmeekt had, maar omdat ze waarde in haar zag.
Hoeveel mensen verlangen er niet naar zo’n moment? Een kans om weer op te krabbelen. Een helpende hand die niet uit medelijden wordt toegestoken, maar uit oprechte zorg. Hoe vaak voelen we ons onzichtbaar, alsof we er niet echt toe doen? En hoe diep raakt het ons als iemand wél oog voor ons heeft?
In Ruth 2:1-23 lezen we over zo’n moment. Ruth, een vreemdelinge in Israël, is haar man en toekomst kwijtgeraakt. Ze heeft niets, behalve haar trouw aan Naomi. Om te overleven gaat ze aren lezen op een willekeurig veld. Net als Marlies weet ze niet of iemand haar een kans zal geven. Maar dan ontmoet ze Boaz. Wat begint als een dagelijkse strijd om voedsel, wordt een keerpunt in haar leven.
Soms leidt een toevallige ontmoeting tot iets wat ons hele bestaan verandert. Maar is het echt toeval?
Bijbeltekst (NBV21)
Ruth 2
[1] Nu was Naomi van de kant van haar echtgenoot Elimelech verwant aan een moedig en invloedrijk man, die Boaz heette.
[2] Ruth, de Moabitische, zei tegen Naomi: ‘Ik wil graag naar het land gaan om aren te lezen bij iemand die mij goedgezind is.’ Naomi antwoordde: ‘Doe dat maar, mijn dochter.’ [3] Ze ging dus naar het land om aren te lezen, achter de maaiers aan. Bij toeval kwam ze op de akker van Boaz, het familielid van Elimelech. [4] Na enige tijd kwam Boaz zelf eraan, uit Betlehem. ‘De HEER zij met jullie,’ groette hij de maaiers. ‘De HEER zegene u,’ groetten zij terug. [5] Boaz vroeg de voorman van zijn maaiers: ‘Bij wie hoort die jonge vrouw daar?’ [6] De man antwoordde: ‘Dat is de Moabitische vrouw die met Naomi mee teruggekomen is. [7] Toen ze hier aankwam zei ze: “Ik zou graag achter de maaiers aan willen gaan om aren te lezen bij de schoven,” en nu is ze hier al de hele dag, vanaf de vroege ochtend – ze heeft maar even gezeten.’ [8] Daarop zei Boaz tegen Ruth: ‘Luister goed, mijn dochter. Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg, maar blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken. [9] Volg ze op de voet en houd je ogen gericht op het veld waar gemaaid wordt. Ik zal mijn mannen zeggen je niet lastig te vallen. Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van het water dat ze daar scheppen.’ [10] Ze knielde, boog diep voorover en zei: ‘Waarom bent u zo vriendelijk voor mij? U behandelt mij goed, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben.’ [11] Boaz antwoordde: ‘Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was. [12] Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen – de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je bent komen schuilen.’ [13] ‘U bent goed voor mij, heer,’ zei ze. ‘U biedt me troost en spreekt me moed in, terwijl ik niet eens bij u in dienst ben.’
[14] Toen het etenstijd was zei Boaz tegen haar: ‘Kom maar hier en neem een stuk brood en doop het in de wijn.’ Ze ging naast de maaiers zitten, en hij gaf haar geroosterd graan. Ze at tot ze genoeg had en ze hield zelfs nog over. [15] Toen ze weer opstond om te gaan werken, gaf Boaz zijn mannen de volgende opdracht: ‘Laat haar ook tussen de schoven aren lezen, zeg daar niets van. [16] Integendeel, jullie moeten juist wat halmen voor haar uit de bundels trekken en die laten liggen, zodat zij ze op kan rapen. Verwijt haar dus niets.’ [17] Zij werkte tot de avond op het veld en sloeg de korrels uit de aren die ze geraapt had. Het was ongeveer een efa gerst. [18] Ze pakte het op en ging terug naar de stad.
Toen Naomi zag hoeveel ze verzameld had, en toen Ruth haar ook nog gaf wat ze van het middagmaal had overgehouden, [19] riep ze uit: ‘Waar heb jij vandaag aren gelezen, waar heb je gewerkt? Gezegend de man die jou zo goed heeft behandeld!’ Ruth vertelde haar schoonmoeder dat de man bij wie ze die dag gewerkt had, Boaz heette. [20] Toen zei Naomi tegen haar schoondochter: ‘Moge de HEER hem zegenen, want hij heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden.’ En ze vervolgde: ‘Hij is een naaste verwant van ons en kan daarom zijn rechten als losser laten gelden.’ [21] Ruth, de Moabitische, zei: ‘Hij heeft ook nog tegen me gezegd dat ik bij zijn maaiers moest blijven totdat zijn hele oogst is binnengehaald.’ [22] ‘Het is goed dat je optrekt met de vrouwen op zijn land, mijn dochter,’ zei Naomi tegen Ruth, ‘want dan zal niemand je op een ander veld lastig kunnen vallen.’ [23] Ze bleef dus aren lezen bij de vrouwen die voor Boaz werkten, tot het einde van de gerste- en de tarweoogst. Al die tijd woonde ze bij haar schoonmoeder.
© 2021 Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap
Exegetische uitleg
Nu we de bijbeltekst hebben gelezen, richten we ons op de exegetische uitleg van Ruth 2:1-23. Dit is het fundament van de leespreek: we nemen de tekst zorgvuldig door, kijken naar de context, de betekenis van woorden en de samenhang binnen het hoofdstuk. De exegetische uitleg helpt ons om de kern van dit bijbelgedeelte scherp te krijgen. Wat gebeurt er precies? Welke details zijn belangrijk? Hoe wordt Gods leiding zichtbaar in het leven van Ruth en Boaz? Door stap voor stap door de tekst te gaan, ontdekken we de boodschap die deze geschiedenis ons vandaag te zeggen heeft. Na deze uitleg zullen we de kernboodschap formuleren en doordenken wat deze tekst betekent voor ons leven.
Ruth 2:1. Boaz: een invloedrijke verwant
Het verhaal van Ruth en Naomi is er een van verlies. Ze zijn weduwen, hun toekomst is onzeker en hun enige zekerheid is hun onderlinge band. Ze zijn afhankelijk van de goedheid van anderen om te overleven. Maar dan, nog voordat Ruth daadwerkelijk de velden ingaat, verschijnt er een man ten tonele: Boaz.
‘Nu was Naomi van de kant van haar echtgenoot Elimelech verwant aan een moedig en invloedrijk man, die Boaz heette.’ Op het eerste gezicht lijkt dit een simpele mededeling, maar wie goed leest, merkt dat dit vers al een eerste sprankje hoop biedt. De schrijver kondigt hier iets belangrijks aan. Boaz is geen willekeurige man. Hij is een verwant van Elimelech, de overleden echtgenoot van Naomi. Dit betekent dat hij, volgens de wetten van Israël, een potentiële losser (goël) is – iemand die het recht en de verantwoordelijkheid zou kunnen hebben om Naomi en Ruth te helpen.
Dit idee van een losser was diep geworteld in de samenleving van Israël. In een tijd waarin weduwen geen economische zekerheid hadden, bood de wet een manier om hen te beschermen. Een losser kon familiebezit terugkopen en de naam van een overleden man in stand houden (Leviticus 25:25, Deuteronomium 25:5-10). In de praktijk betekende dit dat hij niet alleen financiële hulp bood, maar ook een sociaal-maatschappelijke beschermer werd. De naam van Elimelech leek verloren, maar met de introductie van Boaz verschijnt er een nieuwe mogelijkheid.
De tekst beschrijft Boaz als een ‘moedig en invloedrijk man’. Het Hebreeuwse ‘gibbor chajil’ kan op verschillende manieren worden vertaald. Het kan wijzen op fysieke kracht, maar vaker wordt het gebruikt om iemand met aanzien, rijkdom en een sterk karakter aan te duiden. Boaz is niet zomaar een rijke landeigenaar; hij is een man van eer, iemand met een goede reputatie en een groot hart. Dit is niet onbelangrijk: Naomi en Ruth bevinden zich in een kwetsbare positie en de vraag is of iemand hen zal zien – en hen zal helpen. Zijn naam, Boaz, draagt ook betekenis. Het betekent letterlijk ‘in hem is kracht’. Dit is een naam die later zelfs wordt verbonden aan een van de pilaren van de tempel van Salomo (1 Koningen 7:21). Die tempel stond symbool voor Gods aanwezigheid en de pilaren verbeeldden standvastigheid en zekerheid. Dat deze man nu ten tonele verschijnt, is veelzeggend. Ruth en Naomi wankelen door het leven – maar er is kracht en stabiliteit in aantocht.
Als we even stilstaan bij de manier waarop Boaz geïntroduceerd wordt, valt nog iets op. Hij wordt niet meteen actief in het verhaal gebracht. Ruth en Naomi weten nog niet van zijn bestaan. Als lezer krijgen wij die informatie eerder dan zij. Dit bouwt spanning op: terwijl Ruth straks op pad gaat om aren te verzamelen, hebben wij als lezers al een vermoeden dat deze man een belangrijke rol gaat spelen. Dit is hoe Gods leiding vaak werkt: op het moment zelf beseffen we het niet, maar later, als we terugkijken, zien we hoe subtiel en zorgvuldig alles op zijn plek viel.
Ruth 2:1 lijkt misschien een kort en onbeduidend vers, maar het zit vol verwachting. Na de armoede en onzekerheid van het vorige hoofdstuk, na het bittere verdriet van Naomi, verschijnt hier een naam die alles kan veranderen. Is dit toeval? Of is er een grotere hand aan het werk? Wat Naomi en Ruth op dit moment nog niet weten, is dat hun toekomst op het punt staat een verrassende wending te nemen.
Ruth 2:2-3. Ruth zoekt een plek om aren te lezen
Naomi en Ruth hebben geen inkomsten, geen zekerheid en geen mannelijke bescherming. Ze staan er alleen voor, in een samenleving waar weduwen tot de meest kwetsbare groepen behoren. Hoe moeten ze nu verder? Ruth denkt praktisch. Ze kan niet stil blijven zitten en wachten tot iemand hen helpt. Dus deelt ze Naomi het volgende mede: ‘Ik wil graag naar het land gaan om aren te lezen bij iemand die mij goedgezind is.’
Aren lezen was een recht voor de armen, weduwen en vreemdelingen in Israël. De wet van Mozes bepaalde dat de oogst niet volledig binnengehaald mocht worden. De randen van de akkers en gevallen aren moesten blijven liggen voor hen die niets hadden (Leviticus 19:9-10, 23:22). In theorie betekende dit dat Ruth op het land van een willekeurige boer mocht rapen wat overbleef. Maar in de praktijk was dit geen vanzelfsprekendheid. Niet elke landeigenaar hield zich aan deze wet en voor een alleenstaande, buitenlandse vrouw was dit werk zeker niet zonder risico’s.
Toch is Ruth vastberaden. Ze vraagt Naomi niet om toestemming, maar deelt haar plan. Dit laat iets van haar karakter zien: ze is moedig, initiatiefrijk en bereid om te werken voor hun brood. Ze gebruikt de uitdrukking ‘bij iemand die mij goedgezind is’, waarmee ze bedoelt: bij iemand in wiens ogen ik genade of gunst vind. Dit impliceert onzekerheid. Ze weet niet of ze wel welkom zal zijn. Misschien wordt ze weggestuurd, misschien zelfs lastiggevallen door de arbeiders. Maar ze waagt het erop.
Naomi’s reactie is kort: ‘Doe dat maar, mijn dochter.’ Dit klinkt eenvoudig, maar zegt veel over Naomi’s gemoedstoestand. In het vorige hoofdstuk gaf ze zichzelf de naam Mara (‘bitter’), omdat ze ervan overtuigd was dat God zich tegen haar had gekeerd. Ze lijkt in berusting te leven: haar man en zonen zijn dood, haar toekomst is onzeker. Naomi moedigt Ruth niet actief aan, stelt geen vragen over haar veiligheid of mogelijkheden. Dit benadrukt een contrast tussen beide vrouwen: waar Naomi verlamd is door haar verdriet, kiest Ruth ervoor om te handelen.
Dan volgt een schijnbaar alledaagse scène: Ruth trekt eropuit en begint achter de maaiers aan aren te lezen. Op zichzelf is hier niets bijzonders aan. Ze doet wat velen in haar situatie zouden doen. Maar dan schrijft de auteur iets opmerkelijks: ‘Bij toeval kwam ze op de akker van Boaz, het familielid van Elimelech.’ Op het eerste gezicht lijkt dit een gewone opmerking. Maar in het Hebreeuws wordt hier een uitdrukking gebruikt die bijna ironisch is. Het suggereert dat het puur toeval is dat Ruth juist op deze akker terechtkomt. Maar als lezer weten we dat dit geen willekeur is. Dit is Gods verborgen leiding in actie. Dit is het moment waarop het verhaal kantelt. Ruth zelf beseft dit nog niet. Ze zoekt slechts naar graan om de dag door te komen. Maar in werkelijkheid is ze op een plek terechtgekomen die haar toekomst zal veranderen. Hier komt een belangrijk theologisch principe naar voren: Gods voorzienigheid werkt door gewone gebeurtenissen heen. Ruth ziet op dit moment niets bovennatuurlijks gebeuren. Er is geen engel die haar de weg wijst, geen stem uit de hemel. Ze kiest een veld en begint te werken. Maar achter de schermen leidt God haar precies waar ze moet zijn. Dit patroon zien we vaker in de Bijbel. Denk aan Jozef, die als slaaf werd verkocht en uiteindelijk Egypte zou redden (Genesis 50:20). Of aan de Samaritaanse vrouw die water kwam halen en Jezus ontmoette (Johannes 4). Mensen denken dat ze gewoon hun dagelijkse beslommeringen volgen, maar ondertussen beweegt God hen richting een grotere bestemming.
Deze verzen laten zien hoe menselijk initiatief en goddelijke leiding samenkomen. Ruth blijft niet passief, ze neemt verantwoordelijkheid en gaat op zoek naar een uitkomst. Maar uiteindelijk is het niet haar planning die bepaalt waar ze uitkomt, maar Gods hand die haar op de juiste plaats brengt.
Wat betekent dit voor ons? Hoe vaak denken wij niet dat ons leven slechts een aaneenschakeling van toevalligheden is? Dat we simpelweg gaan werken, keuzes maken, onze weg zoeken? Maar als we achterom kijken, zien we soms hoe dingen die op dat moment onbeduidend leken, beslissend bleken te zijn. Een ontmoeting, een keuze, een deur die opengaat – en achteraf beseffen we: dit was geen toeval.
Ruth denkt dat ze slechts een veld kiest. Maar ze staat op de drempel van iets groters. De vraag is: waar zien wij Gods verborgen leiding in ons eigen leven? En zijn we, net als Ruth, bereid om op weg te gaan zonder alle antwoorden al te hebben?
Ruth 2:4-7. Boaz ontmoet Ruth en informeert naar haar
Ruth werkt stil op het veld. Haar doel is eenvoudig: genoeg verzamelen om zichzelf en Naomi te onderhouden. Ze heeft geen hoge verwachtingen, geen speciale bescherming, geen zekerheid over de dag van morgen. Ze is hier als vreemdelinge, afhankelijk van de goedgunstigheid van anderen. Maar dan verschijnt Boaz: ‘Na enige tijd kwam Boaz zelf eraan, uit Betlehem. “De HEER zij met jullie,” groette hij de maaiers. “De HEER zegene u,” groetten zij terug.’
De scène verandert zodra Boaz op het toneel komt. Dit is de eerste keer dat hij fysiek verschijnt in het verhaal en zijn introductie zegt direct iets over zijn karakter. Boaz is geen landeigenaar die van een afstand toekijkt. Hij komt zelf naar zijn velden. Hij is betrokken bij de mensen die voor hem werken en zijn eerste woorden zijn geen bevelen of berekeningen, maar een zegen: ‘De HEER zij met jullie.’
In de oude Israëlische cultuur was een groet méér dan een formaliteit. Woorden droegen gewicht. Een groet als deze was een gebed om Gods nabijheid en zegen over de werkers. En de maaiers antwoorden direct: ‘De HEER zegene u.’ Dit wederzijdse respect geeft ons een inkijkje in de manier waarop Boaz met zijn werknemers omging. Dit is geen man die zijn werkers als pionnen ziet, maar als medemensen. Zijn geloof en rechtvaardigheid sijpelen door in zijn manier van omgaan met anderen.
Terwijl hij het veld overziet, valt zijn oog op een onbekende vrouw. ‘Boaz vroeg de voorman van zijn maaiers: “Bij wie hoort die jonge vrouw daar?”’ De manier waarop hij vraagt, is veelzeggend. Hij vraagt niet ‘Wie is zij?’, maar ‘Bij wie hoort zij?’ In de samenleving van toen had bijna iedereen een familielid of patroon die voor hen zorgde. Maar Ruth is alleen. Een vrouw zonder man of familie was kwetsbaar. Ze viel op, juist omdat ze nergens bij hoorde.
De voorman kent haar verhaal en antwoordt direct: ‘Dat is de Moabitische vrouw die met Naomi mee teruggekomen is. Toen ze hier aankwam zei ze: “Ik zou graag achter de maaiers aan willen gaan om aren te lezen bij de schoven” en nu is ze hier al de hele dag, vanaf de vroege ochtend – ze heeft maar even gezeten.’ Opnieuw wordt Ruth als ‘de Moabitische’ geïntroduceerd. Haar identiteit als vreemdelinge wordt herhaaldelijk benadrukt. Dit is niet zonder reden. Moabieten werden in Israël met argwaan bekeken. In Deuteronomium 23:4-7 staat dat Moabieten niet mochten toetreden tot de gemeenschap van de HEER, zelfs niet na tien generaties. Dit was geen willekeurig verbod, maar geworteld in historische vijandigheid.
Toen Israël na de uittocht uit Egypte door de woestijn trok, weigerden de Moabieten hen voedsel en water te geven. In plaats van gastvrijheid toonden ze vijandschap. Bovendien huurden ze de profeet Bileam in om Israël te vervloeken, hoewel God deze vloek veranderde in een zegen (Numeri 22-24). Deze gebeurtenissen lieten een diepe wond achter in het collectieve geheugen van Israël, waardoor Moabieten als vijandig en onbetrouwbaar werden gezien. Daarnaast speelde de oorsprong van de Moabieten een rol in hun slechte reputatie. Volgens Genesis 19:30-38 was Moab de zoon van Lot en zijn oudste dochter, geboren uit een incestueuze relatie. Voor de Israëlieten, die sterke familie- en reinheidswetten kenden, had deze oorsprong een negatieve lading. Bovendien waren de Moabieten bekend om hun afgodendienst, met name de verering van de god Kemos, waarbij soms zelfs mensenoffers werden gebracht (2 Koningen 3:27). Dit leidde tot de vrees dat omgang met Moabieten Israëlieten zou verleiden tot afgoderij. Deze combinatie van historische vijandschap, morele en religieuze afwijking en het gevaar van afgodische beïnvloeding maakte dat Moabieten als een bedreiging werden gezien. Ruth droeg dit stigma met zich mee. Ze werd niet alleen als vreemdelinge beschouwd, maar als een vreemdelinge uit een volk dat Israël schade had berokkend en geestelijk gevaar kon brengen.
Maar de voorman vertelt meer dan alleen over Ruths afkomst. Hij schetst een beeld van haar houding en werkethiek. Ruth heeft beleefd om toestemming gevraagd, iets wat niet vanzelfsprekend was. Ze heeft haar recht niet opgeëist, maar zich nederig opgesteld. Dit zegt veel over haar karakter. Ze neemt geen gunsten als vanzelfsprekend, maar is dankbaar voor elke kans. Daarnaast wordt haar harde werk benadrukt: ‘Ze is hier al de hele dag, vanaf de vroege ochtend – ze heeft maar even gezeten.’ Ruth is geen passieve ontvanger van hulp. Ze doet wat ze kan. Ze is niet te trots om op haar knieën te gaan en graan van de grond te rapen. In haar houding zien we een combinatie van bescheidenheid en doorzettingsvermogen.
Wat deze scène zo bijzonder maakt, is het spel tussen zien en gezien worden. Tot nu toe heeft niemand zich om Ruth bekommerd. Ze werkt stil, onopvallend, zich niet bewust van het feit dat iemand haar opmerkt. Maar Boaz ziet haar. En dat verandert alles. Door de hele Bijbel heen is zien een belangrijk thema. Hagar, de slavin van Sara, noemt God ‘El Roi’, de God die haar zag toen niemand anders dat deed (Genesis 16:13). Jezus zag de tollenaars, de zieken, de mensen aan de rand van de samenleving. Waar anderen hen over het hoofd zagen, richtte Hij zijn blik op hen.
Ruth weet nog niet dat Boaz haar heeft opgemerkt. Ze heeft geen idee dat er over haar gesproken wordt. Hoe vaak gebeurt dit in ons eigen leven? Hoe vaak denken we dat we onzichtbaar zijn, terwijl er in werkelijkheid al over ons wordt gewaakt?
Dit moment markeert een keerpunt. Boaz heeft Ruth nu opgemerkt. De vraag is: wat zal hij doen?
Ruth 2:8-9. Boaz biedt Ruth bescherming en zorg
Ruth had deze dag waarschijnlijk heel anders voorgesteld. Ze wist niet of ze op het veld mocht blijven. Ze wist niet of iemand haar zou helpen. Alles hing af van de goedgunstigheid van een onbekende landeigenaar. Tot nu toe had ze stil haar werk gedaan, onopvallend, niet wetend of ze gewenst was.
En dan gebeurt er iets onverwachts: ‘Daarop zei Boaz tegen Ruth: “Luister goed, mijn dochter. Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg, maar blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken. Volg ze op de voet en houd je ogen gericht op het veld waar gemaaid wordt. Ik zal mijn mannen zeggen je niet lastig te vallen. Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van het water dat ze daar scheppen.”’ Het initiatief komt van Boaz. Ruth hoeft zichzelf niet aan te bieden, niet te smeken om toestemming, niet te bewijzen dat ze het waard is. Boaz spreekt haar aan en opent de deur naar iets wat zij nog niet had durven hopen: zekerheid.
Zijn eerste woorden zijn opmerkelijk: ‘Luister goed, mijn dochter.’ Het woord ‘dochter’ is een teken van genegenheid en bescherming. Boaz had haar afstandelijk kunnen aanspreken, als een buitenlandse vrouw of een behoeftige. Maar hij kiest ervoor haar als een familielid te behandelen, alsof hij haar in zijn eigen huis opneemt. Dit doet denken aan de manier waarop God in de Bijbel Zijn volk aanspreekt: niet als vreemdelingen, maar als Zijn kinderen.
Daarna geeft Boaz haar duidelijke instructies. ‘Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg.’ Dit klinkt als een simpel gebod, maar in de context van die tijd was het revolutionair. Aren lezen was riskant voor een alleenstaande vrouw. Sommige landeigenaren waren gierig en joegen vreemdelingen weg. Arbeiders konden misbruik maken van kwetsbare vrouwen. Door haar expliciet op zijn akker te houden, biedt Boaz Ruth bescherming. Hij maakt zich verantwoordelijk voor haar welzijn.
Dan volgt een belangrijke toevoeging: ‘Blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken.’ Dit betekent meer dan fysieke veiligheid. Boaz nodigt haar uit binnen een sociale groep. Ruth was tot nu toe een buitenstaander geweest, een Moabitische in een vreemd land. Nu krijgt ze een plek binnen een gemeenschap. Ze hoeft zich niet langer los achter de maaiers te bewegen, maar mag zich voegen bij de vrouwen die voor Boaz werken. Dit geeft haar niet alleen bescherming, maar ook een vorm van erkenning.
Boaz benadrukt dat ze haar ogen moet richten op zijn veld. ‘Volg ze op de voet en houd je ogen gericht op het veld waar gemaaid wordt.’ Dit is praktisch advies – ze moet weten waar ze veilig kan werken – maar er ligt ook een diepere betekenis in. Ruth moet zich niet laten afleiden door andere mogelijkheden of alternatieven, maar vertrouwen op de plek waar ze is geplaatst. Dit is een mooi beeld van geloof: God vraagt ons soms om gewoon te blijven waar we zijn en daar Zijn zegen te ontvangen.
Dan volgt een belangrijk detail: ‘Ik zal mijn mannen zeggen je niet lastig te vallen.’ Dit impliceert dat Ruth zonder deze bescherming wél risico liep. Boaz onderkent de gevaren en grijpt in. Hij gebruikt zijn gezag niet om haar te overheersen, maar om haar te beschermen. Dit is wat een ware beschermer doet: niet macht uitoefenen over de zwakken, maar zijn kracht inzetten voor hun welzijn.
En dan komt een onverwachte genade: ‘Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van het water dat ze daar scheppen.’ Dit lijkt een klein detail, maar in die tijd was het revolutionair. In Israël was het gebruikelijk dat vrouwen water schepten voor mannen en niet andersom (Genesis 24:11-14). En vreemdelingen moesten doorgaans zelf hun water regelen. Maar Boaz doorbreekt de sociale conventies. Hij nodigt Ruth uit om te drinken van het water dat zijn eigen arbeiders hebben gehaald. Dit doet denken aan Jezus’ woorden in Johannes 7:37: ‘Laat wie dorst heeft bij Mij komen en drinken!’ Boaz’ uitnodiging wijst vooruit naar de ultieme gastvrijheid die Jezus biedt. Niet op basis van afkomst, status of verdienste, maar uit pure genade.
Ruth had deze ochtend niets anders verwacht dan een dag hard werken, zonder zekerheid of bescherming. Maar in een paar zinnen verandert alles. Ze wordt niet alleen geduld, maar verwelkomd. Ze krijgt een plek. Ze krijgt bescherming. Ze krijgt toegang tot de bronnen van het land.
Dit roept een vraag op: hoe vaak denken wij dat we slechts ‘aan de rand’ mogen staan? Dat we slechts mogen verzamelen wat overblijft? Dat we niet gezien of gewenst zijn? Maar dan is daar de stem van Degene die ons ziet, die ons roept en ons zegt: ‘Blijf hier. Ik zorg voor jou.’ Ruth weet nog niet hoe groot deze zegen zal zijn. Maar haar leven is zojuist veranderd. De vraag is: hoe zal ze hierop reageren?
Ruth 2:10-13. Ruths verwondering en Boaz’ zegen
Ruth had op deze dag niets anders verwacht dan een lange, vermoeiende dag van werken in de hitte. Haar enige hoop was dat ze genoeg graan kon verzamelen om samen met Naomi te overleven. Ze had niet gerekend op een gesprek met de landeigenaar. Ze had niet verwacht opgemerkt te worden. En ze had al helemaal niet verwacht dat hij haar zou zegenen en beschermen.
En dan staat ze daar, tegenover Boaz, terwijl zijn woorden nog nagalmen in haar gedachten. ‘Ze knielde, boog diep voorover en zei: “Waarom bent u zo vriendelijk voor mij? U behandelt mij goed, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben.”’ Ruths reactie is zowel fysiek als verbaal veelzeggend. Ze knielt en buigt diep voorover – een gebaar van eerbied en nederigheid. In de Bijbel wordt knielen vaak gebruikt als teken van diepe dankbaarheid of onderwerping (Genesis 33:3, 1 Samuel 24:9). Dit is geen gewoon beleefdheidsgebaar; Ruth is echt overweldigd. Ze begrijpt niet waarom Boaz haar zo goed behandelt.
Haar woorden maken duidelijk dat ze geen enkel recht opeist: ‘Waarom bent u zo vriendelijk voor mij?’ Dit is een vraag die doordrenkt is van verwondering. Ruth had gerekend op een strijd om te overleven, niet op genade. Ze had zich voorbereid op afwijzing, niet op erkenning. ‘U behandelt mij goed, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben.’ Dit laat zien hoe ze zichzelf ziet: als een buitenstaander, iemand zonder rechten, iemand die slechts gedoogd wordt. In de samenleving van toen was dit geen onterechte gedachte. Vreemdelingen hadden geen status. Ze waren kwetsbaar en afhankelijk van de goedgunstigheid van anderen. Moabieten waren bovendien niet zomaar vreemdelingen, maar historisch gezien vijanden van Israël (Deuteronomium 23:4-7). Ruth had geen reden om te denken dat ze welkom was. Maar Boaz ziet haar anders.
Boaz antwoordt haar op een manier die haar hart moet hebben geraakt. ‘Boaz antwoordde: “Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was.”’ Deze woorden laten zien dat Ruths reputatie haar is voorgegaan. Ze dacht misschien dat ze onopgemerkt was gebleven, maar haar trouw aan Naomi heeft indruk gemaakt. Boaz benoemt niet haar afkomst, maar haar keuzes. Hij ziet niet een Moabitische vreemdelinge, maar een vrouw die haar familie, haar zekerheid en haar verleden heeft achtergelaten om trouw te blijven aan Naomi. Dit doet denken aan Abraham, die geroepen werd om zijn land en familie te verlaten en te vertrouwen op Gods belofte (Genesis 12:1-4). Ruth is in veel opzichten een vrouwelijke Abraham: ze heeft haar zekerheid opgegeven en is in geloof naar een vreemd land gegaan. Dit maakt haar geen vreemdelinge meer in Gods ogen, maar een vrouw van geloof.
En dan spreekt Boaz woorden die niet alleen een compliment zijn, maar een zegen: ‘Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen – de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je bent komen schuilen.’ Dit beeld van ‘onder Gods vleugels schuilen’ is een van de mooiste beelden in de Bijbel. Het verwijst naar de beschermende zorg van God, zoals een vogel haar jongen beschermt onder haar vleugels (Psalm 91:4, Matteüs 23:37). Boaz zegt hiermee: ‘Je bent niet zomaar naar Israël gekomen. Je hebt je toevlucht gezocht bij de enige God die werkelijk redt.’ Dit is een belangrijk theologisch punt. Ruths afkomst sluit haar niet uit van Gods zegen. Haar geloof brengt haar binnen Gods bescherming. De wet in Deuteronomium verbood Moabieten om toe te treden tot de gemeenschap van de Heer, maar God kijkt verder dan afkomst. Wat telt is niet waar je vandaan komt, maar waar je je vertrouwen op stelt.
Ruths antwoord is opnieuw nederig en dankbaar: ‘“U bent goed voor mij, heer,” zei ze. “U biedt me troost en spreekt me moed in, terwijl ik niet eens bij u in dienst ben.”’ Ruth is overweldigd door de goedheid van Boaz. Hij was haar niets verplicht en toch heeft hij haar gezegend. Ze noemt zijn woorden troost en bemoediging, alsof hij iets in haar hart heeft aangeraakt dat lang koud en onzeker was geweest. Dit is de eerste keer dat iemand haar niet ziet als een last, maar als een gezegende vrouw. Dit moment wijst vooruit naar het hart van het evangelie. Gods zegen is niet voorbehouden aan de mensen die er recht op denken te hebben. Zijn genade is voor degenen die zich onder Zijn vleugels wagen, ongeacht hun achtergrond. Jezus riep niet de religieus aanzienlijken, maar de nederigen, de vreemdelingen, de verstotenen.
Ruth kwam om aren te lezen, maar ze kreeg meer dan graan. Ze kreeg erkenning, bescherming en een plaats binnen Gods volk. Dit roept een vraag op: hoe vaak denken wij dat we slechts mogen ‘verzamelen’ aan de rand van Gods zegen, terwijl Hij ons volledig wil opnemen onder Zijn vleugels? Ruth weet nog niet hoe groot deze zegen zal worden. Maar haar leven is op dit moment al veranderd. De vraag is: wat doet deze ontmoeting met haar vertrouwen in de toekomst?
Ruth 2:14-16. Boaz toont extra gunst aan Ruth
De ochtend was lang en intens geweest. Ruth had hard gewerkt, haar handen waren stoffig van de aren en de zon brandde fel. Tot nu toe had ze haar plek als arenleester zonder veel ophef ingenomen, stil werkend aan de rand van het veld. Ze had verwacht dat haar dag zich zou vullen met zwijgzaam verzamelen, onopvallend en afhankelijk van de restjes die achterbleven.
En dan, ineens, klinkt de stem van Boaz: ‘Toen het etenstijd was zei Boaz tegen haar: “Kom maar hier en neem een stuk brood en doop het in de wijn.” Ze ging naast de maaiers zitten, en hij gaf haar geroosterd graan. Ze at tot ze genoeg had en ze hield zelfs nog over.’ Dit is een belangrijk moment. Boaz had Ruth eenvoudig kunnen laten doorwerken en haar het overschot van de maaltijd kunnen gunnen. Maar in plaats daarvan nodigt hij haar uit om te komen eten. Niet als een bedelaar aan de rand, maar als een volwaardige deelneemster aan de maaltijd. In de samenleving van die tijd was samen eten geen onschuldige handeling. Het betekende opname, acceptatie, gemeenschap. Wie aan tafel zat, hoorde erbij.
En dan zegt Boaz iets verrassends: ‘Neem een stuk brood en doop het in de wijn.’ Dit detail is belangrijk. Het dopen van brood in wijn was een gebruikelijke manier van eten, maar doorgaans iets wat je met bekenden of familie deed, niet met een vreemdelinge. Dit is een daad van gastvrijheid die verder gaat dan verwacht. Dit herinnert ons aan Jezus, die later een stuk brood doopte en aan Zijn discipelen gaf (Johannes 13:26). Het is een gebaar dat gemeenschap en acceptatie uitdrukt.
Ruth neemt plaats tussen de maaiers – niet op afstand, niet als een buitenstaander, maar als iemand die erbij hoort. En dan gebeurt er iets nog opvallenders: Boaz geeft haar geroosterd graan. Dit is geen normale gang van zaken. Landeigenaren aten meestal apart van hun arbeiders en de arbeiders brachten hun eigen voedsel mee. Boaz laat zien dat hij zich niet beperkt tot wat sociaal gangbaar is. Hij geeft haar eten, een daad van zorg en vrijgevigheid.
En dan staat er: ‘Ze at tot ze genoeg had en ze hield zelfs nog over.’ Dit korte zinnetje is beladen met betekenis. Voor een weduwe, een vreemdelinge, een vrouw die afhankelijk is van andermans gunst, is een maaltijd waarbij ze genoeg heeft geen vanzelfsprekendheid. Maar bij Boaz is overvloed. Dit doet denken aan de wonderen van Jezus, waar de menigten aten tot ze verzadigd waren en er bleef zelfs over (Matteüs 14:20). Hier zien we opnieuw een glimp van hoe Gods genade werkt: niet minimaal, niet zuinig, maar royaal en overvloedig.
Maar Boaz’ vrijgevigheid stopt niet bij de maaltijd. ‘Toen ze weer opstond om te gaan werken, gaf Boaz zijn mannen de volgende opdracht: “Laat haar ook tussen de schoven aren lezen, zeg daar niets van. Integendeel, jullie moeten juist wat halmen voor haar uit de bundels trekken en die laten liggen, zodat zij ze op kan rapen. Verwijt haar dus niets.”’ Hier gaat Boaz verder dan wat de wet vereist. De wet stond toe dat armen de aren mochten verzamelen die op de grond vielen, maar Boaz instrueert zijn arbeiders om extra voor Ruth achter te laten. Dit is een bewuste keuze om haar niet enkel het minimum te geven, maar haar in overvloed te zegenen.
Opvallend is dat Boaz zijn mannen expliciet instrueert: ‘zeg daar niets van’ en ‘verwijt haar dus niets’. Hij weet dat er sociale spanning kan ontstaan. Waarom krijgt deze buitenlandse vrouw een voorkeursbehandeling? Waarom laten de arbeiders met opzet extra graan vallen? Maar Boaz laat geen ruimte voor discussie. Hij bepaalt dat Ruth zonder schaamte en zonder tegenstand haar werk kan doen. Hierin zien we een krachtig beeld van genade. Boaz geeft Ruth méér dan ze verdient, méér dan ze vraagt, méér dan de wet voorschrijft. Dit is hoe God werkt. Genade is geen kwestie van minimale concessies, maar van overvloed. Dit wijst vooruit naar Jezus, die ons niet slechts ‘genoeg’ geeft, maar in overvloed zegent (Johannes 10:10).
Ruth begon deze dag als een onzekere vreemdelinge, nederig werkend aan de rand van het veld. Nu zit ze aan de tafel van de landeigenaar en ontvangt ze meer dan ze had durven dromen. Dit roept de vraag op: hoe vaak blijven wij hangen in een mentaliteit van ‘ik mag alleen de restjes oprapen’, terwijl God ons uitnodigt om aan tafel te komen? Ruth weet nog niet hoe diep deze zegeningen zullen gaan. Maar haar leven is al veranderd. De vraag is: zal ze deze overvloed aanvaarden? En hoe gaan wij om met de genade die ons gegeven wordt?
Ruth 2:17-20. Ruths opbrengst en terugkeer naar Naomi
De zon staat laag aan de hemel wanneer Ruth eindelijk stopt met werken. Het is een lange, warme dag geweest, maar ze heeft geen moment verslapt. Sinds de vroege ochtend is ze op het veld geweest, van plan om zoveel mogelijk aren te verzamelen. En met de vrijgevigheid van Boaz en de extra aren die voor haar zijn achtergelaten, heeft ze meer verzameld dan ze ooit had durven hopen.
‘Zij werkte tot de avond op het veld en sloeg de korrels uit de aren die ze geraapt had. Het was ongeveer een efa gerst.’ Ruth blijft tot het einde van de werkdag, niet om zich te haasten naar huis, maar om de aren uit te kloppen en de korrels te verzamelen. Dit was geen eenvoudige taak. De traditionele manier om graan te verwerken gebeurde op een dorsvloer met dieren of zware dorssleden (zoals te lezen is in 1 Kronieken 21:22-23), maar Ruth doet dit waarschijnlijk met een stok of door de aren tegen een harde ondergrond te slaan. Dit kost kracht en geduld. Maar ze neemt de tijd om haar werk af te maken. En dan volgt een belangrijk detail: ‘Het was ongeveer een efa gerst.’ Een efa is geen kleine hoeveelheid. Dit komt neer op ongeveer 22 liter gerst. Voor een vrouw die slechts op goed geluk achter de maaiers is gaan werken, is dit ongekend veel. Normaal gesproken zou een arenleester slechts een kleine hoeveelheid verzamelen, genoeg voor één of twee maaltijden. Maar Ruth heeft genoeg graan om Naomi en zichzelf minstens een week van eten te voorzien. Dit is geen gewone oogst; dit is een teken van Gods voorzienigheid.
Dit is een krachtig beeld van hoe God werkt. In Psalm 23:5 lezen we: ‘U zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over.’ Ruth had gehoopt op een handjevol graan, maar kreeg overvloed. Dit doet denken aan andere momenten in de Bijbel waarin God mensen zegent met méér dan ze hadden durven verwachten. Denk aan de weduwe van Sarfat, wiens kruik meel en olie niet opraakte (1 Koningen 17:8-16), of aan de wonderbare spijziging door Jezus, waar de mensen aten tot ze verzadigd waren en er nog overbleef (Johannes 6:12-13).
Maar Ruth blijft niet op het veld staan om haar eigen zegeningen te bewonderen. ‘Ze pakte het op en ging terug naar de stad.’ Hier zien we opnieuw haar toewijding. Ze laat haar graan niet achter, maar draagt het mee naar huis. Dit is niet zomaar een symbolisch detail; een efa graan is zwaar. Waarschijnlijk droeg ze het op haar rug of in een mand. Na een lange dag van hard werken, zou het begrijpelijk zijn als ze rust nam op het veld. Maar Ruth weet dat Naomi op haar wacht. Haar eerste gedachte is niet: wat een geweldige dag voor mij! Nee, haar eerste gedachte is: hoe kan ik dit delen?
Wanneer Ruth thuiskomt, blijkt haar zegen nóg groter dan verwacht. ‘Toen Naomi zag hoeveel ze verzameld had, en toen Ruth haar ook nog gaf wat ze van het middagmaal had overgehouden, riep ze uit: “Waar heb jij vandaag aren gelezen, waar heb je gewerkt? Gezegend de man die jou zo goed heeft behandeld!”’ We krijgen hier een inkijkje in Naomi’s gemoedstoestand. Dit is dezelfde Naomi die kortgeleden nog zei: ‘Noem me niet Naomi, noem me Mara, want de Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt’ (Ruth 1:20). Ze had gedacht dat haar leven getekend zou blijven door verlies en armoede. Maar nu ziet ze, tot haar verbazing, hoe Ruth met een overvloedige oogst thuiskomt.
Naomi’s eerste reactie is verwondering. ‘Waar heb jij vandaag aren gelezen, waar heb je gewerkt?’ Ze kan nauwelijks geloven wat ze ziet. Dit is geen gewone oogst. Dit is een zegen die verder gaat dan wat normaal is voor een weduwe en een vreemdelinge. En zonder te weten wie hierachter zit, spreekt ze al een zegen uit: ‘Gezegend de man die jou zo goed heeft behandeld!’ Dit is een keerpunt voor Naomi. Haar perspectief verandert. Ze begon als een vrouw die haar leven als bitter en leeg zag, maar nu begint ze te zien dat God nog steeds voor haar zorgt. Dit is een belangrijk moment in het boek Ruth. Gods genade wordt hier zichtbaar op een tastbare manier. Ruth wordt gezegend door Boaz, maar de zegen stopt daar niet. Naomi wordt er ook door geraakt. Dit is een diep bijbels principe: zegeningen zijn nooit alleen bedoeld voor degene die ze ontvangt, maar ook voor de mensen om hen heen. In Genesis 12:2 zegt God tegen Abraham: ‘Ik zal je zegenen (...) In jou zullen alle volken op aarde gezegend worden.’ Dit patroon zien we steeds opnieuw terug in de Bijbel. Gods zegen is nooit bedoeld om voor onszelf te houden, maar om door te geven. Ruth wordt gezegend en geeft door aan Naomi.
Dit roept een belangrijke vraag op: wat doen wij met de zegeningen die we ontvangen? Bewaren we ze alleen voor onszelf of delen we ze met anderen? Ruth laat hier een houding zien van overvloedig geven, zelfs na een lange dag van zwaar werk. Ruth weet nog niet waar deze zegeningen haar naartoe zullen leiden. Maar haar leven is op dit moment al veranderd. De vraag is nu: wat zal Naomi doen met deze nieuwe hoop? En hoe gaan wij om met de onverwachte genade die God ons geeft?
Ruth, die zich niet bewust is van de impact van haar woorden, antwoordt eenvoudig: ‘De man bij wie ik vandaag gewerkt heb, heet Boaz.’ Op dit moment verandert alles voor Naomi. Het is alsof een sluier wordt weggetrokken en ze opeens ziet wat God aan het doen is. Haar reactie is direct en krachtig: ‘Toen zei Naomi tegen haar schoondochter: “Moge de HEER hem zegenen, want hij heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden.”’ De naam Boaz brengt herinneringen bij Naomi boven. Hij is geen vreemdeling, geen toevallige weldoener. Hij is familie. En niet zomaar familie, maar een losser.
Naomi vervolgt: ‘Hij is een naaste verwant van ons en kan daarom zijn rechten als losser laten gelden.’ Dit is een cruciale openbaring. In de wetten van Israël had een losser een bijzondere rol. Hij was een familielid met de verantwoordelijkheid om familiegrond terug te kopen (Leviticus 25:25), wraak te nemen als een verwant onrecht was aangedaan (Numeri 35:19) en, in sommige gevallen, met de weduwe van een overleden familielid te trouwen om de familielijn voort te zetten (Deuteronomium 25:5-10). Dit betekent dat Boaz niet alleen een vriend is die Ruth goed behandelt. Hij heeft een wettelijke en morele mogelijkheid om hun situatie fundamenteel te veranderen. Deze ontdekking wijst vooruit naar een grotere theologische waarheid. In het Nieuwe Testament wordt Jezus voorgesteld als onze hemelse Losser. Net zoals Boaz Ruth en Naomi kan redden uit hun kwetsbare positie, zo heeft Jezus zichzelf gegeven om ons te verlossen uit de slavernij van zonde en dood. In Marcus 10:45 zegt Jezus: ‘want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’
Boaz is een voorafschaduwing van Christus. Zoals Boaz Ruth niet negeert, maar haar zegent en beschermt, zo negeert Jezus ons niet, maar komt Hij om ons te redden. Zoals Boaz bereid is de rol van losser op zich te nemen, zo is Jezus de ultieme Losser van de mensheid. Naomi’s woorden zijn dus profetisch: ‘Hij heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden.’ Deze uitspraak geldt niet alleen voor Boaz, maar in een dieper perspectief ook voor Jezus Christus. Door zijn opstanding heeft Hij de doden niet vergeten en door zijn genade bewijst Hij trouw aan de levenden.
Op dit moment in het verhaal beseft Ruth waarschijnlijk nog niet de volle betekenis van Naomi’s woorden. Voor haar is Boaz een vriendelijke man die haar heeft geholpen. Maar Naomi ziet het grotere plaatje. Dit is geen toeval. Dit is Gods voorzienigheid. Wat begon als een gewone werkdag eindigt met een ontdekking die hun leven voorgoed zal veranderen. Maar de vraag blijft: wat zal Ruth doen met deze nieuwe kennis? En hoe reageren wij wanneer God onverwachts deuren opent in ons leven?
Ruth 2:21-23. Ruth blijft op de akker van Boaz
De avond valt over Betlehem en het huis van Naomi is gevuld met een onverwachte energie. De dag die begon in onzekerheid, eindigt met een glimp van hoop. Ruth heeft niet alleen een overvloedige oogst meegebracht, maar ook een toekomstperspectief waarover Naomi nooit had durven dromen.
Net op het moment dat Naomi haar gedachten over Boaz’ rol als losser op een rij probeert te krijgen, voegt Ruth nog iets toe: ‘Hij heeft ook nog tegen me gezegd dat ik bij zijn maaiers moest blijven totdat zijn hele oogst is binnengehaald.’ Dit lijkt op het eerste gezicht slechts een praktische instructie, maar de implicaties zijn veel groter. Boaz had Ruth niet alleen toegestaan om aren te lezen; hij had haar persoonlijk uitgenodigd om het hele oogstseizoen bij zijn arbeiders te blijven. Dit was niet vanzelfsprekend. Arenlezers gingen normaal gesproken van veld naar veld, afhankelijk van waar ze welkom waren. Boaz maakt die onzekerheid voor Ruth volledig overbodig. In een tijd waarin weduwen en vreemdelingen bijzonder kwetsbaar waren, betekent dit een belangrijk iets: bescherming.
Boaz geeft Ruth een plek waar ze zich geen zorgen hoeft te maken over haar veiligheid. Dit wordt onderstreept door Naomi’s reactie: ‘Het is goed dat je optrekt met de vrouwen op zijn land, mijn dochter, want dan zal niemand je op een ander veld lastig kunnen vallen.’ Naomi’s woorden zijn doordrenkt met zowel erkenning als realisme. Ze erkent de vriendelijkheid van Boaz en de bescherming die hij biedt, maar ze herinnert Ruth er ook aan dat de wereld buiten dat veld hard en gevaarlijk kan zijn. Dit is geen loze waarschuwing. De tijd van de rechters, waarin dit verhaal zich afspeelt, was een periode van moreel verval en sociale wetteloosheid (Rechters 21:25). Vrouwen, vooral weduwen zonder mannelijke bescherming, liepen constant risico’s.
Er ligt ook een diepere geestelijke waarheid in Naomi’s woorden. Haar raad om op het veld van Boaz te blijven, weerspiegelt een bredere oproep: blijf in de nabijheid van de bron van zegen. Dit principe zien we door de hele Bijbel heen. In Psalm 91:1 lezen we: ‘Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende, zegt tegen de HEER: “Mijn toevlucht, mijn vesting, mijn God, op U vertrouw ik.”’ Jezus zelf zegt in Johannes 15:4: ‘Blijf in Mij, dan blijf Ik in jullie.’ God roept ons niet op om rusteloos rond te zwerven, op zoek naar tijdelijke oplossingen, maar om dicht bij Hem te blijven. Ruth had de vrijheid om naar andere velden te gaan, maar Naomi moedigt haar aan om te blijven op de plek waar ze veilig is.
En Ruth luistert. ‘Ze bleef dus aren lezen bij de vrouwen die voor Boaz werkten, tot het einde van de gerste- en de tarweoogst. Al die tijd woonde ze bij haar schoonmoeder.’ Dit vers beschrijft een periode van stabiliteit. Ruth blijft werken, dag na dag, oogst na oogst. Dit is belangrijk, want het laat zien dat zegen en verantwoordelijkheid hand in hand gaan. Boaz biedt haar bescherming, maar Ruth moet zelf de keuze maken om trouw te blijven en zich hieraan toe te vertrouwen.
Het noemen van zowel de gersteoogst als de tarweoogst is ook betekenisvol. De gersteoogst begon in het voorjaar en was de eerste oogst van het seizoen. Gerst werd vaak gezien als het voedsel van de armen – voedzaam, maar eenvoudig. De tarweoogst volgde enkele weken later en bracht een rijkere, voedzamere opbrengst. Dit patroon weerspiegelt vaak de manier waarop Gods zegeningen zich ontwikkelen: eerst ontvangen we een basisvoorziening en als we trouw blijven, volgt een diepere en rijkere vervulling van Zijn beloften.
Tot slot lezen we: ‘Al die tijd woonde ze bij haar schoonmoeder.’ Dit benadrukt opnieuw Ruths trouw en toewijding. Ze heeft nu een zekere mate van stabiliteit en bescherming, maar ze blijft toegewijd aan Naomi. Ze gebruikt haar positie niet om zichzelf vooruit te helpen ten koste van anderen.
Dit roept een belangrijke vraag op: hoe gaan wij om met de plekken waar God ons roept om trouw te blijven? Vaak willen we direct resultaat zien, willen we snelle vooruitgang. Maar Ruth leert ons dat Gods zegen soms stap voor stap komt – en dat het onze taak is om volhardend te blijven waar Hij ons geplaatst heeft.
Wat begon als een dag van onzekerheid, eindigt met een periode van voorziening. Maar het verhaal is nog niet ten einde. De oogst is slechts een tussenstap. Ruth weet nog niet hoe haar trouw uiteindelijk zal leiden tot een diepere vervulling van Gods plan. En soms is dat precies waar wij ons bevinden: in een seizoen van wachten, van trouw blijven, zonder te weten hoe het verder zal gaan. Maar juist dan mogen we vertrouwen dat God het grotere plaatje al ziet.
Kernboodschap
De kernboodschap van Ruth 2:1-23 is: Gods genade werkt vaak verborgen, verscholen in de alledaagse keuzes en toevalligheden van het leven. Maar wie op weg gaat met open handen en een trouw hart, ontdekt dat Hij niet alleen voorziet, maar ook uitnodigt om te blijven en te groeien in Zijn overvloed.
Dit bijbelgedeelte laat zien hoe Gods hand zichtbaar is in de schijnbaar toevallige gebeurtenissen van het dagelijks leven. Er is geen spectaculaire openbaring, geen wonderbaarlijke ingreep, geen hoorbare stem uit de hemel. Toch beweegt alles in dit hoofdstuk zich in de richting van een verrassende wending. Ruth gaat op pad zonder enige garantie op succes. Ze maakt een eenvoudige, praktische keuze: ze zal gaan aren lezen, zoals de wet dat toestaat voor de armen. Wat ze niet weet, is dat haar beslissing haar precies op het juiste moment op het juiste veld zal brengen – het veld van Boaz, een man die haar niet alleen voedsel geeft, maar ook bescherming en erkenning.
Deze verborgen leiding van God is een kernmotief in het hele boek Ruth. Er wordt in het verhaal nergens expliciet gezegd dat God direct ingrijpt en toch zien we hoe Zijn zorg subtiel verweven is in alles wat gebeurt. Ruth denkt dat ze een willekeurig veld kiest, maar wij als lezers weten dat er geen toeval bestaat in Gods plan. Naomi had zichzelf afgeschreven en kon niet meer geloven dat haar leven nog gevuld zou worden met iets anders dan leegte, maar door Ruths ontmoeting met Boaz begint haar perspectief te kantelen. Wat begon als een dag van onzekerheid, eindigt met hoop en belofte.
De kernboodschap komt ook naar voren in de manier waarop Ruth en Boaz met deze ‘toevalligheden’ omgaan. Ruth blijft niet passief wachten tot iemand haar helpt, maar ze neemt initiatief. Ze gaat op zoek naar een plek waar ze gunst kan vinden. Tegelijkertijd laat Boaz zich raken door wat hij ziet. Hij negeert Ruth niet, hij stuurt haar niet weg, maar hij erkent haar trouw en stelt zijn hulp gul beschikbaar. Dit laat zien dat Gods voorzienigheid vaak samenspeelt met menselijke keuzes. Hij werkt door de gewilligheid van mensen die zich openstellen voor Zijn leiding en door de bereidheid van anderen om een zegen te zijn.
Voor ons vandaag betekent dit dat Gods genade vaak verborgen aanwezig is in de gewone dingen van het leven. We verwachten Hem soms alleen te herkennen in grote, bijzondere momenten, maar veel vaker werkt Hij juist door de schijnbaar toevallige ontmoetingen, de kleine keuzes, de onverwachte gebaren van vriendelijkheid. Ruth koos simpelweg een veld, zonder te beseffen dat ze op een plek terecht zou komen die haar leven zou veranderen. Hoe vaak maken wij keuzes waarvan we de diepere betekenis pas later inzien? Een ontmoeting, een kans, een ogenschijnlijk onbetekenend besluit – en achteraf blijkt het een schakelpunt te zijn geweest in ons leven.
Tegelijkertijd daagt dit verhaal ons uit. Ruth had ervoor kunnen kiezen om bij Naomi te blijven zitten en te wachten op hulp. Boaz had Ruth kunnen negeren en haar slechts het minimum kunnen gunnen. Maar beiden handelen met een open hart en een houding van verwachting. Dat roept de vraag op: hoe gaan wij om met de ‘toevalligheden’ in ons leven? Zijn we bereid om op weg te gaan, zoals Ruth, zonder alle antwoorden te hebben? En als we in de positie van Boaz zijn, zien we dan de mensen die God op ons pad brengt?
Deze tekst daagt ons uit om ons idee van hoe God werkt te verbreden. Zijn aanwezigheid wordt niet alleen zichtbaar in wonderen, maar ook in de kleine lijnen die samenkomen in ons dagelijks leven. Zijn genade is niet beperkt tot wat wij als ‘groot’ of ‘bijzonder’ beschouwen, maar is juist te vinden in de eenvoud van trouw blijven, van op weg gaan en van anderen zien en erkennen. Wie met open handen en een ontvankelijk hart leeft, zal ontdekken dat God niet alleen voorziet, maar ons ook uitnodigt om in Zijn overvloed te blijven en te groeien.
Theologische reflectie
Deze theologische reflectie op Ruth 2:1-23 helpt ons om de diepere spirituele en theologische betekenis van deze tekst te ontdekken. Waar de exegetische uitleg zich richtte op de context en de betekenis van de afzonderlijke verzen en de kernboodschap ons de centrale boodschap aanreikte, biedt deze reflectie de ruimte om verder te kijken. Wat zegt deze tekst over het karakter van God? Hoe verwijst de tekst naar Christus? Wat betekent dit verhaal voor ons geloofsleven en hoe sluit het aan bij andere bijbelgedeelten? Dit hoofdstuk in het boek Ruth is veel meer dan een toevallige ontmoeting tussen een weduwe, een arenlezende vreemdelinge en een rijke landeigenaar. Het is een spiegel van Gods handelen, een schaduw van Christus’ verlossingswerk en een oproep om ons geloof in actie te brengen.
Het karakter van God
In Ruth 2:1-23 wordt de naam van God slechts sporadisch genoemd, en toch is Zijn aanwezigheid voelbaar in iedere gebeurtenis. Er zijn geen wonderen, geen profetische woorden, geen directe openbaringen en toch zien we hoe alles in dit hoofdstuk samenkomt onder Gods leiding. Dit is een essentieel aspect van Gods karakter dat hier naar voren komt: Zijn voorzienigheid. In theologische zin betekent voorzienigheid dat God op subtiele en soms onzichtbare wijze de gebeurtenissen in de wereld leidt. Hij grijpt niet altijd op spectaculaire wijze in, maar werkt door alledaagse keuzes, ontmoetingen en schijnbare toevalligheden. Ruth kiest een willekeurig veld om aren te lezen, maar achteraf blijkt dat dit geen toeval was. Dit leert ons dat God niet alleen werkzaam is in het grootse en bovennatuurlijke, maar ook in de kleine details van ons leven.
Daarnaast zien we in Boaz een afspiegeling van Gods genade. Ruth is een buitenlandse vrouw, zonder rechten, zonder status. Volgens de normen van haar tijd had ze niet mogen verwachten dat iemand haar zou opmerken, laat staan dat iemand haar bescherming en zorg zou bieden. Toch komt Boaz op haar af en biedt haar een overvloed die ze niet had kunnen voorzien. Dit weerspiegelt hoe God zich vaak richt op de zwakken, de buitenstaanders en de nederigen. Zijn genade is niet beperkt tot hen die denken dat ze het verdienen, maar juist voor hen die niets kunnen inbrengen. Net zoals Boaz ongevraagd Ruth zegent, zo zegent God ons op manieren die wij niet kunnen voorspellen of opeisen.
Een ander kenmerk van God dat zichtbaar wordt, is Zijn trouw. Naomi had aan het einde van het vorige hoofdstuk bitter geconcludeerd dat God haar leeg had teruggebracht, maar in dit hoofdstuk begint ze te zien dat Zijn trouw nooit is verdwenen. Zijn plannen zijn groter dan wat het menselijk oog kan zien. Door Ruths ontmoeting met Boaz wordt Naomi herinnerd aan Gods belofte om voor de Zijnen te zorgen. Dit laat ons zien dat Gods trouw niet afhankelijk is van onze gevoelens. Wij kunnen ons verlaten voelen, maar dat betekent niet dat God daadwerkelijk afwezig is. Zijn werk wordt soms pas achteraf zichtbaar, als we terugkijken op de weg die we gegaan zijn.
De verwijzing naar Christus
Boaz is niet alleen een historische figuur in het verhaal van Ruth, maar hij is ook een type van Christus. Dit betekent dat hij in zijn handelen en rol een voorafschaduwing is van wie Jezus zal zijn en wat Hij zal doen. De centrale rol van Boaz in dit hoofdstuk is die van een losser. In Israël had een losser de taak om een familielid te beschermen en, indien nodig, eigendom of status te herstellen. Boaz gedraagt zich al als een losser voordat hij officieel deze rol op zich neemt. Hij ziet Ruth, erkent haar situatie en grijpt in om haar bescherming en overvloed te geven. Dit wijst vooruit naar Jezus, die als onze Losser komt om ons te bevrijden uit de slavernij van de zonde en ons in de gemeenschap met God terug te brengen.
Een andere manier waarop Boaz Christus voorafschaduwt, is zijn bereidheid om Ruth niet alleen te helpen, maar haar ook op te nemen in zijn gemeenschap. Hij behandelt haar niet als een buitenstaander, maar als iemand die erbij hoort. Dit is een directe verwijzing naar Christus, die in het Nieuwe Testament de muur tussen Joden en heidenen afbreekt (Efeziërs 2:14-16). Waar Ruth aanvankelijk een vreemdelinge was, wordt zij door Boaz’ genade binnen de gemeenschap gebracht. Dit weerspiegelt hoe Jezus ons niet alleen verlost, maar ons ook opneemt in Gods huisgezin, ongeacht onze afkomst of voorgeschiedenis.
Daarnaast kunnen we in de zegen van Boaz over Ruth een diepere betekenis zien. Hij spreekt uit dat ze haar toevlucht heeft gezocht onder Gods vleugels. Dit beeld keert later terug als Jezus over Jeruzalem zegt: ‘Hoe vaak heb Ik je kinderen niet bijeen willen brengen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels’ (Matteüs 23:37). Jezus is degene bij wie wij bescherming en rust vinden, net zoals Ruth dat vond bij Boaz.
Relevantie voor ons geloofsleven
Dit bijbelgedeelte leert ons een belangrijke les over geloof in actie. Ruth had kunnen blijven zitten in Naomi’s huis en afwachten wat er zou gebeuren, maar in plaats daarvan besloot ze te handelen. Ze verwachtte geen wonder, maar ging op zoek naar een manier om te overleven. Haar geloof was niet passief, maar actief. Dit daagt ons uit om hetzelfde te doen. Geloven betekent niet dat we stil blijven zitten en wachten tot alles op zijn plek valt. Soms vraagt God van ons om op pad te gaan, zonder zekerheid, zonder garanties, maar in het vertrouwen dat Hij de weg leidt.
Tegelijkertijd leert dit bijbelgedeelte ons ook over ontvangen met open handen. Ruth had kunnen weigeren om het aanbod van Boaz aan te nemen. Ze had kunnen denken dat ze te trots was om afhankelijk te zijn van iemand anders. Maar ze accepteert de genade die haar geboden wordt. Dit is een beeld van hoe wij Gods genade moeten aannemen. Vaak vinden we het moeilijk om afhankelijk te zijn van iets wat we niet zelf hebben verdiend. Maar genade is per definitie onverdiend. Dit verhaal nodigt ons uit om ons hart open te stellen voor Gods overvloedige zegeningen, zonder dat we proberen ze te ‘verdienen’.
Verband met andere bijbelteksten
Dit verhaal sluit naadloos aan bij andere bijbelgedeelten waarin Gods voorzienigheid en trouw naar voren komen. Denk aan het verhaal van Jozef in Egypte (Genesis 50:20). Net zoals Ruth dacht hij dat zijn leven op een dood spoor zat, maar achteraf zag hij dat God hem precies op de juiste plaats had gebracht.
Ook is er een duidelijke verbinding met Psalm 91, waarin God wordt beschreven als degene onder wiens vleugels we mogen schuilen. Dit beeld van schuilen onder Gods bescherming komt in Ruth 2 expliciet naar voren in de woorden van Boaz.
In het Nieuwe Testament zien we parallellen in Jakobus 2:14-17, waar wordt beschreven dat geloof zonder daden dood is. Ruth laat zien hoe geloof in actie eruitziet: vertrouwen in Gods leiding en tegelijkertijd verantwoordelijkheid nemen voor je eigen keuzes.
Andere relevante theologische thema’s
Een belangrijk thema in Ruth 2:1-23 is Gods reddingsplan. De gebeurtenissen in dit bijbelgedeelte zijn een schakelpunt in Gods grote reddingsplan. Ruths trouw aan Naomi leidt uiteindelijk tot haar huwelijk met Boaz en uit hun nageslacht zal koning David voortkomen. Dit betekent dat Ruth, een buitenlandse vrouw, een directe voorouder wordt van Jezus Christus (Matteüs 1:5-6). Dit laat zien dat Gods plan altijd groter is dan wat wij kunnen overzien. Waar Ruth op zoek was naar aren om te overleven, bracht God haar in de lijn van de Messias. Dit leert ons dat onze kleine, dagelijkse keuzes soms een grotere impact hebben dan we kunnen bevroeden. We denken dat we slechts bezig zijn met ons leven te leiden, maar God is bezig met iets groters. Wie zich toevertrouwt aan Zijn leiding, ontdekt uiteindelijk dat hij deel is van een verhaal dat veel verder reikt dan zijn eigen horizon.
Praktische toepassing
Ruth 2:1-23 laat zien hoe Gods voorzienigheid en genade werkzaam zijn in het alledaagse leven, zelfs als wij die niet direct herkennen. Het verhaal daagt ons uit om te handelen in geloof, om open te staan voor genade en om te ontdekken dat juist in onze ogenschijnlijk toevallige keuzes en ontmoetingen Gods hand verborgen zit. Hoe vertalen we deze principes naar ons eigen leven? Hieronder volgen vier uitdagende, verrassende en praktisch toepasbare richtlijnen die helpen om de lessen van dit bijbelgedeelte te integreren in het dagelijks leven.
- Ga niet op zoek naar wonderen, maar naar verantwoordelijkheid – en ontdek het wonder daarin.
Veel mensen wachten op een teken van God, een duidelijke openbaring of een wonderbaarlijke verandering in hun situatie. Maar Ruth 2:1-23 leert ons dat Gods leiding zich vaak pas achteraf laat herkennen, juist in onze gewone, dagelijkse keuzes. Ruth wachtte niet passief op een wonder, maar ging aan het werk met wat voorhanden was. Ze koos een veld, begon te rapen en pas later werd duidelijk dat deze ‘toevallige’ keuze door God geleid was. Dit roept de vraag op: welke keuzes liggen er vandaag voor je, waarvan je niet weet waar ze toe zullen leiden? In plaats van te wachten op grootschalige verandering in je leven, neem verantwoordelijkheid voor wat er nu op je pad ligt. Dit betekent concreet dat je actie onderneemt, zelfs als je niet weet of het de ‘juiste’ keuze is. Misschien betekent dit dat je solliciteert op een baan waarvan je niet zeker weet of het de juiste is. Misschien betekent het dat je het initiatief neemt om iemand te helpen, zonder te weten wat eruit voortkomt. Of misschien betekent het dat je een hobby oppakt, een boek leest of een nieuwe plek bezoekt – simpelweg omdat je voelt dat je niet stil moet blijven staan. Door verantwoordelijkheid te nemen, open je de deur voor Gods verborgen werk in jouw leven.
- Oefen jezelf in het geven en ontvangen van ongevraagde vriendelijkheid.
Een opvallend thema in Ruth 2:1-23 is de vriendelijkheid die Boaz toont aan Ruth, zonder dat zij erom vraagt of het verwacht. Hij overlaadt haar met zegeningen, geeft haar een plek aan tafel en zorgt ervoor dat ze veilig is. Tegelijkertijd accepteert Ruth deze vriendelijkheid zonder schaamte of afwijzing. Dit is een principe dat we vandaag kunnen oefenen in ons eigen leven: het bewust geven én ontvangen van vriendelijkheid. In een wereld die steeds individualistischer wordt, kan het krachtig zijn om iemand onverwacht een zegen te geven zonder dat je iets terugverwacht. Betaal bijvoorbeeld eens voor de koffie van iemand achter je in de rij, schrijf een handgeschreven brief aan iemand die het moeilijk heeft of geef een onbekende een oprechte compliment. Dit hoeft geen groot gebaar te zijn, maar het doorbreekt de transactiegerichte manier waarop veel relaties functioneren. Aan de andere kant vraagt dit principe ook om het vermogen om vriendelijkheid te ontvangen. Hoe vaak wuiven we complimenten weg of zeggen we dingen als ‘Dat had je niet hoeven doen’? Ruth laat zien dat het accepteren van genade net zo belangrijk is als het geven ervan. De volgende keer dat iemand je een compliment geeft, een gift aanbiedt of je helpt, oefen jezelf in het simpelweg zeggen: ‘Dankjewel.’ Dit opent de weg naar diepere relaties en een beter begrip van hoe Gods genade werkt.
- Verander jouw kijk op ‘toevallige ontmoetingen’ – zie mensen als bruggen naar iets groters.
Het lijkt toeval dat Ruth op het veld van Boaz terechtkomt, maar achteraf blijkt dat deze ontmoeting het begin is van een grote verandering in haar leven. Dit leert ons dat mensen die we ‘zomaar’ ontmoeten misschien een sleutelrol kunnen spelen in Gods plan voor ons. Maar hoe vaak staan we echt open voor ontmoetingen met vreemden? Een radicale, maar praktische oefening is om bewust ruimte te maken voor gesprekken met onbekenden, hoe onbelangrijk ze op het eerste gezicht ook lijken. Dit betekent dat je een praatje aanknoopt met de caissière in de supermarkt, de collega waar je normaal geen woord mee wisselt of die onbekende op een station die oogcontact maakt. Ga met de houding door het leven dat iedere ontmoeting een mogelijke deur kan zijn naar iets wat je nu nog niet kunt overzien. Er zijn talloze verhalen van mensen die een baan vonden door een toevallig gesprek, een levensveranderend inzicht opdeden door een onverwachte ontmoeting of zelfs een partner vonden door simpelweg op het juiste moment iemand aan te spreken. Maar we moeten bereid zijn om te investeren in het onbekende, zonder de garantie dat het ergens toe zal leiden.
- Blijf trouw aan een proces, zelfs als het langzaam gaat en je de uitkomst nog niet ziet.
Ruth bleef niet alleen op het veld van Boaz voor een dag, maar voor een heel seizoen. Dit is een belangrijk principe: als je ergens zegen ervaart, wees dan niet te snel om verder te trekken. In onze tijd is er een neiging om altijd op zoek te gaan naar het volgende, naar iets nieuws, naar verandering. Maar soms is de grootste zegen verborgen in volharding. Een praktische manier om dit toe te passen, is om in je eigen leven te kijken naar waar je misschien te snel wilt opgeven. Misschien voel je je ongemakkelijk in een nieuwe vriendschap, een studie of een project en heb je de neiging om te stoppen zodra het moeilijk wordt. Maar wat als de echte zegen pas zichtbaar wordt als je doorgaat? Geef iets eens een paar maanden in plaats van een paar weken. Blijf op een plek, zelfs als je nog niet zeker weet of het ‘juiste’ plek is. Houd vol in een proces van genezing, leren of groeien, zelfs als je het resultaat nog niet ziet. Dit principe geldt ook op geestelijk vlak. Misschien bid je ergens voor en zie je geen direct antwoord. Of je worstelt met geloofsvragen en voelt de neiging om alles los te laten. Ruth laat zien dat trouw blijven, zelfs als je nog geen zicht hebt op de eindbestemming, uiteindelijk een rijke oogst kan opleveren.
Deze richtlijnen vragen om een actieve houding in ons dagelijks leven. Ze dagen ons uit om verantwoordelijkheid te nemen zonder alles te begrijpen, om vriendelijkheid te geven en te ontvangen zonder berekening, om open te staan voor ontmoetingen die ons leven kunnen veranderen en om vol te houden, zelfs als we de eindbestemming niet zien. God werkt vaak door het alledaagse heen. Ruth had geen idee dat haar beslissing om op een willekeurig veld te gaan werken haar hele leven zou veranderen. Maar ze zette die eerste stap. De vraag is: welke stap zet jij vandaag? En ben je bereid om open te staan voor de onverwachte manieren waarop God je leven kan leiden?
Afsluiting
Laten we nog even terugkeren naar de inleiding. Marlies had nooit gedacht dat één ontmoeting in een wachtruimte haar leven zou veranderen. Ze was gewend om onzichtbaar te zijn, om genoegen te nemen met restjes. Maar toen Ellen haar niet alleen een baan, maar ook vertrouwen en waardigheid gaf, opende zich een nieuwe toekomst. Niet omdat Marlies erom smeekte, maar omdat iemand haar zag en waardeerde. Die ene kans werd een keerpunt.
Dat is precies wat Ruth meemaakte. Ze kwam als een vreemdelinge op het veld van Boaz, niet wetend wat haar te wachten stond. Ze vroeg niets anders dan de kruimels van de oogst. Maar Boaz zag haar. Niet alleen als een arme vrouw die graan nodig had, maar als iemand met waarde, iemand die bescherming en overvloed verdiende. Zijn vrijgevigheid was niet zomaar een gebaar van medelijden, maar een uiting van respect en erkenning. Net zoals Ellen in Marlies iets zag wat ze zelf niet eens durfde te hopen, zo zag Boaz in Ruth meer dan alleen haar situatie.
Het verhaal van Ruth leert ons dat God op verborgen manieren werkt, vaak door ontmoetingen die we op dat moment nog niet kunnen duiden. Soms is het een onverwachte kans, een persoon die ons pad kruist, een hand die ons optilt op een moment dat we zelf geen uitweg meer zien. En soms roept God ons op om die persoon voor een ander te zijn. Om met open ogen door het leven te gaan, niet alleen gericht op ons eigen bestaan, maar om te zien wie er over het hoofd wordt gezien. Misschien heeft iemand in jouw omgeving een Boaz nodig – of een Ellen.
Dit bijbelgedeelte laat ons zien dat God mensen niet over het hoofd ziet. Hij ziet jou, zelfs als jij het gevoel hebt dat je niet meetelt. Hij werkt in de alledaagse beslissingen die je neemt, in de kleine stapjes van trouw en volharding en in de ontmoetingen waarvan je nu nog niet weet waar ze toe zullen leiden. Soms denken we dat we slechts de restjes mogen oprapen, maar in werkelijkheid heeft God veel meer voor ons in petto.
Onthoud dat Gods genade niet afgemeten of schraal is. Net zoals Ruth niet alleen voldoende graan kreeg voor de dag, maar overvloed ontving, wil God je geven wat je nodig hebt – en meer. Niet altijd op de manier die je verwacht, maar altijd op de manier die je het meest nodig hebt. ‘Goed is de HEER voor wie Hem zoekt en zich op Hem verlaat. Goed is het geduldig te hopen op de HEER die redding brengt.’ (Klaagliederen 3:25-26).
Ga deze week met een open hart en open ogen. Misschien is er een onverwachte ontmoeting die je leven zal veranderen. Misschien ben jij degene die een ander ziet op een cruciaal moment. Wat je situatie ook is, weet dat je niet onzichtbaar bent voor God. Hij leidt je stappen, zelfs als je het zelf nog niet doorhebt. Vertrouw erop dat Zijn zegen niet beperkt is tot wat je verwacht, maar verder reikt dan je kunt bedenken. En wie weet, misschien kijk je later terug en zie je hoe iets wat klein leek – een ontmoeting, een kans, een simpele stap in vertrouwen – een keerpunt werd in jouw leven. Net zoals bij Ruth. Net zoals bij Marlies. Net zoals bij zovelen die, zonder het te beseffen, op het veld van genade terechtkomen.
Reflectievragen
- Welke momenten in je leven leken op toeval, maar bleken achteraf bepalend te zijn voor je toekomst? Hoe kijk je daar nu op terug?
- Ruth nam initiatief en ging op pad, maar God leidde haar precies naar de juiste plek. In welke gebieden van je leven zou je een stap in vertrouwen kunnen zetten, zonder precies te weten waar het naartoe leidt?
- Boaz zag Ruth, niet alleen als een behoeftige, maar als een persoon met waarde. Voel jij je gezien en gewaardeerd in je dagelijks leven? Op welke manier kun jij iemand anders laten merken dat hij of zij waardevol is?
- Naomi dacht dat haar leven alleen nog maar bitterheid zou kennen, maar door Ruths ontmoeting met Boaz kreeg ze weer hoop. Zijn er gebieden in jouw leven waar je Gods hoop uit het oog bent verloren? Wat zou er gebeuren als je daar opnieuw open voor staat?
- God werkt vaak door ontmoetingen en relaties. Is er iemand in jouw omgeving die onverwacht een sleutelrol in jouw leven heeft gespeeld? Of zou jij voor iemand anders zo’n persoon kunnen zijn?
Copyrights Marjolein Gommers
Reactie plaatsen
Reacties